Monnikspeper

De monnikspeper (Vitex agnus-castus) is verspreid in het hele Middellandse Zeegebied en Centraal Azië, waar hij kusten en rivieroevers bewoont. Het is een tot vijf meter hoge struik of kleine boom. Deze soort wordt veel aangeplant vanwege diens aantrekkelijke en geurige bloemen. De blauwviolette, rozekleurige of witte bloemvorm doen denken aan die van de vlinderstruik. Uiteindelijk vormt de monnikspeper kleine, donkerbruine vruchten die verworden tot vierzadige steenbessen. De hele plant heeft een peperachtige geur en smaak. De gedroogde bessen kunnen dan ook gebruikt worden als vervanger van zwarte peper.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Vitex, wordt in verband gebracht met het Latijnse woord vieo, wat 'weven' betekent. Het verklaart het gebruik van de twijgen van de monnikspeper om manden mee te vlechten. Het tweede deel, agnus-castus, is een vreemde woordverdubbeling: agnus is afgeleid van het oud-Griekse agnos (ἄγνος) en castus is geleend uit het Latijn. Beide woorden hebben dezelfde betekenis, namelijk 'kuis'. Het verklaart het gebruik van deze plant.

Zoals diverse planten een lustverhogend effect lijken te hebben en afrodisiacum genoemd worden, geloofd men al sinds onheuglijke tijden dat de monnikspeper een omgekeerd effect heeft. Het is een lustverlager ofwel een anaphrodisiacum.

De bladeren, bloemen en rijpende zaden worden geoogst voor alternatieve medicinale doeleinden. De besjes worden in een tonicum verwerkt die werkzaam is op zowel het mannelijke als vrouwelijke voortplantingssysteem. In zijn boekwerk 'Historia Naturalis' schreef de Romeinse historicus Plinius de Oudere over de monnikspeper: bladeren en bloemen werden over het het bed van vrouwen gestrooid om de 'hitte van de lust te koelen'. Zo bleven de vrouwen kuis tijdens de achtdaagse Thesmophoriën, een vruchtbaarheidsfeest om de Griekse godin Demeter te eren.

In de Middeleeuwen werden in kloosters de vruchten van de struik als vervanging van peper voor het onderdrukken van de 'vleselijke lusten' van monniken gebruikt. De monniken strooiden takken van de monnikspeper op hun bedden en de gewoonte om voor de novicen de wegen naar de kloosters met monnikspeperbloemen te bestrooien zou in Italië tot de dag van vandaag nog gebruikelijk zijn.

Monnikspeper werd vroeger als geneesmiddel ingezet bij verwondingen, onderbuikaandoeningen, oedeem, hypochondrie en leverziektes. Als we naar het heden overstappen dan blijkt dat monnikspeper inderdaad enig effect heeft op menstruatiecyclus. Onderzoek toont verder aan dat het een mogelijk positief effect heeft bij het Premenstrueel Syndroom (maandelijks terugkerende klachten tijdens de tweede helft van de menstruatiecyclus) en de Premenstruele Dysfore Stoornis (een ernstige vorm van het Premenstrueel Syndroom met vooral klachten van psychische aard).

Geen opmerkingen:

Een reactie posten