Cascarilla

Vroeger probeerden moeders hun kinderen ervan te overtuigen dat het soms noodzakelijk was om vieze drankjes toch maar op te drinken. Het was voor je eigen bestwil, zo zeiden ze, want 'bitter in de mond maakt het hart gezond'. Nu waren de meeste tincturen ook echt vrijwel ondrinkbaar door de extracten van diverse kruiden die er in zaten. Denk maar aan 'onze' Beerenburg, waar veel bitter kruiden in verstopt zitten. Dat deze elixer toch aangenaam drinkbaar blijkt is het gevolg van zoethout dat de bittere smaak ietwat verzacht.
Maar uiteraard is beerenburg niet de enige drank waarin de bittere kruiden de illusie van gezondheid moesten geven. Een voorbeeld daar van is Cascarilla (Croton eluteria) en een extract daarvan wordt gebruikt om Campari, Vermouth en sommige moderne gins een bitter smaakje te geven.

De cascarilla is een kleine boom of grote struik die oprijst tot een maximale hoogte van een meter of zes. De soort is inheems in het Caraïbisch gebied, maar heeft zich intussen verspreid over grotere delen van het tropisch regenwoud van het Amerikaanse continent. De weinige bladeren zijn twee centimeter lang en ietwat ovaal en lansvorming. In maart en april bloeit de cascarilla met kleine, witte bloemen die heerlijk geuren. Ook de lichtbruine bast geurt heerlijk en die gebruikt men als specerij voor al die smaakvolle alcoholische dranken.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Croton, is afkomstig uit het Oudgrieks, waar om kroton (κροτών), ooit '(schapen)teek' heeft betekend en de vorm van de zaden probeert te omschrijven. Het tweede deel, eluteria, is afgeleid van het Oudgriekse eleutheria (ἐλευθερία). Het was ooit de personificatie van vrijheid en de voorloper van het Romeinse idee van libertas. Hoewel niemand het interessant zal vinden is Cascarilla een verkleinwoord van het Spaanse woord cáscara en betekent 'dop'. Het dopje is ook al een beschrijving van de zaden.

De inheemse bevolking had natuurlijk geen idee dat de bast ooit een ingredient zou worden van bekende Europese alcoholische dranken, maar ze hadden er wel medicinale toepassingen voor gevonden. Een aftreksel bleek enige werking te hebben tegen malaria en was een soort minderwaardige vervanger van kinine. Het blijkt inderdaad dat een extract koortswerende effecten heeft. Daarnaast grepen de mensen naar een tonic met cascarilla bij een moeilijke stoelgang en chronische diarree. Het zou een versterkend en stimulerend effect hebben op het spijsverteringsstelsel. Bovendien zou het werkzaam zijn tegen flatulentie ofwel winderigheid (om het netjes te houden). Modern wetenschappelijk onderzoek heeft intussen uitgewezen dat de etherische olie van de cascarilla inderdaad een antibacteriële werking heeft.

Mirre

Mirre is een welriekende gomhars die op dezelfde manier uit bomen wordt geoogst als bijvoorbeeld latex (rubber), ahornstroop of mastiek. Dat deze hars plezierig geurt was al vroeg bekend in het Midden-Oosten en de Bijbel meldt ons in Spreuken 7:17 'Ik heb mijn leger met mirre, aloë en kaneel welriekende gemaakt.' Nog veel eerder was mirre in gebruik bij het mummificeren van farao's in het oude Egypte.
De mirre wordt gewonnen uit een aantal soorten bomen, die allen tot dezelfde familie behoren. De meest bekende is de gewone mirre of Afrikaanse mirre (Commiphora myrrha), een grote struik (of kleine boom) die tot een meter of vijf kan opgroeien. De soort leeft in noordoostelijke delen van Afrika en het zuiden van het Arabische schiereiland (Jemen, Oman). Mirre houdt dus kennelijk van een droge omgeving. De soort beschermt zich tegen vraat door zich te wapen met vervaarlijke doornen.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Commiphora, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar kommi (κόμμι) 'gom' betekende en phoros (φόρος) zoiets als '(in zich) dragend'. Samen is dat natuurlijk 'gom (in zich) dragend). Het tweede deel, myrrha, betekent in eerste instantie 'mirre', maar verder weg in de historie komen we in een aantal Semitische talen mor tegen, wat 'bitter' betekent.

Mirre is sinds mensenheugenis in gebruik als parfum, wierook en medicijn. Omdat mirre ook een ontsmettende werking heeft, werd het veelvuldig gebruikt bij mondverzorging. Mirre heeft bovendien een licht verdovend effect, waardoor het ook toegepast werd bij kiespijn. Beperkt wetenschappelijk onderzoek lijkt aan te tonen dat de werkzame stofjes in mirre zelfs een positief effect kunnen hebben op bepaalde vormen van kanker. In Afrika wordt mirre met enig succes gebruikt bij de bestrijding van inwendige parasieten, zoals wormpjes en de malariaveroorzaker Plasmodium falciparum. Verder wordt geclaimd dat mirre kan helpen bij zweren, indigestie, hoesten, verkoudheid en pijn bij artritis.

Gemixt met wijn of posca, een 'armeluis 'wijn' gemaakt van water met verzuurde wijn ofwel azijn en kruiden, werd mirre tegelijkertijd voor zowel verhoging van de feestvreugde als verlaging van allerhande pijntjes gewaardeerd.
Mirre was vroeger, net zoals alle andere exotisiche specerijen, behoorlijk prijzig. Geen wonder dat de drie wijzen goud, wierook en mirre meenamen om de zojuist geboren Jezus te eren. Het waren cadeautjes fit for a king.

Ondanks diens zeldzaamheid en hoge kostprijs wordt mirre tegenwoordig nog altijd uit 'het wild' geoogst. Tot op heden is men er niet in geslaagd om plantages met de mirre aan te leggen. Dat zou wel een idee zijn, want de gebieden, waar de soort groeit zijn niet echt het toonbeeld van verdraagzaamheid.

Bergcentaurie

Ik moet eerlijk toegeven dat de bergcentaurie (Centaurea montana) aantrekkelijk genoeg uitziet om hem in je voortuin te willen hebben. Deze soort is inheems in de zuidelijke Europese bergen. Als we iets specifieker willen zijn, dan kunnen we melden dat hij daar groeit in weilanden en open bossen, waar de zon vrij spel heeft. De plant zelf kan een hoogte bereiken van zo'n 70 centimeter. De bergcentaurie bloeit van mei tot augustus met prachtige lila tot paarse bloemen.
[Foto: Bauke Koster]

 Zoals gezegd is de bergcentaurie aan leuke plant om in je tuin aan te planten, maar tegelijkertijd bestaat de mogelijkheid dat ook deze soort zal pogen te ontsnappen. Geen wonder dus dat we deze plant steeds vaker op plekken aantreffen waar hij nimmer is aangeplant.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Centaurie, is afgeleid van het Oudgriekse woord kéntauros (Κένταυρος), waarmee ooit een lid van de woest ras uit de Griekse regio Thessalia werd aangeduid (alles ten noorden van Athene werd al gauw gezien als woest en barbaars), maar tegelijkertijd behoorde een centaur tot de Griekse mythologie, waar het een mens (of dier) was met het bovenlichaam van een mens en de rest van een paard. Het tweede deel, montana, is te herleiden tot het Latijnse mons ('berg') en waarin we het hedendaagse Engelse woord mountain nog herkennen.

De bergcentaurie heeft de vervelende neiging om ecosystemen te domineren indien de voorwaarden daartoe goed genoeg zijn. Veel familieleden van deze soort zijn – vooral in Noord-Amerika – zo in aantal uitgebreid dat men ze als invasieve soort zijn gaan beschouwen. Het lastige is ook dat, als je hem uitgraaft, er maar een klein stukje wortel hoeft achter te blijven en de plant begint zijn leven gewoon weer opnieuw.

In Midden- en Zuid-Europa werd de bergcentaurie ooit ingezet voor diens medicinale eigenschappen. Een extract zou een middel zijn om vermoeide ogen tot rust te brengen. Uiteraard meende men dat het grootste positieve effect te behalen was bij blauwe ogen, een overblijfsel van de Middeleeuwse signaturenleer. De gedroogde bloemen zouden hoesten tegengaan, ietwat vochtafdrijvend zijn en een milde zuiverende werking hebben. Ook zou spoelen kunnen helpen tegen bloedend tandvlees en druppelen zou weer helpen bij een ontstoken slijmvlies (of bindvlies) van het oog (conjunctivitis). Het probleem is echter dat de werking nooit wetenschappelijk onderzocht is. Het is dus een kwestie van geloof en hopen op een goede afloop.

Tenzij je in homeopathie gelooft, dan geloof je álles.

Vietnamese melisse

Een exotisch keukenkruid heeft uiteraard ook exotische namen. In China staat de plant bekend als xiang ru (香薷), terwijl hij in Vietnam kinh giới genoemd wordt. Toen de bewoners van die streken emigreerden naar het westen, namen ze uiteraard hun eetgewoonten en recepten mee naar hun nieuwe thuislanden. Eenmaal geacclimatiseerd waren er natuurlijk zakelijk ingestelde lieden die zo'n keukenkruid uit Zuidoost-Azië gingen importeren. Dan is een goede benaming natuurlijk onontbeerlijk en zo hernoemden ze xiang ru en kinh giới tot Vietnamese balm ofwel de Vietnamese melisse (Elsholtzia ciliata).
[Image: Fagus]

De Vietnamese melisse is een rechtopstaand kruid die tot zo'n 60 centimeter hoog zal kunnen opgroeien. De eivormige tot lancetvormige bladeren zijn lang en gekarteld. Ook zijn ze aan de onderzijde geklierd. De soort bloeit met prachtige paarskleurige bloemen, wat er toe geleid heeft dat hij in wat warmere klimaten met plezier in tuintjes wordt gezaaid. Hier in Nederland zul je moeten hopen op een lange, warme zomer of een warme, op het zuiden gerichte vensterbank.

Zoals de diverse namen al aangeven is de Vietnamese melisse inheems in zuidoostelijke delen van Azië. Tegenwoordig komt hij verwilderd voor in grote delen van India, Oost-Azië en zelfs Europa. In Noord-Amerika is hij intussen verworden tot een vervelend onkruid, een kwalificatie die deze soort al in 1889 had verkregen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Elsholtzia, eert de Pruisische naturalist Johann Sigismund Elsholtz (1623-1688), een van de eerste wetenschappers die het belang van hygiëne in zag bij het voorkomen van ziekten. Het tweede deel, ciliata, is afgeleid van het Latijnse cilium, wat 'ooglid' betekent en de kliertjes aan de onderzijde van het blad beschrijft.

De geur en smaak van de Vietnamese melisse lijken ietwat op een verrasende combinatie van majoraan en citroenmelisse. In de Vietnamese keuken worden de bladeren van dit kruid gebruikt om vlees, soepen en salades te kruiden met een citroenachtige smaakbeleving. Ook de vermalen zaadjes kunnen als specerij voor hetzelfde doel worden gebruikt.

Omdat het nog niet zo gek lang geleden is dat de gezondheidszorg in Zuidoost-Azië nog niet op een hoog peil stond, werd ook de Vietnamese melisse toegepast als medicijn. Zo zag men het alom als middel tegen winderigheid. In de traditionele Chinese geneeskunst werd het kruid gebruikt bij maagproblemen, om zweten op te wekken en als middel tegen slechte adem (halitose). Verder zou het als kruidendrank kunnen helpen bij griep en verkoudheid.

Beemdkroon

Beemdkroon (Knautia arvensis) is een overblijvende zomerbloeier met een vertakte wortelstokuit de kamperfoeliefamilie (Caprifoliaceae). De hoogte van deze soort varieert behoorlijk van zo'n 25 tot 100 centimeter. De soort komt algemeen in Nederland voor maar heeft het moeilijk, wat hem een plekje op de Nederlandse Rode lijst van planten heeft opgeleverd. Beemdkroon komt voor in zowel Europa als Azië. Hij houdt van grassige plekjes met droge bodems, terwijl hij een lastige zware ondergrond zal pogen te vermijden. Door hun fijne beharing lijken de beemdkronen geheel grijsgroen gekleurde kruiden. De beemdkroon heeft in het midden wat veervormige bladeren, terwijl ze aan de onderzijde peervormig zijn. Hij bloeit met prachtige lila bloemen, al komen er in zeldzame gevallen ook witte of gele bloemen voor.
[Image: K.vliet]

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Knautia, eert Christian Knaut (1656-1716) ooit Duitse lijfarts van de hertog van Anhalt-Köthen, plantkundige en bibliothecaris. Hij ontwikkelde een (thans geheel vergeten) classificatiesysteem voor bloeiende planten, gebaseerd op het aantal en de vorm van de bloemblaadjes. Het tweede deel, arvensis, is Latijns, want arvum is 'akker' en betekent daarom ‘op akkers (groeiend)'. Mocht je je afvragen wat 'beemd' betekent: het is een woord dat in het Zuid-Nederlands en Belgisch dat gebruikt wordt om een weide aan te duiden.

In het Engels wordt deze soort field scabious genoemd en in die benaming vinden we de eerste aanwijzing van zijn vroegere gebruik. Scabious is namelijk 'schurft'. Dit kruid werd namelijk ingezet bij de bestrijding van schurft, eczeem en andere huidaandoeningen, waaronder zweren die door de builenpest werden veroorzaakt.

Beemdkroon, zo wordt gedacht, zou chemische stofjes bevatten die de huid helpen uitdrogen, wat inderdaad van belang kan zijn bij de bestrijding van vervelende huidproblemen. Verder zou deze soort kunnen helpen om borstinfecties te verhelpen door het ophoesten van slijm te bevorderen. Bij hoest werd aanbevolen een drankje te maken van gekonfijte bloemen.

In Westelijk Brabant was de naam luizebloem in zwang, omdat de plant gebruikt werd ter bestrijding van hoofdluis. Rembert Dodoens (1517- 1585), onder zijn Latijnse naam Rembertus Dodonaeus, vermeldt deze toepassing al in zijn Cruydeboeck (1554) geeft de raad de plant in loog te koken en met dit aftreksel het hoofd te wassen.

Nu zou ik niet direct naar een apotheek, drogist of tuincentrum rennen om pillen, capsules of drankjes te kopen waarin beemdkroon verwerkt is. Mensen die het bovenstaande beweren zijn namelijk vergeten om na te gaan wat de moderne wetenschap over dat onderwerp zegt. Die wetenschap zegt helemaal niets, want de medicinale werking van de beemdkroon is nog nooit onderwerp van enig onderzoek geweest.

Kaneelbloemknoppen

Kaneelbloemknoppen, soms ook foutief kaneelbloesem genoemd, zijn de nog ongeopende bloemen van de kaneelboom. Ze worden geplukt juist voordat ze voor het eerst open zouden gaan en vervolgens in de zon gedroogd. Nu zijn er verschillende soorten bomen binnen de kaneelboomfamilie en de meesten daarvan kunnen worden gebruikt om de bloemknoppen te oogsten. In de handel worden echter voornamelijk die van de Chinese kaneelboom (Cinnamomum cassia) aangeboden.
De kaneelboomknoppen lijken erg op de kruidnagel en dat is niet zo vreemd want dat zijn op hun beurt weer de gedroogde en nog ongeopende bloemknoppen van de kruidnagelboom (Syzygium aromaticum).

De Chinese kaneelboom is een ver familielid van de laurier. Hij kan een hoogte bereiken van zo'n 15 meter en groeit in wat landen in Indochina ofwel het continentale deel van Zuidoost-Azië.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Cinnamomum, heeft natuurlijk dezelfde oorsprong als cinnamon het Engelse woord voor kaneel. Omdat kaneel al sinds onheugelijke tijden door Arabische handelaren vanuit Azië werd aangevoerd, heeft ook de naam een soortgelijke lange reis achter de rug: de oude Grieken leenden hun woord kinnamomum van het oude Hebreeuwse woord kinamom en het Aramese qunimom. Uiteindelijk zou het verwant zijn aan het hedendaagse Indonesische kaya manis (‘zoet hout’). Het tweede deel, Cassia, is afkomstig van het Griekse kasia (κασία), van het Hebreeuwse q'tsi-ah en qatsa, dat ‘afkappen, afstrippen (van de bast)’ heeft betekend.

De geur van kaneelbloemknoppen heeft als basis die van kaneel, maar is een stuk complexer. Kenners noemen het kaneel met een meer bloemiger, zelfs wat naar naar wijn neigende geur. De geur is intens. Het ruikt en smaakt zowel mild peperig, puur, aards als zoet. Om die geur echt uit de bloemknoppen te krijgen moeten ze eigenlijk worden fijngemalen, maar ze worden ook wel in hun geheel in gerechten verwerkt. Maal echter niet teveel, want deze specerij (of is dit weer een kruid), verliest na het malen al snel zijn geur en smaak. De weinige etherische oliën vervliegen dan immers een stuk sneller.

Kaneelbloemknoppen worden veel gebruikt in diverse regionale keukens. Ze worden gebruikt voor het koken van zowel zoete als pittige gerechten, maar ook in traditionele gerechten uit de Chinese of Indonesische keuken. Ze verfijnen hertenvlees, lamsvlees en gevogelte. Het geeft diverse compôtes (abrikozen, appel en peren) en jams een heerlijk delicaat aroma.

Doordat kaneelbloemknoppen een wat minder overheersende geur en smaak hebben als kaneel zijn ze ook perfect te combineren met andere specerijen, waaronder steranijs, zoethout, venkel, Sichuanpeper, kardemom, kruidnagel, korianderzaad, gember, kurkuma (koenjit of geelwortel), nootmuskaat en foelie.

Brandhoren

Dankzij de vroege chemische industrie, vooral IG Farben, weten we tegenwoordig niet beter dan dat we onze kleding in alle mogelijke kleuren kunnen kopen. Dat was vroeger wel anders toen men zich tot de natuur moest wenden om kleurstoffen te vinden. Vele planten waren geschikt als kleurstof, maar sommige kleuren bleken lastig te fabriceren.
Paars of purper was zo'n extreem lastige kleur. Het verhaal is zo interessant dat we voor een keertje eens geen kruid of specerij gaan beschrijven, maar een zeeslakje met de naam brandhoren (Bolinus brandaris) en die ooit door de Romeinen Murex werd genoemd. Die naam, Murex, is afgeleid van het Oudegriekse muax (μύαξ), wat 'mossel' betekende. De stekelige schelp kan tot negen centimeter lang worden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Bolinus, is afgeleid van het Latijnse bulla, wat 'buil' of 'bubbel' betekende en waarvan die Nederlandse woorden duidelijk afgeleid zijn. Het tweede deel, brandaris, eert niet de heilige Sint Brandaan of zelfs de beroemde vuurtoren op Terschelling. Het is afgeleid van het Oud-Engelse woord brand, wat onder meer de betekenis van 'zwaard' had en de stekels van de brandhoren beschrijft.

Al zo'n 1,200 jaar voor het begin van onze jaartelling ontdekten bewoners van Phoenicië (letterlijk het 'purperen land', het tegenwoordige Libanon) het procedé om purper uit de brandhoren te winnen. Het blijkt dat het weekdier een piepklein kliertje heeft dat een kleurloze substantie afscheidt. Onder invloed van zout en zonlicht ontstaat er een proces van oxidatie, waardoor het stofje in zo'n 45 minuten in kleur verandert van kleurloos naar purper. Dan begint het pas, want je hebt slechts een onzuivere kleurstof. Je moet het eindeloos filtreren om uiteindelijk de zuivere kleurstof te kunnen bewonderen.

Ik hoor je denken: een kliertje van een klein slakje? Hoeveel van die slakjes heb je dan wel niet nodig om voldoende kleurstof te kunnen krijgen om een kledingstuk te kunnen inkleuren? Het antwoord is heel veel, want er zijn naar schatting 7,500 slakken nodig om één gram zuivere kleurstof te kunnen produceren. Met die ene gram kun je slechts tot 15 gram weefsel inkleuren. Al die slakken moesten bovendien worden opgedoken door slaven, die met een steen om hun middel gebonden steeds dieper moesten duiken. Daarna moesten die schelpen kapotgeslagen worden om de kliertjes te verwijderen.

Dat moet een onbeschrijfelijke stank hebben opgeleverd. Hoewel de brandhoren eetbaar is en vermoedelijk ook op het menu stond, werden de resten van de zeeslak, samen met de vernielde schelp achteloos weggegooid en verrotten al snel in het warme Mediterrane klimaat. Zelfs nu zijn die bergen schelpen nog steeds onderwerp van archeologisch onderzoek.

Er wordt gezegd dat de prijs van de geverfde stof tien tot twintig keer zo hoog was als een hoeveelheid goud van hetzelfde gewicht. Zo prijzig was deze kleurstof dat alleen de rijken der aarde het zich konden veroorloven. Dat betekende dus keizers, koningen en pausen.

[Image: U.Name.Me]

Zelfs kerkelijke muurschilderingen werden soms ingekleurd met purper uit de brandhoren. Onderzoek in een Franse kerk toonde aan dat een bruine kleur de chemische componenten (puur 6-bromoindigo en 6,6'-dibromoindigo) van de purperen kleur bevatten[1]. Het was een prijzige muurschildering.

[1] March et al: An investigation of paint from a mural in the church of Sainte Madeleine, Manas, France in Journal of Mass Spectrometry - 2011

Paarse morgenster

Tegenwoordig probeert de commercie ons te doen geloven dat er vergeten groenten bestaan. Vaak plakken de jongens en meisjes van de afdeling marketing er gemakzuchtig ook nog eens het etiket 'superfood' op in de hoop dat de consument (jij dus) de prijzige groente eens gaat proberen. Maar in de meeste gevallen is zo'n groente niet zonder reden in de vergetelheid geraakt.
[Image: Jeantosti]

De paarse morgenster (Tragopogon porrifolius) is een voorbeeld van wat zo maar als een vergeten groente in de supermarkt terecht kan komen. Deze soort heeft een aantal benamingen die het vroegere gebruik aangeven, waaronder haverwortel, armeluisasperges, witte schorseneren, oesterplant, boksbaard, salzafij (een verbastering van het franse salsifis) en keukenmeidenverdriet.

De paarse morgenster is een tweejarige plant die maximaal een meter hoog kan worden. Aan de meestal kale stengel groeien blauwgroene bladeren. Pas in het tweede jaar bloeit de plant met dofpaarse bloemen die zich slechts in de vroege morgenuren openen. Ooit kwam deze soort alleen voor in het Middellandse Zeegebied. Vóór de 17e eeuw werd de soort namelijk verbouwd als voedsel op zeekleigebieden voornamelijk. Daarna is zij verdrongen door grote schorseneer. Intussen komt hij hier verwilderd voor, voornamelijk in Friesland, Groningen en Zeeland.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Tragopogon, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar tragos (τράγος) een 'mannelijke geit' is pogon (πώγων) is 'baard'. Samen is dat 'bokkenbaard' en beschrijft het vruchtpluis dat dit geslacht produceert. Het tweede deel, porrifolius, is een combiwoord uit het Latijn, waar porrum 'prei' betekent en folius via folium 'blad' betekent. Samen verklaart het de gelijkenis van de bladeren met die van prei.

De paarse morgenster werd hoofdzakelijk als wortelgroente gebruikt onder de naam haverwortel. De bladeren kunnen in salades worden verwerkt of op dezelfde manier als spinazie worden bereid. De tot 30 centimeter lange, harige penwortel kan alleen in het eerste jaar geoogst worden, omdat hij in het tweede jaar te houtig wordt als ook de bloeiwijzen zich ontwikkelen. Vanwege het kleverige melksap moeten de wortels onder water worden geschild, vandaar de benaming keukenmeidenverdriet.

Zoals vele groentesoorten werd ook de paarse morgenster in de volksgeneeskunst toegepast. Nicholas Culpeper (1614–1645), een botanicus, kruidenkenner, arts en astroloog schreef: “De gekookte wortel is goed voor de koude, verwaterde maag”. Bovendien schreef hij de plant voor als lever en galblaastonicum. Maar ook Schwindsüchtigen zouden er door aansterken. Mocht je je afvragen welk ziektebeeld daarbij hoort dan is het Duitse verschwinden natuurlijk 'verdwijnen' en dat is het broertje van het Engelse consumption, waarmee men tuberculose bedoelt. Je lichaam wordt langzaam verteerd, vandaar ook 'tering'.

Glad parelzaad

Glad parelzaad (Lithospermum officinale) is inheems in vrijwel heel Europa en is een tot een meter hoge, overblijvende kruidachtige plant. Aan een robuuste penwortel ontspringen vaak talrijke stengels. De behaarde rechtopstaande stengels zijn bovenaan sterk vertakt. De bladeren zijn langwerpig en breed met een spitse top. De kelkvormige bloemen zijn maar vijf millimeter lang en zijn roomwit, gelig tot licht fletsgroen gekleurd. De vrucht is een vierdelige splitvrucht met vier kleine glanzende, parelmoerkleurige, licht grijze tot lichtbruine nootjes. En jawel, die nootjes lijken ook een beetje op kleine glimmende pareltjes. Opmerkelijk is dat die nootjes vaak de hele winter door aan de inmiddels verdorde plant blijven zitten.
[Image: Georges Moes]

Het kruid houdt van warmte en de groeiplaatsen hadden vaak als eigenschap dat deze op het zuiden of zuidwesten gericht is. In Nederland en België kun je hem het vaakst in de duinen aantreffen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Lithospermum, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar lithos (λῐ́θος) 'steen' betekent en sperme (σπέρμα) 'zaad'. Samen is dat 'op een steentje lijkend zaad'. Het tweede deel, officinale, is afgeleid van het Latijnse woord officium, wat afgeleid is van officium, wat zoiets betekent als '(plaats voor) officiële zaken'. Het verwaterde later tot het Engelse office ('kantoor').

De wetenschappelijke soortnaam geeft ons al een indruk dat men glad parelkruid in het verleden ingezet heeft als medicinaal kruid. Nadat de hele plant was gedroogd kon er een heerlijke kruidenthee van gezet worden. Dat aftreksel heeft een kalmerende werking op gespannen zenuwen. De rijpe zaden zijn vochtafdrijvend. Tot poeder vermalen zaden worden ingezet als middel tegen blaasstenen en artritis.

Alle delen van de plant bevatten een nog onbekend stofje dat de aanmaak van (in ieder geval) een tweetal gonadotroop hormonen remt. Dat zijn het follikelstimulerend hormoon (FSH) en het luteïniserend hormoon (LH), aangemaakt door de hypofyse in de hersenen. Die hormonen zijn noodzakelijk voor de ontwikkeling en het functioneren van de geslachtsklieren (eierstokken en zaadballen). Met andere woorden: het extract heeft contraceptieve eigenschappen voor zowel man als vrouw.

Een broertje van glad parelzaad met de naam rood parelzaad (Lithospermum erythrorhizon) wordt al vanaf ongeveer het jaar 750 in Japan geteeld ten behoeve van diens wortel. Daaruit kan een rijke paarse kleurstof bereid worden. Het is nogal een bewerkelijke productiemethode, wat de prijs natuurlijk opdreef. Gedurende de Heian Periode (794 tot 1185) was het zelfs bij wet geregeld dat alleen de Keizerin en tot haar gevolg behorende edelvrouwen gewaden mochten dragen die ingekleurd waren met deze kleurstof. Overtreding van de wet betekende de dood. Elders was de kleur paars ook al zo lastig te maken dat deze eeuwenlang was voorbehouden aan koninklijke of kerkelijke gewaden.

Verjus

Verjus is een echt enorm zuur sap dat gemaakt wordt van onrijpe vruchten, vooral van onrijpe druiven, onrijpe wilde appels of onrijpe sinaasappels. In de Middeleeuwen werd verjus aan allerlei sauzen, marinades en dressings toegevoegd. Het gebruik als smaakmaker is tot in de zeventiende eeuw in gebruik gebleven. Qua smaak en zuurgraad, zo stellen moderne culinaire schrijvers, zit het tussen wijn en azijn in, maar het is toch in het bezit van een eigen smaaksensatie.
Vlak voordat wijndruiven beginnen te kleuren, worden de trossen uitgedund, zodat de druiven, die achterblijven, beter kunnen afrijpen. De kleine groene druifjes werden dus geplukt voordat de suiker zich kon ontwikkelen en waren dus zuur. In vroeger tijden werd niets weggegooid en dus ook die onrijpe druiven niet. Ze werden geperst tot verjus. In het Frans was dat vertjus ofwel 'groen sap'.

Afhankelijk van de plaatselijke traditie konden aan het sap nog citroensap of zuringsap worden toegevoegd, plus diverse kruiden en specerijen.

Verjus was in vroeger tijden geschikt voor een veelheid aan toepassingen. Het deed dienst als ingrediënt in sauzen, als smaakmaker en om gerechten af te blussen. Verjus werd ingezet voor gerechten waar koks tegenwoordig wijn of azijn zullen toevoegen. Moderne koks gebruiken verjus vaak (weer) als zuurtje in dressings voor salades als wijn bij diezelfde salade zal worden geserveerd. Ze menen dat de smaak van de salade daardoor niet de smaak van de wijn zal negatief beïnvloeden, zoals azijn of citroenzuur wel zouden kunnen doen.
[Productie van verjus]

Zoals wel vaker gebeurt is het gebruik van verjus de laatste jaren weer wat toegenomen, omdat chefkoks steeds vaker de grenzen van het mogelijke willen opzoeken. Het gebruik is echter nooit uitgestorven en wordt verjus nog steeds gebruikt in een aantal Franse gerechten en in recepten uit andere Europese en Midden-Oosterse keukens.

Elders in de culinaire wereld staat verjus bekend als husroum (حصرم) in het Arabisch, wat 'zuur' betekent en veel in de Syrische keuken wordt gebruikt. In Iran heet het ab-ghooreh آ'vocht') en daar bestaan ook tientallen recepten waarin het als noodzakelijk gezien wordt.

Schrijvers van het kookboek 'The Medieval Kitchen: Recipes from France and Italy' uit het jaar 2000 claimen (terecht of onterecht) dat gedurende de Middeleeuwen in zout ingemaakte druivenpitjes ook verjus werd genoemd. In oude Engelse kookboeken bestond wat verwarring en kon verjuice soms gewoon appelsap betekenen.

Davana

Davana (Artemisia pallens) is een aromatisch kruid binnen de Composietenfamilie (Asteraceae) en is een broertje van de ook in Nederland aanwezige Bijvoet (Artemisia vulgaris) en Absintalsem (Artemisia absinthium). Davana groeit als een klein struikje. Mensen, die meer geleerd hebben dan ik, noemen hem een xerofiet, wat niet meer (of minder) betekent dan dat hij zich heeft aangepast aan droge omstandigheden en met heel weinig water toch kan gedijen. Hij bloeit met talloze kleine gele bloempjes. Zoals vele ander soorten binnen de familie Artemis is het blad bedekt met witte haartjes, wat de hele plant een bijna zilverkleurige aanblik geeft.
Davana groeit voornamelijk in de zuidelijke staten van India. De soort heeft twee verschillende groeiwijzen: eentje die klein blijft en waarbij de bloei vroeg in het jaar begint en eentje die een stuk groter wordt en waarbij de bloei later in het jaar plaatsvindt. Het heeft te maken met een overlevingsstrategie, want in het begin van het jaar brengt de moesson nog geen neerslag.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Artemisia, heeft zijn naam te danken aan de Griekse godin Artemis, de godin van de jacht en beschermer van het bos en kinderen. Graven we dieper dan geloven taalwetenschappers dat de oervorm van de naam Artemis òf als artemes ('veilig') òf als artamos ('slager') kon worden geschreven. Dat weerspiegelt ook al de werking van een geneeskrachtig kruid: precies goed is veilig, terwijl teveel dodelijk kan zijn. Het tweede deel, pallens, is een vervorming van het Latijnse woord pullus, wat 'dons' kan betekenen en de haartjes probeert te beschrijven.

De bladeren en bloemen leveren een essentiële olie die nogal beroemd is in wereld van de parfum. Weleda, een producent van natuurlijke cosmetica, beschrijft de geur aldus: de krachtige, warme geur van davana brengt je naar tropische gebieden en wekt creatieve energie op. Volslagen onzin natuurlijk, maar je moet toch wat verzinnen om je producten aan de man te brengen. Wat wel waar is, is dat de olie van davana boordevol geurende chemische stofjes zit en een rijke, fruitige geur bezit met op de achtergrond een beetje houtig aroma. Bovendien heeft deze olie de eigenschap dat het bij iedereen anders kan ruiken.

Als bijna alle olie uit de plant is geperst blijft er nog voldoende over om de restanten te gebruiken in een boeketten met droogbloemen. Overigens bevat de plant ook een stofje met de naam artesunate, dat dodelijk is voor parasitaire wormen en voor de Plasmodium parasiet die malaria veroorzaakt[1].

[1] Pala et al: Enhanced production of an anti-malarial compound artesunate by hairy root cultures and phytochemical analysis of Artemisia pallens Wall. in Biotech – 2016

Moederkruid

Een befaamd kruid dat in vele oude kruidentuinen en kloostertuinen een plekje kreeg om zijn koortsverlagende eigenschappen is moederkruid (Tanacetum parthenium). Ook in Engeland was dit feit bekend want zijn Engelse naam feverfew is een verbastering van het Latijnse woord febrifugia, wat via febris ('koorts') en fugere ('vluchten') ‘koortsverlager’ betekent. Zijn lot is dat hij tegenwoordig niet meer als geneeskrachtig kruid, maar als onkruid wordt gezien.

Oorspronkelijk is de moederkruid afkomstig uit grote delen van Zuidoost-Europa en aangrenzende delen van West-Azië. Moederkruid is in Nederland een verwilderde plant en is een tot 50 centimeter hoge, overblijvende zomerbloeier met een karakteristieke geur, die doet denken aan die van kamille. Hij is in het bezit van aantrekkelijke witgele bloemetjes, die de reden zijn dat moederkruid ook met enige regelmaat in tuinen wordt aangeplant.
[Foto: Neelix]
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Tanacetum, is afkomstig uit het Latijn en betekent ‘wormhout’ en dus werd de soort zelfs door de Romeinen al voor ontworming gebruikt. Maar we kunnen nog verder terug in de geschiedenis en dan ontdekken we dat de Romeinen het woord uit het oude Grieks hebben geleend: athanasia (ta verwisselde onderweg wel eens vaker met at) betekende ‘ontsterfelijkheid’ (a is ‘niet’ en thanasia is ‘dood’). Het is een bevestiging van het idee dat planten van deze familie geneeskrachtige eigenschappen hadden. Het tweede deel, parthenium, is te herleiden tot het Griekse woord parthenos (παρθένος) met de betekenis van ‘meid’. In het oude Griekenland was dat dus een ‘ongetrouwde dochter’ en die was nog ‘maagd’. Het woord parthenium is dus te verklaren als ‘maagdelijk’ en verklaart de maagdelijk witte bloembladeren.

Moederkruid bevat een aantal werkzame stofjes, zoals parthenolide en tanetin. Van de eerste bestaan wat aanwijzingen dat het in een reageerbuisje celdood (apotosis) kan veroorzaken bij enkele kankersoorten.

Sinds mensenheugenis wordt moederkruid echter ingezet als middel tegen koorts, hoofdpijn en nog wat andere kwalen. Je zou dus verwachten dat de wetenschap zich met graagte op deze plant heeft gestort om vervolgens de werkzame stoffen in een pilletje te stoppen. De resultaten van allerhande wetenschappelijke onderzoeken[1] zijn echter treurigstemmend, want het blijkt dat moederkruid helemaal geen koortsverlagende en hoofdpijnverminderende werking heeft. Iedereen, die denkt op te knappen met een elixer van moederkruid, is het slachtoffer van het placebo-effect.

Mocht je de illusie hebben dat het gebruik van moederkruid dus onschadelijk is dan heb je het fout: maag- en darmproblemen, misselijkheid, overgeven, diarree en winderigheid zijn als ongezonde bijverschijnselen gemeld. Indien moederkruid gekauwd wordt – in de hoop om van je hoofdpijn af te komen – dan kun je rekening houden met zweren in je mond plus een tijdelijke zwelling met gevoelloosheid van je mondholte. Tegelijkertijd mag een extract van moederkruid niet gebruikt worden door zwangere vrouwen en bij patiënten, die bloedverdunners gebruiken.

[1] Pittler et al: Feverfew for preventing migraine in Cochrane Database of Systematic Reviews - 2004

Grote klit

De grote klit (Arctium lappa) is een tweejarige plant die wel meer dan twee meter hoog kan worden. Deze soort is bij uitstek bewoner van verstoorde plaatsen in de buurt van bebouwing en in de bermen van verkeerswegen. Hij is in het bezit van grote, brede en eironde bladeren. En bloeit met prachtige doorgaans paarsrode bloemen met blauwpaarse helmknoppen. De onderzijde van die bloemen worden ondersteund door haarachtige stroschubben. Na de bloei ontstaan vruchtjes met daarin een nootje. Die nootjes hebben een borstelvormige beharing met een haaknaaldvormig eind. Daardoor blijven die nootjes gemakkelijk aan de vacht (of kleding) van dier (of mens) haken, wat een perfecte strategie is om je nageslacht te verspreiden. De grote klit komt voor in de gematigde streken van Europa en Azië, in Nederland is de soort voornamelijk aan te treffen langs de grote rivieren.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Arctium, is afgeleid van het Oudgriekse arktos (ἄρκτος), wat 'beer' betekent en het harige uiterlijk van de nootjes probeert te beschrijven. Kennelijk lijkt een berenkop op die nootjes. Het tweede deel, lappa, is wat lastiger te herleiden. Uiteindelijk lijkt het afkomstig te te zijn van 'lap', een woord dat ook in het Nederlands zoiets als 'loshangend' kan betekenen. Het verklaart dan de haartjes die zo gemakkelijk door de wind kunnen worden meegevoerd.

De grote klit wortelt met een knoepert van een penwortel, die soms wel een meter lang kan worden. Van de nog jonge plant kan deze wortel worden geoogst en gekookt op tafel worden gezet. Vroeger gebruikte men die wortels hier ook wel, maar dat gebruik is in onbruik geraakt. In Rusland is de wortel nog in gebruik als vervanger van de aardappel, al is dat niet altijd uit luxe. In Oost-Azië is de wortel nog regelmatig op het menu aan te treffen. Men omschrijft de smaak als zoet, mild met een lichte aardse achtergrond.

In de tweede helft van de vorige eeuw kwam de grote klit plots weer in de belangstelling te staan van mensen die meenden macrobiotisch te moeten gaan leven. De wortel bevat inderdaad behoorlijk wat gezonde vezels en aminozuren.

In de volksgeneestkunst werd de gedroogde wortel, onder de interessant klinkende naam Bardanae radix, ingezet als vochtafdrijver, zweetverdrijver en als bloedzuiverend middel. Verder denkt men in China dat de wortel werkt tegen eczeem, maar dat is vreemd omdat die in werkelijkheid juist dermatitis of eczeem kan veroorzaken.

In Europa werd de wortel pas echt op waarde geschat: voordat hop werd ontdekt werd hij wel gebruikt om bier bitter te maken.

Arabische jasmijn

Soms is het verbazingwekkend hoe een plant aan zijn naam is gekomen. De Arabische jasmijn (Jasminum sambac) is zo'n geval. Deze soort is niet inheems in Saoedi Arabië en is bovendien geen jasmijn. Om aan alle onzekerheid een eind te maken: de Arabische jasmijn heeft oorspronkelijk zijn wortels in de bodem van tropische delen van Azië staan en hij behoort tot olijffamilie (Oleaceae). Hij ruikt wel heel lekker en dat is de reden dat men hem in het verleden gemakshalve maar een jasmijn heeft genoemd. Bovendien is hij mede daardoor bijna wereldwijd in de tropen aangeplant en is vervolgens weer verwilderd.
De Arabische jasmijn is een altijdgroene struik die tot drie meter hoog kan worden. De soort is zeer variabel in vorm, mogelijk als gevolg van spontane mutaties of natuurlijke hybridizatie (bastaards). Daardoor kan hij zichzelf soms als een liaan door het oerwoud worstelen. Getemde versies zijn vaak zo ver van hun oervorm afgedwaald dat ze zelfs geen zaad meer produceren en moeten dus de mens inschakelen om zich te vermeerderen. Ook de bloemvorm is nogal wisselend en dus is hij slecht te herkennen.
De bladeren zijn eirond van vorm en kunnen zo'n tien centimeter lang worden. Omdat in de tropen geen echte seizoenen bestaan bloeien de witte bloemen het hele jaar door. Die bloemen groeien in groepjes van drie tot twaalf stuks aan het eind van de takken. Ze openen 's nachts, een strategie om nachtvlinders en andere nachtelijke honingzoekers aan te trekken. Overigens is dat geen onbekende bloeiwijze, want de nachttabak doet precies hetzelfde. Die bloemen geuren heel sterk naar jasmijn, waardoor de verwarring met die soort duidelijk wordt.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Jasminium, is via wat tussenstappen terug te voeren op het Perzisch, waar yasmine (یاسمن) zoiets betekent als 'een cadeautje van God'. Het tweede deel, sambac, is afkomstig uit de oude Indische taal het Sanskriet, waar campaka (चम्पक) vertaald kon worden als 'welriekende bloem'.

Het zal niet verbazen dat die welriekende bloem werd gebruikt voor een heerlijke welriekende thee. Die geur lijkt het gevolg te zijn van enkele geurende stofjes, waaronder een drietal esters (benzylacetaat, methylbenzoaat en methylsalicylaat) plus drie terpenen [(E)-β-ocimeen, linalool en α-farneseen]. Ook in de wereld van parfums is de etherische olie van de Arabische jasmijn zeer gewild.

Er is intussen wat wetenschappelijk onderzoek aan de Arabische jasmijn verricht en men is tot de conclusie gekomen dat een extract van de wortels een pijnstillende, ontstekingsremmende en koortsverlagende effecten heeft[1].

[1] Sengar et al: Anti-inflammatory, analgesic and anti-pyretic activities of standardized root extract of Jasminum sambac in Journal of Ethnopharmacology – 2015

Wortelloof

Bij de groenteboer of in je supermarkt koop je soms een bos wortels met daaraan bevestigd een behoorlijke bos groen. Dat loof is niet de reden van de naam bospeen, maar die naam is simpelweg ontstaan omdat ze in een bos verkocht worden. De wortel met loof verkopen levert tijdwinst en minder afval op voor de akkerbouwer.
Bospeen is een getemde versie van de wilde peen (Daucus carota), die in zijn oervorm in het hele land aangetroffen wordt en in tijden van schaarste nog wel eens op het menu werd gezet van minder bedeelde landgenoten.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Daucus, is uiteindelijk afgeleid van het Oudgriekse woord daukos (δαῦκον), dat 'wortel' betekent. Verder terug in de tijd denken taalgeleerden dat het oorspronkelijke woord daio (δαίω) was. Het betekende '(ont)branden' en zou de ooit scherpe smaak van de wortel moeten verklaren. In het tweede deel, carota, herken je al het Engelse woord carrot. De oorsprong daarvan is het Oudgriekse karoton (καρῶτον) dat ook al 'wortel' betekende.

Ik weet wat er vaak gebeurt: het loof wordt van de wortels gescheiden en achteloos bij het groenafval gegooid. Maar dat is een grove misvatting, want dat loof is eigenlijk een heerlijke gezonde groente. Het is een vergeten groente en dat betekent dat hippe foodbloggers hun volgers de laatste tijd proberen te verleiden om dat wortelloof eens te gebruiken. Maar, zoals altijd, slaan de chronische naschrijvers vaak weer door. Zo kun je op internet lezen dat je wel moet zorgen dat je biologische, dynamische en onbespoten wortels dient te kopen, want het loof kan wel eens met gif bespoten zijn. Nou, dat kan, maar het gebruikte gif is tegenwoordig zelf ook weer biologisch afbreekbaar en iedereen wast toch nog steeds de groenten voordat die versneden worden?

Ook circuleren er recepten om wortelloof te gebruiken als basis voor pesto, die heerlijke Italiaanse smaakmaker bestaande uit basilicum, knoflook, pijnboompitten, olijfolie, Parmezaanse kaas en zout. De smaak van basilicum lijkt echter in niets op die van wortelloof en het is een vorm van heiligschennis om te proberen het recept voor pesto te veranderen.

Nu die onzin uit de weg geruimd is kunnen we over naar het gebruik van wortelloof. Omdat wortelloof een volwaardige gezonde groente is kun je het ook als groente gebruiken. Kook het bijvoorbeeld met de wortels mee (al stop je het pas op het allerlaatst in de pan, want het loof is uiteraard veel sneller gaar dan de wortels) of gebruik het in de groentesoep. Maar het meest geschikte gebruik is dat van keukenkruid. De smaak doet ietwat aan peterselie denken en kan dus verse peterselie op een uiterst goedkope manier vervangen.
Een probleem is dat wortelloof wat bitter van smaak is en dat zal niet iedereen waarderen. De reden daarvan is dat het 'volwassen' loof is, terwijl het jonge loof een stuk milder van smaak is. Het probleem is eenvoudig op te lossen: zet het afgesneden worteltopje in een centimeter water en er verschijnt binnen een paar dagen nieuw loof.

Kalmoes

Kalmoes (Acorus calamus) is een rietachtige oeverplant, die vaak wordt aangetroffen in kanalen waar een ondiepe oeverzone plots overgaat in dieper vaarwater. De plant hoort hier van oorsprong helemaal niet thuis, maar is al in de zestiende eeuw min of meer per ongeluk ingevoerd vanuit tropisch Azië. Het is hier een stuk koeler dan daar en het resultaat is dat de plant hier in dit zeeklimaat geen vrucht draagt, maar zich slechts weet voort te planten via de wortelstok of fragmenten daarvan.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Acorus, is afgeleid van het Oudgriekse akoron (ἄκορον), een woord dat 'pupil' betekende. De planten uit deze familie werden ingezet bij de behandeling van ooginfecties. Het tweede deel, calamus, is ook vanuit het Oudgrieks afkomstig, want kalamos (κάλαμος) betekende 'riet'.

Bij beschadiging van de plant verspreidt hij een aromatische zoetige geur. Daardoor wordt hij door het grazende vee gemeden, maar beslist niet door de mens. Die heeft er in de loop der eeuwen aardig wat toepassingen voor gevonden. De aromatische bladeren werden bijvoorbeeld op de vloeren van middeleeuwse kerken neergelegd als voorloper van de moderne luchtverfrisser en insecticide. Onderzoek heeft uitgewezen dat kalmoes inderdaad een stofje bevat dat een antibacteriële werking heeft en dat zou in de toekomst ook best wel handig kunnen te zijn.

Zowel de bladeren als de wortelstok van kalmoes lijken wat psychoactieve effecten te hebben en men meent dat, als er voldoende van opgegeten wordt, je er milde hallucinaties van kunt verwachten. Mensen, die dit wat te nieuwsgierig getest hebben, menen echter dat de plant zo vies en bitter smaakt dat je er nauwelijks enig plezier aan kunt beleven. In kalmoes zit namelijk een essentiële olie, die als belangrijkste component het kankerverwekkende bèta-asarone bevat en dat is bovendien een stof die in grotere hoeveelheden de twaalfvingerige darm aan kan tasten. Mede daarom is het ondertussen in Amerika verboden om kalmoes in voedingsmiddelen, tandpasta’s en parfums toe te passen.

In kleine hoeveelheden wordt kalmoes wordt echter al eeuwenlang min of meer probleemloos gebruikt als lustopwekker, als eetlustopwekker, als rustgever, als spierrelaxant en als middel tegen maag- en darmklachten. Daarom werden en worden extracten van de kalmoes vaak aan wijnen en likeuren toegevoegd. En natuurlijk aan bekende inheemse kruidenbitters, zoals Beerenburg, onze Friese nationale drank (Ús Fryske nasjonaal slokje).

Japanse peterselie

In Amerika bestaat het bekende gezegde: If it looks like a duck, swims like a duck, and quacks like a duck, then it probably is a duck. Met Japanse peterselie (Cryptotaenia japonica) is het juist andersom, want dit keukenkruid lijkt op peterselie (Petroselinum crispum) en smaakt (bijna) precies zoals peterselie hoort te smaken, maar toch is het geen directe familie van peterselie.
Ondanks de benaming komt de Japanse peterselie niet exclusief voor in Japan, maar in zo'n beetje heel Zuidoost-Azië. In Japan en China wordt dit keukenkruid respectievelijk mitsuba (三つ葉) en san ye qin (三叶芹) genoemd. Hij houdt van vochtige, schaduwrijke omstandigheden en in de volle zon zullen de heldergroene bladeren al snel vergelen. Een bos met een mild klimaat is de oorspronkelijke habitat van de Japanse peterselie, waar hij tot wel een meter of drie hoog kan opgroeien. Maar hij zou ook in ons land perfect kunnen aarden als kuip- of potplant.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Cryptotaenia, is van Oudgriekse herkomst, waar kryptos (κρυπτός) 'verborgen' betekent en tainia (ταινία) '(haar)lint'. Het probeert te verklaren dat er minuscule oilieleidinkjes in de vruchtjes verborgen zitten. Het tweede deel, japonica, in Latijns voor '(uit) Japan'.

De bladeren en steeltjes van de Japanse peterselie worden, precies zoals zijn Europese familielid, gebruikt om op het laatste moment aan soepen, salades en wokgerechten toe te voegen. De smaak lijkt, zoals gezegd, op die van peterselie, met een hint van selderij. De reden waarom je dit keukenkruid pas op het laatste moment toevoegt is dat het verwarmen de bitterheid naar boven doet komen, waardoor de smaak van het gerecht een stuk kan verminderen. De Japanners zijn namelijk nogal kieskeurig en houden van tradities. De op pastinaak gelijkende wortels kunnen gebruikt worden als groente en worden geblancheerd of gewokt.
[Japanse peterselie 'atropurpurea']
Japanse peterselie is zo populair als keukenkruid dat er zelfs een speciale kleurvariant is ontwikkeld. De forma atropurpurea heeft prachtige gegolfde, bijna zwartpaarse bladeren en deze wordt veel als sierplant in tuinen aangeplant. De geur en smaak zijn echter hetzelfde gebleven, waardoor je je gerechten een extra dimensie kan geven.

Zeer nauw verwant aan Japanse peterselie is de Canadese peterselie (Cryptotaenia canadensis), die inheems is van Quebec (Canada) tot Texas (USA). De Indianen gebruikten deze plant op precies dezelfde manier als de Aziaten.

Avocadoblad

In ons land is de avocado een relatieve nieuwkomer in het groentevak van je supermarkt. Dat deze grote bes pas relatief laat in Nederland is verschenen heeft te maken met het feit dat hij snel overrijp wordt na de pluk. Hij moet dus supersnel naar ons land worden vervoerd. Het Voedingscentrum meent dat de avocado supergezond is. Het bevat immers veel oliezuur, een onverzadigd vetzuur dat bevorderlijk is voor je cholesterolniveau.

De avocado (Persea americana) is een boom die inheems is in Mexico. Die boom kan tot 20 meter hoog opgroeien, heeft soms 30 centimeter grote bladeren en bloeit met kleine onopvallende groengele bloemen. Het is een familielid van de laurier.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Persea, vernoemt Perseus, een figuur uit de Griekse mythologie. Hij was een zoon van Zeus en Danaë. Het tweede deel, americana, is Latijns en betekent '(uit) Amerika'.

De bladeren van de avocado worden in diverse regionale keukens in Midden-Amerika ingezet als specerij. De geur en smaak hebben iets weg van anijs. De bladeren worden op de markten zowel droog als vers verkocht, maar worden altijd eerst geroosterd voor gebruik. Daarna worden ze geheel of verkruimeld in gerechten, vooral in bonenschotels.

Het blijkt echter dat de bladeren, de schil en de pit van de avocado ietwat giftig zijn. De avocado bevat een schimmelwerende gifstof met de naam persine. Het is een in vet oplosbare toxine met een structuur die gelijk is aan die van een vetzuur.

Bekend is dat zogende zoogdieren, waaronder ook borstvoeding gevende vrouwen dus ook vallen, last kunnen krijgen van niet-infectieuze mastitis en agalactica[1]. In normale mensentaal betekent dat een ontsteking (geen infectie) van borstweefsel en een verminderde melkproductie. 

En dan wordt duidelijk waarom de oorspronkelijke bewoners van het Amerikaanse continent de bladeren roosteren voor gebruik: door die behandeling breekt de persine af en is daarna ongevaarlijk voor menselijke consumptie.  

 

Zowel de Azteken als de Maya's gebruikten avocadobladeren als een remedie tegen pijn, diarree, hoest, artritis, onregelmatige menstruatie en maagklachten. Tot pasta verwerkt werd het ook direct op de huid gewreven om de symptomen van acne, eczeem en droge huid te verzachten en te behandelen.

In ons land zijn gedroogde avocadobladeren niet of nauwelijks te krijgen. Je zult dus het internet moeten gebruiken om deze toch interessante specerij te bemachtigen.

[1] Oelrichs et al: Isolation and identification of a compound from avocado (Persea americana) leaves which causes necrosis of the acinar epithelium of the lactating mammary gland and the myocardium in Natural Toxins – 1995

Zwarte Komijn

Zwarte komijn (Bunium persicum) is uiteraard weer eens geen broertje van de (echte) komijn (Cuminum cyminum), al behoren ze beide tot de grote familie der schermbloemigen (Umbelliferae), waartoe ook selderij, karwij, venkel, peterselie en wortel behoren. Deze specerij is inheems in delen van Iran, Afghanistan, Pakistan en het Noorden van India. Buiten deze gebieden is het praktisch onbekend. De zwarte komijn lijkt op zoveel andere schermbloemigen: rechtopstaand met schermen van kleine witte bloemen.
De zaadjes van deze specerij ruiken in gedroogde vorm aards, zwaar en muf. Dus niet direct iets wat je in je gerechten zou willen verwerken. Maar bak het mee en de geur en smaak verandert in een heerlijk nootachtig aroma. Hoe iemand dat ooit ontdekt heeft? Vermoedelijk door gedachteloos wat specerijen toe te voegen aan een gerecht, denkend dat het komijn was, maar dat pas achteraf bleek dat het zwarte komijn was.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Bunium, komt uit het Oudnoors, waar bunga zoiets betekende als 'verhoging' of 'bult'. In het hedendaagse Engels bestaan nog de woorden bunion 'eeltknobbel' en bun 'broodje'. Waarschijnlijk is deze naamgeving verzonnen doordat de plant vanuit een polletje opgroeit. Het tweede deel, persicum, betekent '(uit) Perzië', het huidige Iran.

Plaatselijk staat deze specerij bekend als kala jeera, een verouderde vorm van wat men nu kala jira zou noemen. Het is een aanwijzing dat het gebruik van deze specerij misschien wel millennia teruggaat. Het zal de lezer niet verbazen dat kala 'zwart' betekent en jeera 'komijn.

Zwarte komijn maakt plaatselijk onderdeel uit van het bekende Indiase specerijenmengsel garam masala. Zoals bekend is de receptuur van dit mengsel niet in steen gebeiteld. Het recept varieert per regio, per familie en zelfs per seizoen.

Ondanks zijn relatieve onbekendheid heeft de wetenschap onderzocht of er potentiële medicinale effecten in zwarte komijn verborgen zitten. De resultaten zijn wisselend. Het blijkt dat een heftig extract een antibacteriële werking heeft. Dat lijkt mij bij voorbaat al logisch omdat specerijen vrijwel altijd etherische oliën bevatten. Juist dát is de reden dat we ze als specerij gebruiken.
Omdat zwarte komijn zo onbekend is zijn er nogal wat mensen zwarte komijn verwarren met nigellezaad (of zwart zaad). Het zijn echter twee totaal verschillende specerijen. Zelfs de Amerikaanse medische website WebMD gooit een paar specerijen, waaronder zwarte komijn en nigellezaad, gemakzuchtig op een hoop. Het was ooit een gerenommeerde website, maar is kennelijk afgegleden naar een bedenkelijk niveau.

Grains of Paradise

Paradijszaad is de ietwat gemakzuchtige vertaling van de meer bekende Engelse benaming, Grains of Paradise (Aframomum melegueta). Grains of Paradise behoort tot de gemberfamilie (Zingiberaceae) en is bovendien nauw verwant aan de kardemom (Elettaria cardamomum). Deze specerij is inheems in West-Afrika, waar het ooit zo belangrijk was dat bepaalde delen van de kust bekend stonden als de Peperkust. Het staat plaatselijk verder bekend onder naman als melegueta peper, alligatorpeper, Guineazaad, ossame of fom wisa.
Deze specerij is afkomstig van een kruidige vaste plant die zich het beste thuisvoelt in een wat moerassige omgeving (vandaar natuurlijk ook zijn bijnaam aligatorpeper). Hij bloeit met tormpetvormige paarse bloemen die uiteindelijk tot zeven centimeter lange peulen zullen opleveren. In die peulen verstoppen zich talloze kleine, roodbruine zaadjes.

Grains of Paradise hebben een friszure, pikante, peperachtige smaak. Deze smaak wordt veroorzaakt door een aantal aromatische ketonen, waaronder (6)-paradol. Hetzelfde stofje wordt ook aangetroffen in gember (Zingiber officinale), wat geen wonder is omdat ze immers tot dezelfde familie behoren. Van (6)-paradol is bekend dat het potentieel werkzaam kan zijn tegen kanker. Weliswaar is het onderzoek slechts bij muizen verricht, maar het is een hoopvol begin[1].
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Aframomum, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks: afra- duidt eigenlijk op de Afar, een in Etiopië levend volk, maar hier bedoeld om heel Afrika mee te benoemen, terwijl -momum afgeleid is van amomos (ἄμωμος). Dat woord is weer een combi van a- 'zonder' en mómos (μῶμος) 'blaam'. Samen is dat dus '(een kruid) zonder blaam uit Afrika'. Het tweede deel, melegueta, is uiteindelijk terug te herleiden tot het Latijnse milium 'gierst' met een verkleinvorm. Met andere woorden: 'kleine gierst'.

Grains of Paradise worden veelvuldig gebruikt in de nationale keukens van West- en Noord-Afrika. Middels karavanen door de verzengend hete Sahara arriveerde deze specerij in Noord-Afrika om van daaruit per schip naar Sicilië te worden vervoerd. Daarna was maar een kleine stap (de slechts twaalf kilometer brede Straat van Messina) om de rest van Italië te bevoorraden. In Romeinse tijden werd deze specerij Afrikaanse peper genoemd. Na de val van het westelijk deel van het Romeinse Rijk in 476 nChr zijn Europeanen het gebruik van Afrikaanse peper vergeten. Toen deze eeuwen later in de 14de en 15de eeuw door Portugese ontdekkingsreizigers opnieuw werd 'ontdekt' plakten ze de naam Grains of Paradise op deze specerij. Het was een vroege vorm van reclame.

[1] Chung et al: Antioxidative and antitumor promoting effects of [6]-paradol and its homologs in Mutation Research – 2001

Wilde knoflook

Wilde knoflook (Tulbaghia violacea) wordt ook wel Kaapse knoflook genoemd en dan weten de meeste lezers al dat deze plantensoort van oorsprong thuishoort in de zuidelijke delen van Afrika. De wilde knoflook is lid van de narcisfamilie (Amaryllidaceae) en het is geen wonder dat de soort ook als sierplant beroemd is geworden. Er zijn zelfs een aantal prachtige cultivars, waaronder de ‘Purple Eye’ en de ‘Silver Lace’, ontwikkeld.
De wilde knoflook kan een hoogte bereiken van zo'n 60 centimeter. Hij groeit in een polletje. De bladeren van de wilde knoflook zijn grijsgroen, smal langwerpig en bij kneuzing sterk naar bieslook geurend. De plant bloeit van mei tot augustus met lila tot paarsroze bloempjes die een heerlijke geur verspreiden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Tulbaghia, vernoemt Ryk Tulbagh (1699–1771). Hij was van 1751 tot 1771 gouverneur van de Nederlandse Kaapkolonie en in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). Het tweede deel, violacea, is Latijns en betekent 'violet(kleurig)'.

De bladeren van de wilde knoflook worden, niet verwonderlijk gezien de naam, gegeten ter vervanging van bieslook en knoflook. Twee vliegen in één klap, zogezegd. De inheemse bevolking (vroeger zouden we 'inboorlingen' gezegd hebben, maar dat mag niet meer) gebruiken de bladeren ook als bladgroente, zoals spinazie, of als keukenkruid om vlees en aardappels te kruiden. Uiteraard gelooft men daar ook dat met het plantje diverse kwalen kunnen worden genezen.

De wetenschap heeft intussen ook ontdekt dat de wilde knoflook ook daadwerkelijk stofjes in zich verbergt die schimmels, bacteriën en parasieten kunnen bestrijden[1][2]. Dat is handig, zo zou je nu kunnen opmerken, je eet een heerlijk maaltje met aardappelen en wilde knoflook en je bent tegelijkertijd van je inwendige problemen af. Dat kan kloppen, maar het aloude probleem is dat je nooit weet wanneer je te weinig, genoeg of teveel van die medicinale plant hebt gegeten. Er bestaan namelijk wat meldingen dat er mensen zijn die last kregen van rare vergiftigingsverschijnselen.

Ik meldde hierboven al dat de wilde knoflook na kneuzing naar bieslook geurde. Er bestaat enige onduidelijkheid waarnaar deze plant geurt als hij nog niet gekneusd is. Sommigen denken dat de wilde knoflook ruikt naar de spray van een stinkdier, terwijl anderen zeker weten dat hij geurt naar marihuana. Het is zelfs zo erg dat bezorgde klikspanen wel eens de politie hebben gewaarschuwd omdat ze dachten dat hun buren illegaal soft drugs aan het telen waren in hun tuin.

[1] Krstin et al: Tulbaghia violacea and Allium ursinum Extracts Exhibit Anti-Parasitic and Antimicrobial Activities in Molecules – 2018 
[2] Somai, Belewa: Aqueous extracts of Tulbaghia violacea inhibit germination of Aspergillus flavus and Aspergillus parasiticus conidia in Journal of Food Protection – 2011

Timutpeper

Het is misschien een geval van onbekend maakt onbemind, maar de timutpeper (Zanthoxylum armatum) is wel degelijk een interessante specerij. Het is een broertje van de al eerder beschreven sechuanpeper (Zanthoxylum piperitum), ook al geen officiële échte peper (Piper nigrum).
Timutpeper is een aromatische, bladverliezende, stekelige struik die tot vijf meter hoog wordt en inheems is in Nepal, China, Japan, Korea, noordoost India en Pakistan. Eigenlijk heeft deze soort een identiteitscrisis, want soms is hij gewoon een struik, dan weer een liaan en soms een kleine boom. Na de bloei ontstaat een klein besje met slechts één zaadje. Omdat de bessen in trosjes ontstaan kan er eenvoudig geoogst worden.

De plant wordt voornamelijk in het wild aangetroffen en is in gebruik als specerij en medicijn. De soort wordt soms ook verbouwd en wordt in Noord-India al eeuwenlang als haag en erfafscheiding gebruikt. Een handige dubbelfunctie derhalve.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Zanthoxylum, is een combinatiewoord uit het Grieks, waar xanthos (ξανθός) 'geel' betekent en ksulon (ξύλον) 'hout'. Samen is dat dus 'geel hout'. Dat klopt, want de familie heeft diepgeel hout. Het tweede deel, armatum, is uit het Latijn afkomstig, waar arma 'wapen' betekende en dat dus ook de oorsprong is van het Engelse woord army ('leger'). Dat klopt, want de timutpeper is gewapend met doornen. Timut (of timur) is een woord dat via het Mongoolse Tömör (Төмөр) uiteindelijk 'ijzer' betekent.

Het zaad wordt vermalen tot poeder en wordt gebruikt als smaakversterker. Het is een vervanger van peper, een gebruik dat in Azië wijdverbreid is. Even lichtjes roosteren zorgt er voor dat de etherische oliën opwarmen en de smaak wordt dan nog intenser. De schil van het besje kan ook in gerechten verwerkt worden en die geeft weer een citrusachtige smaak af. Ook de pittige jonge bladeren van deze soort worden in gerechten toegepast.
De zaden en de schors zijn eetlustopwekkers en geschikt als middel tegen wormen. Ze worden gebruikt als aromatisch tonicum bij de behandeling van koorts, indigestie en cholera. Een afkooksel van 5 tot 10 zaden wordt gebruikt bij de behandeling van abcessen, artritis, kneuzingen, gastritis, zwellingen en meer. Een pasta van de zaden wordt ongeveer tien minuten op een pijnlijke tand of kies gesmeerd om kiespijn te verlichten. Soms wordt de wortel in water gekookt en het aftreksel wordt dan gedronken om allerlei parasieten in het lichaam te bestrijden.

Maar je weet dat, als het werkt tegen allerhande enge zaken in je lichaam, deze specerij eigenlijk een beetje giftig is. Overdaad schaadt. Ook in dit geval.

Hokjespeul

Hokjespeul (Astragalus glycyphyllos) is de enige Nederlandse vertegenwoordiger van een geslacht dat wereldwijd ongeveer 1600 soorten omvat. De meeste familieleden voelen zich thuis in gebergten met droge, kalkrijke grond. De hokjespeul is dus een vreemde vogel binnen die club, die een bijna wereldwijde verspreiding heeft. 

Hokjespeul is een forse, vrijwel onbehaarde plant. De top van de penwortel gaat over in een klein vertakt stammetje, waaraan dikke, klimmende of liggende stengels ontgroeien. De blaadjes zijn eirond, de bloemen zijn groengeel en de zaden vormen zich in een tweehokkige peul. Hokjespeul behoort tot de vlinderbloemigen, waartoe ook erwten en tuinbonen behoren.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Astragalus, is afgleid van het Oudgriekse woord astrágalos (ἀστράγαλος), dat 'enkelbeen' betekende. Het beschrijft de wat geknoopte vorm van de wortel. Het tweede deel, glycyphyllos, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar glukus (γλυκύς) 'zoet' betekent en phullon (φύλλον) 'blad'. Samen is dat 'zoet blad' en dat klopt, want hokjespeul is namelijk ook familie van zoethout.

Vroeger werden de wortels inderdaad gebruikt als goedkope vervanging van zoethout. Maar hoekjespeul werd ook ingezet als geneeskruid. Het werkzame bestanddeel van de plant is glycoside, een chemische stof die is opgebouwd uit een suiker (het glycon) en een niet-suiker (het aglycon). Sommige van deze plantaardige stofjes zijn tegenwoordig bekend als calorie-arme suikervangers, zoals stevoïlglycosiden (uit stevia) of als hartritmeverstoorders (digitalisglycosiden) uit vingerhoedskruid. Zo zie je maar: de natuur blijft onvoorspelbaar.

De astragaluswortel bevat ook cycloastragenol, een stof die in verband wordt met verlenging van de telomeren en daardoor met levensverlenging. Deze claims zijn zeer omstreden, want [a] de onderzoeken zijn slechts in vitro en in proefdieren verricht en [b] verlenging van telomeren betekent niet direct dat je een stuk langer zult kunnen leven.

Maar, zoals je zo langzamerhand wel gewend bent, is de commercie (lees: kwakzalverij) met dit zwakke verhaal aan de haal gegaan. Doe een eenvoudige zoekslag op internet met het woord 'cycloastragenol' en je zoekresultaten blijken overspoeld met kreten als 'anti-aging', 'levensverlenging' en 'verjonging'. Voor een potje met slechts 30 capsules mag de lichtgelovige consument bijna €100 betalen. Dat betekent dat je per jaar zo'n €1200 armer bent, zonder dat je zeker weet dat je langer van je oude dag kunt genieten.

Nee, als je ooit hokjespeul in de vrije natuur aantreft, omdat je bijvoorbeeld een gezonde wandeling aan het maken bent, zou je eens op een blaadje kunnen kauwen. Het blijkt heerlijk natuurlijk zoet te zijn. Een beloning van Moeder Natuur.

Ashwagandha (Winterkers of Indiase Ginseng)

We beginnen deze keer met een testje. Ik vraag of je of je het geneuzel van kwakzalvers kunt herkennen in de hier onderstaande tekst.
[begin] Ashwagandha (Withania somnifera of winterkers, een plant uit de Solanaceae familie) is een belangrijk kruid binnen de ayurvedische geneeskunde en wordt al duizenden jaren gebruikt. Withanolides zijn de belangrijkste medicinale inhoudsstoffen; ashwagandha bevat van alle planten de grootste en structureel meest diverse verzameling withanolides. Ashwagandha wordt ook wel ‘Indiase’ ginseng of ‘koninklijk kruid’ genoemd omdat de adaptogene eigenschappen van ashwagandha lijken op die van ginseng en het kruid een prominente plaats inneemt in de ayurvedische geneeskunde. Als adaptogeen verhoogt ashwagandha de niet-specifieke weerstand tegen ziekte en lichamelijke en psychische stress (acuut/chronisch). Ashwagandha heeft een brede werking, verbetert de conditie van lichaam en geest en draagt bij aan een gezond en lang leven. Het kruid gaat celveroudering tegen, is goed voor denken en geheugen en heeft onder meer stressverlagende, angstremmende, antidepressieve, neuroprotectieve, ontstekingsremmende, immunomodulerende, antioxidatieve, hormoonregulerende en spierversterkende effecten. De indicaties voor ashwagandha zijn gebaseerd op traditionele toepassingen, preklinische studies en een beperkt aantal klinische studies [bron].[eind]

Dat was niet zo moeilijk, toch? Er wordt opzettelijk verwarring gesticht met moeilijke woorden en een veel te lange lijst van positieve effecten. Het is te mooi om waar te zijn. We over naar de werkelijkheid om te bekijken of er misschien toch nog enige waarheid in bovenstaande wartaal schuilt.

De winterkers (laten we hem zo maar gaan noemen) is een klein overblijvend struikje met dofgroene ovale bladeren. De soort bloeit met kleine groene klokvormige bloemen, waarna een oranjerode vrucht ontstaat. De struik komt voornamelijk voor in India, Nepal, Tibet en China.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Withania, eert Henry Witham (1779-1844), een Britse geoloog, paleontoloog en mineraloog. Hij bestudeerde fossiele planten. Het tweede deel, somnifera, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar Somnus de personificatie is van 'slaap' was en fera afgeleid is van fero (Φερω) 'dragend'. Samen is dat dus 'slaap (in zich) dragend'.

De plant, en dan met name de tot poeder vermalen wortel wortelpoeder, wordt al eeuwenlang gebruikt in ayurvedia, de traditionele Indiase geneeskunst. Het meeste onderzoek is verschenen in wat dubieuze wetenschappelijke bladen. Vooral vanwege de enorm slechte kwaliteit van het verrichte klinisch onderzoek is er geen bewijs dat het enig medicinaal voordeel oplevert (Insufficient evidence to rate effectiveness). Bovendien is daardoor ook niet duidelijk of het gebruik de werking van door je universitair opgeleide arts voorgeschreven medicijnen negatief kan beïnvloeden.

Ik snap wel hoe zoiets nog steeds kan bestaan. In India hebben arme mensen nog steeds geen toegang tot de reguliere geneeskunde, waardoor ze in hun wanhoop in de armen van charlatants gedreven worden. Als je in ons land in ayurvedische geneeskunst gelooft ben je gewoon onnozel.

Anil

Mensen zijn dol op de kleur blauw. Vroeger verkregen we de meeste kleur- of verfstoffen uit plantaardige bronnen. Romeinen hebben bijvoorbeeld de wede (Isatis tinctoria) in West-Europa is ingevoerd. Uit de wede kan een blauwe kleurstof met de naam pastel (van het Occitaanse woord pastel, 'pasta') worden gewonnen, die tegenwoordig als indigo bekend staat. Lang was de wede de enige bron voor deze blauwe kleurstof, maar in de 16de eeuw kon indigo uit de blauwgroene bladeren van de échte Indigo (Indigofera tinctoria) uit India gewonnen worden. Daarin zat namelijk veel meer van die blauwe kleurstof dan in de wede. Dat betekende exit voor de wede.
Ook op het Amerikaanse continent was de oorspronkelijke bevolking verzot op de koninklijke kleur blauw en het menselijk vernuft heeft ook daar de oplossing gevonden. Het bleek dat anil, een broertje van de indigo, daar geschikt was voor de aanmaak van de blauwe verfstof. Anil (Indigofera suffruticosa) staat plaatselijk ook bekend als Guatemalan indigo, West Indian indigo en wild indigo. Het is een bloeiende plant in de erwtenfamilie (Fabaceae). Anil groeit als een struik tot een meter hoog met geveerde bladeren en wordt vaak aangetroffen op droge, verstoorde plekken.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Indigofera, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar indikón (ινδικόν) Indië en ook de kleurstof zelf betekende en fera afgeleid is van fero (Φερω) 'dragend'. Samen is dat dus '(de kleurstof) Indigo (in zich) dragend' Het tweede deel, suffruticosa, is samengesteld uit twee delen: het eerste deel suf is een variant van het Latijnse sub 'onder', terwijl het andere deel fruticosa is Latijns voor 'struik'. Overigens is 'anil' via het Frans en Portugees afgeleid uit het Arabisch al-nil ('índigo').
De vervaardiging is het zogenaamde Maya-blauwe (azul maya) pigment was echter geen peuleschil. Het is een mengsel van organische en anorganische bestanddelen; de kleurstoffen uit de bladeren van anil, gecombineerd met twee soorten klei, montmorillonite en palygorskite. De productie van de kleurstof startte rond het jaar 800. De kennis stierf pas uit in 1830.

Op sommige oude, verlaten Curaçaose plantages kan men nog cementen bakken van drie tot acht kubieke meter inhoud aantreffen: monumenten van een eertijds bloeiende cultuur van anil. Een vakman op het gebied van deze bereiding kreeg op Curaçao de naam ‘indigomaker’. Curaçao kon vroeger een uitstekende kwaliteit indigo leveren en berichten uit voormalig Nederlands West-Indië wijzen op een betrekkelijk omvangrijke indigocultuur op Curaçao in de 17e en 18e eeuw. Na 1816 werd er geen indigo meer verbouwd.