Hyssop

Hyssop (Hyssopus officinalis) is een kruid dat zich bijzonder thuisvoelt aan de warme kusten van de Middellandse Zee, met een uitloper naar de Kaspische Zee. Het is een kruid dat al sinds onheuglijke tijden bekend staat voor diens medicinale en ontsmettende werking. Zelfs zonden zouden met de hyssop kunnen worden weggevaagd, aldus de Statenbijbel: 'Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw'. Het probleem is echter dat bijbelvorsers het niet helemaal eens zijn of voor dat doel ooit hyssop of vergelijkbare planten als majoraan zijn gebruikt.
Afhankelijk van de ondergrond en klimatologische omstandigheden varieert de hoogte van het struikje van 30 tot 60 centimeter. De donkergroene bladeren zijn lansvormig. In de zomer bloeit hyssop uitbundig met roze, blauwe of (veel zeldzamer) witte bloemen. De plant verspreid dan een heerlijke kruidige geur.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Hyssop, is in eerste instantie een transcriptie van de Griekse naam, hyssopos (ὕσσωπος). In het Hebreeuws vinden we het vergelijkbare ezov, esov of esob (אזוב), maar die taal heeft het weer geleend uit het Aramees: 'ezobā. Het tweede deel, officinalis, beschrijft zijn geneeskundige eigenschappen.

Hyssop bereikte in de tiende eeuw via Benedictijnse en Kartuizer monniken West-Europa. Die wisten wel wat lekker was en stopten hyssop als één van de belangrijkste ingrediënten in hun bekende Franse likeurs Bénédictine en Chartreuse. Het aromatische kruid werd in de Middeleeuwen een zeer populair keukenkruid. Het heeft in verse toestand een licht bittere muntachtige smaak en kamferachtige geur. Hyssop past in salades, soepen, sauzen, vlees- en visgerechten, en ragoûts. Vette gerechten worden met hysop lichter verteerbaar. Het probleem is echter dat het maar weinig etherische olie bevat dat ook nog eens bij het drogen van het kruid grotendeels verloren gaat. Het heeft daardoor dus maar een beperkte toegevoegde waarde.

Omdat hyssop bekend staat om zijn desinfecterende werking, werd het vroeger als ontstekingsremmer ingezet bij allerhande kwalen. Verder wordt gemeld dat het de maag versterkt, gasvorming tegengaat, de menstruatie stimuleert, de spijsvertering bevordert, overmatig transpireren tegengaat en het afweersysteem van het lichaam stimuleert.

De werking zou berusten op de etherische oliën. Die bevatten, onder andere, de chemische stofjes thujone en phenol, die het de antiseptische eigenschappen geven. De hoge concentraties thujone en andere chemische stofjes, waaronder pinocamphone en cineole, stimuleren het centrale zenuwstelsel en kunnen epileptische reacties uitlokken. Een paar druppels hyssopolie kunnen al stuiptrekkingen bij kinderen veroorzaken. Met andere woorden: afblijven. Mocht je toch geloven dat hyssop gezond is dan staat hieronder een recept met hyssop tegen domheid.
Zowel in de keuken als in het medicijnkastje kan hyssop eenvoudig worden vervangen door salie of rozemarijn.

Zilverschildzaad

Zilverschildzaad (Lobularia maritima) is een eenjarige plant, tenzij de winter zo zacht is gebleken dat hij er nog een jaartje aan vastknoopt. Deze bodembedekker kan een hoogte bereiken van zo'n 20 centimeter. Zilverschildzaad behoort tot de Brassicaceae en behoort daarmee tot de kool- en mosterdfamilie. De plant is inheems in het Middellandse Zeegebied, de Canarische Eilanden en de Azoren en de Baai van Biscaje. Hij kan daardoor met recht een kustbewoner worden genoemd.
Afhankelijk van de variëteit bloeit zilverschildzaad met vele witte, roze, paarse of mauve bloemen. De kroonbladen zijn wit of iets paars. Die bloemen zijn maar vijf milimeter in doorsnede en ruiken heerlijk naar honing. De blaadjes zijn bedekt met zilverkleurige haartjes.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Lobularia, is afkomstig uit het klassiek-Grieks, waar lobos (λοβος) zowel 'peul' als '(oor)lel' of 'lever' betekende. Als je er even over nadenkt hebben ze allemaal ongeveer dezelfde vorm. Lobularia is een verkleinwoord en we kunnen het dus vertalen als 'peultje'. Het tweede deel, maritima, is Latijns en betekent '(van de) zee''.

Zilverschildzaad komen we af en toe tegen op Terschelling, maar ik vrees dat het Waddengebied niet tot een nieuw domein van deze maritieme plant gerekend mag worden. Zilverschildzaad staat namelijk bekend als een zeer populaire plant, die geschikt is voor de zijkant van borders, rotstuinen en bloembakken. Hij vult die vervelende lege plekken zo leuk en snel op. In tuincentra en catalogi worden daarom vele variteiten aangeboden met uitermate creatieve namen als 'carpet of snow' of 'easter bonnet violet'. Dat deze soort overal kan worden aangeplant betekent ook dat hij graag wil ontsnappen om de vrijheid te proeven.

Maar zoals zoveel van zijn directe familieleden is ook zilverschildzaad gewoon eetbaar, al staan ze daar niet direct bekend om. Ze hebben een ietsjes zoetige en tegelijkertijd pittige naar mosterd neigende smaak. Hij zit vol met vitamine C en in Spanje stond hij ooit op het menu om scheurbuik tegen te gaan. Ook dacht men daar dat een aftreksel zou werken tegen de geslachtsziekte gonorroe. In Italië meende men dat zilverschildzaad zou helpen tegen maag- en darmpijnen plus verkoudheden[1].

In Engelstalige landen wordt hij ook madwort ('kwaadheidswortel') genoemd omdat de zo zoete geur alle kwaadheid uit je lijf en geest zou verwijderen. Ooit werd hij ook als amulet gedragen om je te beschermen tegen heksen.

[1] Savo et al: Folk phytotherapy of the Amalfi Coast (Campania, Southern Italy) in Journal of Ethnopharmacology - 2011

Molukse nootmuskaat

De bij ons zo bekende nootmuskaat (Myristica fragrans) groeit slechts op een paar Indonesische eilandjes, de Banda-eilanden. Die eilandengroep behoort tot wat grotere Molukken. Alle eilanden kun je op de kaart vinden tussen het Indonesische eiland Sulawesi en het door Indonesië ingepikte westelijke deel van Nieuw-Guinea.
Nootmuskaat en foelie waren ooit peperduur en de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) wilde graag het monopolie hebben (en behouden) op die twee specerijen. Het bedrijf verbood de inwoners van de Banda-eilanden om de specerijen aan anderen te verkopen, maar die sloegen dat – ahum – verzoek natuurlijk in de wind. Ze verkochten af en toe ook wat aan de Engelse en Portugese concurrenten. Door die voortdurende ongehoorzaamheid ontstak gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen (1587-1629) in grote woede en in 1619 werd besloten om de totale bevolking van de Banda-eilanden te doden. Van de ongeveer 15.000 bewoners overleefden er maar een paar honderd, die werden afgevoerd naar Batavia.

Er is dus nogal wat bloed gevloeid op de Banda-eilanden en de vraag is of dat allemaal wel nodig was. Op de rest van de Molukken groeide namelijk een broertje van de nootmuskaat, de Molukse nootmuskaat (Myristica succedanea). Het is een altijdgroene boom die een hoogte kan bereiken van zo'n 20 meter. In het Indonesisch noemen ze hem pala patani en de Engelsen noemden hem Halmahera nutmeg, één van de Molukse eilanden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Myristica, stamt af van het Griekse woord myron, dat ‘balsem’ of ‘smeersel’ betekent. Dat Griekse woord kan weer geleend zijn uit het Semitisch en kan daardoor een broertje van het Hebreeuwse woord mor (‘mirre’) zijn. Het tweede deel, succedanea, is afgeleid van het Latijnse succulentus wat 'sap hebbend' of 'sappig' betekent. Uiteindelijk stamt het af van succus 'sap'.

De Molukse nootmuskaatboom produceert nootmuskaatnoten, nootmuskaat en foelie die lijken op die van zijn Bandarese broertje. De noot is echter iets kleiner van formaat. Men meent echter dat de smaak een stuk minder is. Dat heeft de plaatselijke bevolking er echter niet van weerhouden om deze specerijen op precies dezelfde manier te gebruiken als de Bandarese nootmuskaat en foelie. Zelfs nu wordt hij nog op kleine schaal verbouwd.

Dat de Molukse nootmuskaat slechts van een beetje mindere kwaliteit is zou de VOC niet tegengehouden moeten hebben om er goede handel in te zien. Een beetje mindere kwaliteit zorgt immers maar voor een beetje minder winst. Soms is dat iets om tevreden mee te zijn, maar niet de VOC. Die mengde de Molukse nootmuskaat gewoon door de Bandarese nootmuskaat om zo toch nog de maximale winst te genereren.

Alsemambrosia

Ambrosia is een plantengeslacht waarvan we enkele soorten als adventiefplanten in Nederland aantreffen. Ze worden voortdurend aangevoerd vanaf de Noord-Amerikaanse prairiegebieden, maar slagen er toch maar niet in om aan het inburgeringsexamen te voldoen. Maar veel scheelt dat niet. De ambrosia is een plant, die tot wel 120 centimeter hoog kan worden. In Nederland komen een drietal soorten steeds vaker voor: de hieronder besproken alsemambrosia (Ambrosia artemisiifolia), de driedelige Ambrosia (Ambrosia trifida) en de zandambrosia (Ambrosia psilostachya). Vroeger had een plant als de alsemambrosia geen enkele kans om zich hier blijvend te vestigen, maar klimaatveranderingen zorgen voor warmere omstandigheden en dat maakt het verschil tussen op visite zijn en blijven.
[Foto: Cees Veerman]
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, ambrosia, herinnert aan de Griekse godenspijs ambrosia. Het Griekse woord ambrosios is een combinatiewoord van a (‘niet’) en mbrotos (‘sterfelijk’). Dat laatste is weer gerelateerd aan mortos dat in het Nederlands nog herkenbaar is in het woord ‘moord’. Samengevoegd betekent het ‘onsterfelijk’. Wat het verband is tussen die onsterfelijkheid en de plant, blijft raadselachtig. De planten zijn zeker niet onsterfelijk omdat veel soorten eenjarig zijn. Het tweede deel, artemisiifolia, is een combiwoord uit het Latijn waar folio ‘blad’ is en artemis ‘alsem’. Samen is dat dus ‘(met een) blad (dat lijkt op dat van de) alsem’.

Het allergrootste probleem van de alsemambrosia is het feit dat tijdens de bloei grote hoeveelheden pollen vrijkomen. Deze pollen zijn zeer sterk allergeen wat betekent dat ze snel hooikoortsklachten veroorzaken. De plant bloeit daarbij laat, vanaf eind augustus tot en met oktober, waardoor het huidige hooikoortsseizoen wel met twee maanden verlengd kan worden. Dat is beslist geen goed nieuws voor mensen die toch al snel last hebben van een (pollen)allergie.

De plant scheidt de sesquiterpene lactone coronopiline uit, die de oorzaak is van de allergie, maar oorspronkelijk tot doel had om de groei van andere planten in de omgeving van de alsemambrosia te belemmeren. Een slimme manier van chemische oorlogvoering om de strijd om het bestaan met inheemse planten te winnen.

Omdat de alsemambrosia niet inheems is wordt hij hier uiteraard niet voor culinaire of medische doeleinden gebruikt. De indianen gebruikten hem voor infecties en insektenbeten. Een thee werd ingezet als middel tegen koorts en menstruatiepijnen.

Maar wat te doen aan die invasieve alsemambrosia? Als zoveel mensen last van allergie krijgen doen moet er toch daadkrachtig worden ingegrepen? Dat wordt nu eindelijk gedaan: de regering is in overleg met zaadhandelaren of die misschien alsjeblieft willen letten op de aanwezigheid van zaden van alsemambrosia in de door hen geïmporteerde zaadmengels. En de Voedsel en Warenautoriteit stelt je in hier staat om een waarneming te melden. Dát is pas krachtig ingrijpen om de volksgezondheid van de Nederlanders te beschermen.

Monnikspeper

De monnikspeper (Vitex agnus-castus) is verspreid in het hele Middellandse Zeegebied en Centraal Azië, waar hij kusten en rivieroevers bewoont. Het is een tot vijf meter hoge struik of kleine boom. Deze soort wordt veel aangeplant vanwege diens aantrekkelijke en geurige bloemen. De blauwviolette, rozekleurige of witte bloemvorm doen denken aan die van de vlinderstruik. Uiteindelijk vormt de monnikspeper kleine, donkerbruine vruchten die verworden tot vierzadige steenbessen. De hele plant heeft een peperachtige geur en smaak. De gedroogde bessen kunnen dan ook gebruikt worden als vervanger van zwarte peper.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Vitex, wordt in verband gebracht met het Latijnse woord vieo, wat 'weven' betekent. Het verklaart het gebruik van de twijgen van de monnikspeper om manden mee te vlechten. Het tweede deel, agnus-castus, is een vreemde woordverdubbeling: agnus is afgeleid van het oud-Griekse agnos (ἄγνος) en castus is geleeend uit het Latijn. Beide woorden hebben dezelfde betekenis, namelijk 'kuis'. Het verklaart het gebruik van deze plant.

Zoals diverse planten een lustverhogend effect lijken te hebben en afrodisiacum genoemd worden, geloofd men al sinds onheuglijke tijden dat de monnikspeper een omgekeerd effect heeft. Het is een lustverlager ofwel een anaphrodisiacum.

De bladeren, bloemen en rijpende zaden worden geoogst voor alternatieve medicinale doeleinden. De besjes worden in een tonicum verwerkt die werkzaam is op zowel het mannelijke als vrouwelijke voortplantingssysteem. In zijn boekwerk 'Historia Naturalis' schreef de Romeinse historicus Plinius de Oudere over de monnikspeper: bladeren en bloemen werden over het het bed van vrouwen gestrooidover om de 'hitte van de lust te koelen'. Zo bleven de vrouwen kuis tijdens de achtdaagse Thesmophoriën, een vruchtbaarheidfeest om de godin Demeter te eren.

In de Middeleeuwen werden in kloosters de vruchten van de struik als vervanging van peper voor het onderdrukken van de 'vleselijke lusten' van monniken gebruikt. De monniken strooiden takken van de monnikspeper op hun bedden en de gewoonte om voor de novicen de wegen naar de kloosters met monnikspeperbloemen te bestrooien zou in Italië tot de dag van vandaag nog gebruikelijk zijn.

Monnikspeper werd vroeger als geneesmiddel ingezet bij verwondingen, onderbuikaandoeningen, oedeem, hypochondrie en leverziektes. Als we naar het heden overstappen dan blijkt dat monnikspeper inderdaad enig effect heeft op menstruatiecyclus. Onderzoek toont aan dat het een mogelijk positief effect heeft bij het Premenstrueel Syndroom (maandelijks terugkerende klachten tijdens de tweede helft van de menstruatiecyclus) en het Premenstruele Dysfore Stoornis (een ernstige vorm van het Premenstrueel Syndroom met vooral klachten van psychische aard).

Herderstasje

Er zullen maar weinig planten zijn die zo herkenbaar zijn als het herderstasje (Capsella bursa-pastoris). Het is een plant uit de kruisbloemenfamilie (Brassicaceae) en is daarmee dus een direct familielid van diverse koolsoorten. Het herderstasje is afkomstig uit het Middellandse Zeegebied en is cultuurvolger. De hele wereld is intussen zijn domein, al willen zeurpieten toch genoemd hebben dat deze soort niet voorkomt op Antarctica en enkele eilanden in de Stille Oceaan.
Herderstasje is een één- of tweejarige plant die van 5 tot 50 centimeter hoog kan opgroeien. Dat verschil in grootte is het gevolg van betreding of dichtheid van de bodem. Zijn naam dankt hij uiteraard aan de zo kenmerkende vorm van zijn hauw.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Capsella, is terug te voeren op het Latijn, waar capsella een verkleinwoord is van 'koffer' of 'houder' en dus 'koffertje' of of 'houdertje' betekent. Het tweede deel bursa-pastoris betekent in het Latijn – en je voelt hem al aankomen – ook 'herderstas'.

Het lijkt erop dat er tot de Middeleeuwen geen (opgeschreven) medicinale toepassingen zijn geweest, maar tijdens die periode werd het als papje rond de polsen van baby's met geelzucht geplaatst. Nicolas Culpeper schrijft in zijn 'Complete Herbal: A Book of Natural Remedies for Ancient Ills' (1653): “...the juice being dropped into the ears, heals the pains noise and mutterings thereof." Herderstasje werd gebruikt als ontstekingsremmer en als middel tegen Sint Antoniusvuur, het potentieel dodelijke gevolg van een vergiftiging door moederkoren.

Traditioneel wordt de plant geassocieerd met bloedingen, vooral na de bevalling. Ingenomen als een thee (technisch gezien is het dan een tisane) zou het bloedvatvernauwend werken en wetenschappelijk onderzoek lijkt dat effect aan te tonen[1][2], al moet het vakblad waarin die positieve resultaten gepubliceerd werden niet al te serieus worden genomen. Bij afwezigheid van andere werkzame kruiden werd het herderstasje ook ingezet als middel tegen malaria.

Jonge rozetblaadjes kunnen gebruikt worden in salades of gesmoord in soepen. In China staat de plant bekend als jìcài (荠菜; 薺菜). In de omgeving van Shanghai wordt het gewokt met andere ingredienten als vulling voor mini-loempia's (wontons). In Japan is het herderstasje een van de ingredienten voor een speciaal gerecht, zevenkruidenrijstpap, tijdens het Festival van de Zeven Kruiden ofwel Nanakusa no sekku (七草の節句) op 7 januari (Jinjitsu). Als we overstappen naar Korea dan staat het herderstasje als groente op het menu in het karakteristieke Koreaanse gerecht namul (verse peulen en wilde groenten).

[1] Ghalandari et al: Effect of Hydroalcoholic Extract of Capsella bursa pastoris on Early Postpartum Hemorrhage: A Clinical Trial Study in Journal of Alternative and Complementary Medicine – 2017
[2] Naafe et al: Effect of Hydroalcoholic Extracts of Capsella Bursa-Pastoris on Heavy Menstrual Bleeding: A Randomized Clinical Trial in Journal of Alternative and Complementary Medicine – 2018

Iriswortel

Ah, die prachtige irissen met hun elegante bloemen die in elke tuin en in elk boeket niet misstaan. Irissen behoren tot een geslacht met wel 300 verschillende soorten die de hele wereld als hun domein hebben. Wij beperken ons hier tot de baardirissen, een subgeslacht, waartoe de inheemse blauwe lis of Duitse lis (Iris germanica) en de wat exotischer Florentijnse lis (Iris pallida) behoren.
[Duitse lis en Florentijnse lis]
Irissen hebben een forse, kruipende en zich vertakkende wortelstok. De wat blauwgroene, zwaardvormige bladeren reiken ongeveer even hoog als de bloemen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Iris, vernoemt de personificatie en godin van de regenboog en boodschapper van de goden in de klassieke Griekse mythologie. Het Griekse ιρις betekent dus ook 'regenboog'. Het (eerste) tweede deel, Germanica, betekent natuurlijk 'Duitsland'. Het woord werd het eerst gebruikt door Julius Ceasar die daarmee de stammen ten oosten van de Rijn bedoelde. De betekenis van het woord is volstrekt onduidelijk, maar het zou mij niet verbazen als de man daarmee 'barbaren' bedoelde. Het (tweede) tweede deel, pallida, is afgeleid van het Latijnse woord pallere, wat 'bleek (worden)' betekent. Hij is inderdaad wat fletser van kleur. En jawel: het Engelse woord pale stamt inderdaad af van het woord pallere.

Van beide irissoorten worden de wortels gebruikt in de werelden van parfumerie, medicijnen en drankstokerijen. Daar staan ze bekend als orris root, wat een onverklaarde verbastering is van 'iris'.

Een iriswortel wordt geoogst, gedroogd en dan wel vijf jaar bewaard om te rijpen. Gedurende deze periode zullen de plantaardige vetten en oliën afbreken en oxideren. Daardoor ontstaan nieuwe stofjes die waardevol zijn bij het samenstellen van dure parfums. De 'verouderde' wortels ondergaan een stoomdestillatie en daardoor ontstaat een olie-achtige substantie die men irisboter of orris oil noemt. Je zult snappen dat het een uiterst kostbaar proces is en een kilo irisboter kost al snel rond de €100,000. De geur doet dan denken aan die van viooltjes, maar dieper en geraffineerder.

Vroeger werd aan baby's, die last van hun doorkomende tandjes hadden, een stuk iriswortel gegeven om op te kauwen. Het zou de klachten verminderen en licht verdovend werken. In de Middeleeuwen verwerkte men iriswortel in medicijnen tegen bronchitis, oedeem en leverkwalen. Ook werd de wortel tot poeder gemalen en in een zakje op het lichaam gedragen. De edelen in de 18e eeuw strooiden geurig iris wortelpoeder op hun pruiken.
Ook menig merk gin krijgt tegenwoordig nog zijn specifieke geur en smaak door het toevoegen van iriswortel. Denk aan het bekende Bombay Sapphire in de blauwe fles, maar ook de vaderlandse Dry Gin van Rutte maakt gebruikt van orris root.

Geelwortel (Kurkuma of Koenjit)

De geelwortel (Curcuma longa) staat ook bekend als kurkuma (bij Surinamers) of koenjit (bij Indiërs). De gedroogde wortel van deze plant wordt toegepast als specerij om verschillende gerechten een gele kleur te geven. Kerrie en kerriemengsels danken er hun wat oranjegele kleur aan. Het heeft echter ook een specifiek aroma en dat wordt ook in vele Aziatische gerechten als onmisbaar beschouwd.
Men denkt dat geelwortel ooit min of meer per ongeluk is ontstaan als een hybride tussen de wilde geelwortel (Curcuma aromatica), inheems in India, Sri Lanka en oostelijke hellingen van de Himalaya's, en enkele andere zeer nauw verwante soorten. Het is een steriele plant and produceert daardoor geen zaad. De enige manier van vermeerdering is dus via verspreiding van de wortels.

Geelwortel (Kurkuma of Koenjit) wordt al genoemd in de werken van de Venetiaanse ontdekkingsreiziger Marco Polo (1254-1324), die rond het jaar 1290 met deze specerij in aanraking kwam tijdens zijn reizen door India en China. Al verkreeg hij de roem als de man, die geelwortel naar het westen bracht, het waren in werkelijkheid Arabische handelaren die al in de dertiende eeuw deze specerij naar Europa vervoerden.

Daarna deed de Portugese zeevaarder Vasco da Gama (1460-1524) gedurende de vijftiende eeuw tijdens zijn vele zeereizen het Indiase subcontinent een aantal keren aan en bracht geelwortel (kurkuma of koenjit) en vele andere specerijen al eerste direct van de Oost naar de West, de Arabische tussenhandelaren buitenspel zettend.

Het was pas tijdens de heerschappij van de handelsondernemingen de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) uit Nederland en de East India Company (EIC) uit Groot-Brittannië dat vele soorten specerijen in behoorlijke hoeveelheden in West-Europese landen aangevoerd werden. Toen gingen ook de prijzen van deze goederen zover naar beneden dat veel meer mensen er van konden genieten.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Curcuma, is afgeleid van het Arabische kurkum, wat uiteraard 'geelwortel' betekent. Dan lijkt het spoor dood te lopen, maar via het oud-Grieks komen we uit bij het woord krokotos (κροκωτος) wat 'geelbruin' betekent en de bron is van de woorden krokus, krokodil en kurkuma. Het tweede deel, longa, is Latijns en betekent 'lang'.
Sinds een paar jaar staat curcumine, de werkzame stof in de geelwortel, in de belangstelling. Het zou werkzaam zijn tegen allerhande kwalen en het werd dus tijd dat de wetenschap zich ermee ging bezighouden.

Curcumine heeft een chemisch profiel dat aan aspirine doet denken. Na de reageerbuis (in vitro) werd het onderzoek uitgebreid naar het menselijk lichaam (in vivo). Maar toen merkten onderzoekers dat er een probleem was. Het farmacokinetisch gedrag toonde aan dat toepassing vrijwel onmogelijk is: curcumine wordt zeer slecht uit de darm opgenomen en buitengewoon snel en intensief gemetaboliseerd; bloedspiegels waren navenant laag en namen snel af. Ze slaagden er nimmer in analoga te identificeren met een beter ‘profiel’ dan curcumine. De conclusie was: curcumine is interessant, maar haar eigenschappen laten toepassing als therapeuticum niet toe[1].

De conclusies van een samenvattend onderzoek zijn duidelijk: er zijn meer dan 120 klinische onderzoeken gepubliceerd, maar ‘No double blinded, placebo controled clinical trial of curcumin has been succesfull’. Over preklinisch onderzoek: '… curcumin is an unstable, reactive, nonbioavailable compound and, therefore, a highly improbable lead'[2].

[1] Henk Timmerman: Curcumine kan geen geneesmiddel zijn in Medisch Contact - 2017. Zie hier
[2] Nelson et al: The Essential Medicinal Chemistry of Curcumin in Nature - 2017

Tijgerlelieknoppen

Zo af en toe vraag ik me af hoe mensen ooit tot de ontdekking zijn gekomen dat bepaalde planten of plantendelen geschikt zijn als specerij of kruid. Was het armoede die soms dwong tot noodsprongen of is het gewoon onze ingebouwde drang om te experimenteren?

Een prachtig voorbeeld zijn tijgerlelieknoppen die 'geoogst' worden van de citroendaglelie (Hemerocallis citrina). Botanisch gezien wordt deze plant nu citroendaglelie genoemd, maar als specerij bleef diens oude naam bestaan. Deze specerij wordt op alle markten in China vers of gedroogd verkocht onder de namen jīn zhēn (金针) of gele bloemen groente (huáng huā cài ofwel 黃花菜).
De citroendaglelie is een vaste plant en kan een hoogte bereiken van 120 centimeter. Deze soort is in het bezit van heldergroene, rechte bladeren van ongeveer 40 centimeter lang. De prachtige en bijzonder geurige bloemen zijn trompetvormig en citroengeel van kleur. Deze soort is inheems in delen van Oost-Azië en China. Een nauw verwant broertje, de gele daglelie (Hemerocallis lilioasphodelus) wordt sporadisch in ons land waargenomen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Hemerocallis, is een combinatiewoord uit het klassiek Grieks, waar emerho (ημερο) 'getemd' of 'gecultiveerd' betekent en kalos (καλος) 'prachtig'. Samen is dat dus '(een) prachtige (bloem die) gecultiveerd (wordt). Het tweede deel is eenvoudiger: citrina is afgeleid van citrus, de citroenboom. Het verklaart de kleur van deze soort.

Gedroogd zijn de tijgerlelieknoppen van lichtbruin bruin van kleur. De smaak en geur zijn heel apart, wat zoetig en kruidig. De bite is ietwat knapperig.
De gedroogde knoppen van de bloem van de tijgerlelie worden gebruikt in de Chinese keuken bij diverse stoofschotels en roerbakschotels. Ook worden ze vaak toegevoegd aan bepaalde versies van zoetzure soepen en dagleliesoep. Het in Noord-China populaire moo shu (木须肉) bestaat uit in plakjes gesneden varkenshaas, komkommer en roerei. Die worden in arachideolie geroerbakt, samen met hapklare stukken eetbare paddestoelen. Het gerecht wordt op smaak gebracht met tijgerlelieknoppem, fijngehakte gember, knoflook, wat lente-uitjes, sojasaus en rijstwijn.

De nog gesloten tijgerlelieknoppen zijn rauw een perfecte aanvulling in salades. Gekookt worden ze ook nog eens gebruikt als een delicate groente. Een andere toepassing is tijgerlelieknoppen in het zuur, een oude manier om vitamines ook in de wintermaanden beschikbaar te hebben.

In vrijwel heel Oost-Azië wordt de tijgerlelie verbouwd. In het wild kun je hem in bosranden en bosschages aantreffen.

Klimmende winde

De klimmende winde (Ipomoea tricolor) heeft wereldwijd ongeveer zestienhonderd familieleden. In Nederland treffen we in het wild als verwanten de haagwinde (Calystegia sepium), de zeewinde (Calystegia soldanella) en de akkerwinde (Convolvulus arvensis) aan. Allemaal zijn ze vaak tot enige meters hoog klimmende planten. Naast windende (vandaar de naam), niet of weinig vertakte stengels, vormen ze uitlopers, die zich sterk vertakken en over de grond kruipen tot ze een stevig genoeg voorwerp tegenkomen. Dan duiken ze de grond in, verdikken, vormen wortels die de scheut de grond intrekken, en zenden weer windende stengels omhoog. Dat kan dus niet anders dan een vervelend onkruid zijn, zo zult u opmerken.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ipomoea, is een combinatiewoord uit het Grieks: ipos betekent ‘worm’ en homoios betekent ‘lijkend op’. Samen zegt het dus iets over de manier van groeien waar de kronkelende stengels, lijkend op wormen, over de bodem groeien. Het tweede deel, tricolor, betekent ‘driekleurig’ en verklaart de kleur van de bloemen.

De klimmende winde heeft in zijn thuisland Mexico een lange geschiedenis als hallucinogeen middel om in contact te treden met de goden. Het bevat ergine (ook bekend als d-lysergic acid amide ofwel LSA), een psychoactief broertje van lysergic acid diethylamide ofwel LSD.

Tijdens onze vakantie op het Griekse eiland Rhodos vertelde de gids ons dat de bloemen van de winde gebruikt werden om parfeit d'amour te kleuren. Op de niet altijd betrouwbare Wikipedia wordt gemeld dat deze likeur gekleurd wordt met viooltjes. Het kán natuurlijk dat beide bloemen gebruikt worden in diverse recepten omdat ze beide zo'n beetje dezelfde paarse kleur hebben.

Waar kun je deze vraag beter stellen dan aan de bron: De Kuyper Royal Distilleries, sinds 1695 een wereldwijd bekende destillateur. Al snel kreeg ik antwoord en de woordvoerder meldde dat De Kuyper Parfait Amour helaas NIET met violenblaadjes wordt gestookt. Wikipedia zit er dus naast. Men kon tot 1948 terugzoeken en het recept is al die tijd eigenlijk nauwelijks veranderd. Het product bevat twee distillaten, citroen en curacao, en vanille-extract. Omdat eigenlijk al onze likeuren vooral in cocktails gebruikt worden en dat een stabiele kleur van de likeur daarvoor van belang kan zijn, is al zeker sinds 1948 de kleur afkomstig van synthetische kleurstof.
Volgens wikipedia, bestaat de blauwe kleur van de winde uit anthocyanen. Dat is de zelfde kleurstof als in rood fruit, maar ook rode kool en biet. Die kleurstof is erg gevoelig voor schommelingen in pH. Het gebruik van planten(delen) met psychoactieve bestanddelen (zoals ergine) in gedistilleerde drank is niet geheel ongebruikelijk. Het bekendste voorbeeld daarvan is thujone uit alsem in Absinth. Al met al kán het dus prima zo zijn dat er lokaal gebruik wordt gemaakt van deze winde om de likeur te kleuren.

Kruipend zenegroen

Kruipend zenegroen (Ajuga reptans) behoort tot de grote familie van de munt en is een lage plant die in de tweede helft van de lente groeit. Hij wacht dus kennelijk tot de vorst echt uit het land is verdwenen. Deze zenegroensoort breidt uit via bebladerde, kruipende, bovenaardse uitlopers. Geen wonder dat men hem vaak groepsgewijs aantreft. Kruipend zenegroen komt voor in heel Europa met uitzondering van de meest noordelijk en meest zuidwestelijke delen. Ook vindt je deze soort in het Marokkaanse Atlasgebergte. In ons land is hij vrij algemeen, maar op de Waddeneilanden vindt kruipend zenegroen uiteraard de uiterste grens van zijn domein. Kruipend zenegroen bereikt een hoogte van 15 centimeter en bloeit met prachtige blauwe bloemen die in een toorts zijn verzameld.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ajuga, is een verbasterde vorm van het Latijnse woord abigo, wat 'wegdrijven' of 'afdrijven' betekent en het gebruik van het plantengeslacht beschreef. Het werd namelijk ooit toegepast om een abortus op te wekken. Het tweede deel, reptans, is ook al van Latijnse herkomst en betekent 'kruipend'.

Kruipend zenegroen was tijdens de Middeleeuwen enorm populair in zo'n beetje heel Europa en werd voornamelijk toegepast als middel tegen verwondingen die het gevolg waren van veldslagen. De beroemde Engelse herbalist (en arts) Nicolas Culpeper (1616-1654) schreef in The English Physician (Enlarged) ‘The docoction of the leaves and flowers made in wine and taken dissolveth the congealed blood in those that are inwardly bruised by fall, or otherwise, and is very effectual for any inward wounds, thrusts or stabs in the body or bowels’.

De kruidendoktoren (m/v) geloofden dat kruipend zenegroen in staat was om diverse uiteenlopende gezondheidsproblemen op te lossen. Denk aan gangreen, zweren, verstuikingen, fistels, netelroos, gezwollen levers, katers en kaalheid. Bovendien heeft het een milde narcotiserende werking.

In de Victoriaanse tijd, ruwweg de tijd waarin Koningin Victoria in Engeland op de troon zat (1837 tot 1901), werd het nog in sanatoria gebruikt om tuberculose te behandelen en bloedingen te stelpen.

Inderdaad hebben onderzoekers diverse actieve ingrediënten aangetroffen toen ze die plant eens gingen onderzoeken. De meeste van die ingrediënten zijn echter giftig en daarom is kruipend zenegroen wat in de vergetelheid geraakt. Wel duidelijk was dat kruipend zenegroen inderdaad antibacteriële en bloedstelpende effecten bezit.

Onbevestigde geruchten melden dat een enkele geneesmiddelenfabrikant nog wel wat onderzoek laat verrichten aan kruipend zenegroen. Ze hopen er een middeltje aan te onttrekken dat kan werken tegen kaalheid. Oude verwachtingen blijken maar een trage dood te sterven.

Lange peper

Lange peper (Piper cubeba) wordt ook wel de cubebpeper genoemd. Het was gedurende de Middeleeuwen de meest toegepaste pepersoort in Europa. Hoewel de zwarte peper (Piper nigrum) al in de Romeinse tijd bekend was, verdrong hij de lange peper pas definitief in de 18de eeuw. De Koning van Portugal verbood namelijk in 1640 de handel in lange pepers omdat hij met zwarte peper nog meer winst kon maken. Tegenwoordig wordt deze specerij vooral medicinaal toegepast in diens 'thuislanden'.
De lange peper is inheems op de de Indonesische eilanden Borneo, Java, Celebes en Sumatra, maar wordt ook op bescheiden schaal geteeld op Maleisië en Sri Lanka. In het verleden werden de pepers in het oerwoud geplukt. Vervolgens werden ze dan door Chinese handelaren overgebracht naar China. Via de beroemde Zijderoute bereikte de lange peper uiteindelijk na een lange reis het Middellandse Zeegebied. Geen wonder dat de prijzen behoorlijk hoog waren.

De besjes worden geoogst voordat ze rijp zijn. Dan worden ze zorgvuldig gedroogd in de zon. Doordat men de steeltjes aan de gedroogd besjes laat zitten wordt deze specerij in het Engels soms ook tailed pepper ('peper met een staart') genoemd. De kleur variëert van grijsbruin tot zwart. Het zaadje is hard, wit van kleur en olie-achtig. De geur van de lange peper wordt beschreven als als aangenaam en aromatisch. De smaak is scherp, zurig, ietwat bitter en lang aanhoudend. Deze specerij wordt op precies dezelfde wijze in gerechten toegepast als zijn broertje, de zwarte peper.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Piper, is via het Grieks en het Perzisch terug te voeren op een oeroud woord uit het Sanskriet, pippali betekende ‘lange peper’. Het tweede deel, cubeba, is de Latijnse vorm van het Arabische كَبَابَه (kabābah) en daar loopt het spoor bij iedereen dood. In het Javaans wordt deze pepersoort echter kukumus genoemd. De door mij geraadpleegde taalkundige (@siwaratrikalpa) meent dat kabābah een zeer ongebruikelijke mutatie is van het woord kukumus.

In diverse vormen van volksgeneeskunst werden de effecten van het consumeren van lange pepers aanbevolen. Het zal de wat nadenkende mens niet verbazen dat na wetenschappelijk onderzoek weinig overbleef van die veronderstelde effectiviteit. Toch hadden de aanwezige etherische oliën wel degelijk enig nut: rond 1815 bestonden diverse tincturen en pastilles waarin oleum cubebae ('cubebolie') was verwerkt. Het zou werken teggen urineweginfecties. keelklachten en bronchitis. Dat kan kloppen, want die etherische oliën had inderdaad een ontsmettende en antibacteriële werking.

Modern wetenschappelijk onderzoek richt zich op de mogelijke effecten die stofjes in de lange peper kunnen hebben op de gevolgen van de Ziekte van Alzheimer.

Selimpeper

Ik geef toe dat het lastig was om een acceptabele Nederlandse naam te vinden voor deze specerij. In het Engels wordt hij meestal grains of Selim genoemd, maar het is zeker geen graansoort. In het Duits en Engels wordt deze specerij ook Mohrenpfeffer, Negerpfeffer, Moor pepper of Negro pepper genoemd. Om allerhande lange tenen te beschermen zullen we hem Selimpeper (Xylopia aethiopica) noemen. Voor de duidelijkheid: de Selimpeper wordt ook gewonnen uit een aantal zeer verwante bomen, maar we gaan het niet moeilijker maken dan het al is.
De selimpeperboom is een boom die een hoogte kan bereiken van wel 30 meter. Hij groeit in de tropische laaglanden van Afrika, in de vochtiger savannagebieden van Afrika en in het regenwoud. Het hout van de boom is termietbestendig en wordt veel gebruikt als constructiehout. De bast wordt gebruikt in de meubelmakerij en om een infusie van te trekken tegen bronchitis.

De boom wordt vermeerderd uit zaad. De eerste drie jaar maakt de boom een sterke groei door, daarna neemt hij gas terug. In West-Afrika bloeit de bloem twee maal per jaar, van maart tot juli en van oktober tot december. De peulen worden onrijp aan de steel als bosje geoogs. Na het oogsten worden de nog geboste peulen enkele dagen in de zon gedroogd en pas daarna van de steel geplukt, maar ze worden in Afrika ook in bosjes verkocht.

De vruchten zijn tot vijf centimeter en hebben een twist. Tijdens het drogen kleuren ze donkerbruin. Elk peul bevat 5 tot 8 zaden van zo'n 5 millimeter groot.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Xylopia, is een combinatiewoord uit het Grieks, waar xylon (ξύλον) 'bitter' betekent en pikron (πικρόν) 'hout'. Samen is dat dus 'bitter hout'. Het tweede deel, aethiopica, is uiteraard '(uit) Ethiopië'.

Nu zou je verwachten dat het de zaden zijn die peperachtig smaken, maar dat is niet het geval. Het zijn de peulen die de pittigheid in zich dragen. De gebruikers doen echter geen moeite om die zaden uit die peulen te halen en vermalen alles. Men omschrijft de smaaksensatie als een mix van cubeb peper en nootmuskaat met een en wat harsige nasmaak. Deze specerij wordt vaak gerookt gedurende het droogproces en dat resulteert in een heerlijke wat rokerige en pittige smaak. Ze worden of vermalen of in zijn geheel toegevoegd aan soepen of stoofpotjes. In het tweede geval worden de Selimpepers verwijderd als het gerecht klaar is.

Dat de natuur volstrekt onvoorspelbaar is, blijkt wel uit het feit dat een broertje van de Selimpeper in Zuid-Amerika woont. De burro peper (Xylopia aromatica) wordt op precies dezelfde manier gebruikt door de inheemse bevolking als die in Afrika.

Afrikaanse nootmuskaat

Portugese, Engelse en Nederlandse zeevaarders hebben eeuwenlang strijd geleverd om de Banda Eilanden, een paar eilandjes die tot de Molukken behoren en nu onderdeel zijn van Indonesië. Op die Banda Eilanden groeide de nootmuskaatboom (Myristica fragrans). De specerijen van die boom, nootmuskaat en foelie, zorgden samen zo'n beetje voor de grootste bron van inkomsten voor de VOC, de Vereenigde Oostindische Compagnie.
Het was zeker de moeite waard geweest om die duizenden zeemijlen af te leggen om met zo'n kostbare lading in vaderlandse havens terug te keren, maar misschien was het allemaal niet zo nodig geweest. In tropisch Afrika groeit namelijk een familielid van de nootmuskaat, de Afrikaanse nootmuskaat (Pycnanthus angolensis).

Omdat in de tropen nauwelijk sprake is van seizoenen is ook de Afrikaanse nootmuskaat een altijdgroene boom. Deze boom kan tot 40 meter hoog worden met een stam die anderhalve meter in doorsnede is. De leerachtige bladeren zijn wel 30 centimeter lang. De bloemen zijn roestkleurig en bloeien in trossen bijeen. De vrucht zit logischerwijze ook in trossen, is druppelvormig en is zo'n drie centimeter lang. In die bruine, maar later verkleurend tot geeloranje vrucht, zit een zwarte pit, die op een nootmuskaatnoot lijkt. Om die pit zit een rode zaadmantel of zaadrok en die lijkt weer precies op foelie.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Pycnanthus, is weer eens een combinatiewoord uit het Grieks, waar pyknos (πυκνός) zoiets als 'veel' betekent en anthos (ἄνθος) 'bloem'. Samen is dat dus 'veelbloemig' of 'met veel bloemen'. Het tweede deel, angolensis, betekent '(uit) Angola'.

Goed, we hebben dus een familielid van de nootmuskaat, die daar ook nog eens behoorlijk op lijkt. Hoe zou de Afrikaanse nootmuskaat smaken? Het antwoord is eenvoudig: de Afrikaanse nootmuskaatnoot ruikt en smaakt precies zoals de Aziatische nootmuskaatnoot, al melden kenners dat de noot een iets pittiger nasmaak geeft. Geen wonder dat het een veelgebruikte specerij is in de diverse West-Afrikaanse cuisines.

In oostelijk Nigeria wordt de Afrikaanse muskaatnoot vermalen en in soepen verwerkt. Zo'n soep zou helpen tegen verstopping en tegen overmatig bloeden van de baarmoeder nadat een kind geboren is. Wetenschappelijk onderzoek heeft in ieder geval aangetoond dat de schors van de Afrikaanse nootmuskaat kan helpen om koorts en malaria te behandelen[1]. Daar waren de traditionele genezers op Sao Tomé en Principe, een eilandengroep voor de kust van West-Afrika al eeuwen geleden achter gekomen. Voor hen was het yesterday's news.

[1] Ramalhete et al: Search for antimalarial compounds from Pycnanthus angolensis in Planta Medica - 2009

Ecuadoraanse kaneel

Soms krijg je van die kleine aanwijzingen dat continenten vroeger hele andere posities innamen als nu het geval is. Bepaalde plantenfamilies komen bijvoorbeeld op verschillende werelddelen voor en dat moet betekenen dat hun voorouders ooit op één landmassa geleefd moeten hebben. Een voorbeeld daarvan blijkt de laurierfamilie te zijn, want in Zuidoost-Azië groeit de kaneelboom (Cinnamomum zeylanicum), terwijl in Midden-Amerika de Ecuadoraanse kaneelboom (Ocotea quixos) zijn wortels in de bodem plant.
[Foto: Gernot Katzer]
De Ecuadoraanse kaneelboom een een altijdgroene boom, die inheems is in de oerwouden van Ecuador en Colombia. Het is een boom, waarvan de bast een kaneelachtig aroma heeft en die wordt gebruikt als specerij door diverse plaatselijke inheemse stammen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ocotea, is afgeleid van de plaatselijke naam van de plant in Frans Guyana: de Garipons noemden de boom aiou-hou-ha. De nieuw aangekomen Spaanse kolonisten verstonden dat – vreemd genoeg - als ocotea. Het tweede deel, quixos, is via het Galiciaans afgeleid van het Latijnse woord quaerō, wat 'zoeken naar' of 'verlangen naar' betekent. Die kolonisten verlangden kennelijk naar kaneel.

Net zoals de (Aziatische) kaneel wordt de Ecuadoraanse kaneel ook gewonnen door de bast van de boom te schillen. Ook de gedroogde bloemen kunnen als smaakmaker toegepast worden in diverse plaatselijke gerechten en die staan bekend als Flor de Canela.

De smaak van de Ecuadoraanse kaneel wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van methyl cinnamaat and trans-cinnamaldehyde. Diezelfde essentiële oliën worden ook aangetroffen in de bloemkelken. Methyl cinnamaat wordt ook aangetroffen in aardbeien, sichuanpeper en sommige varianten basilicum. In (Aziatische) kaneel zit overigens ethyl cinnamaat, een variant. De trans-cinnamaldehyde geeft inderdaad ook de bekendere kaneelversie zijn zo herkenbare geur en smaak.

Oude documenten tonen aan dat Ecuadoraanse kaneel al ten tijde van de Inca's voor het kruiden van gerechten en voor offerandes werd gebruikt. Kennelijk moesten ook offers voor de goden lekker smaken.

De essentiële olien van de Ecuadoraanse kaneel werden overigens ook toegepast in de traditionele geneeskunde van enkele volkeren in het Amazonegebied. De stofjes hebben namelijk een ontstekingsremmende werking. Modern wetenschappelijk onderzoek lijkt die werking inderdaad aan te tonen voor de al genoemde trans-cinnamaldehyde. Hetzelfde onderzoek toonde aan dat de methyl cinnamaat dat effect niet vertoonde. Ook is aangetoond dat de essentiële olie de kans op vorming van bloedstolsels kan verminderen doordat het bloedplaatjesaggregatie in het bloed voorkomt.

Hoewel deze vorm van kaneel in ons land uiteraard volstrekt onbekend is, is het wél in een interessante specerij om achter de hand te houden. Stel dat de reguliere kaneel het slachtoffer wordt van een uitbraak van een virus of handelsoorlog...

Herbamare

Het voedingscentrum wil dat je steeds minder zout gebruikt. Ongeveer 80% van de Nederlandse bevolking krijgt meer zout binnen dan de maximaal aanbevolen hoeveelheid van 6 gram zout per dag. De helft van de volwassenen van 19 tot 70 jaar eet zelfs 8,2 gram zout per dag of meer.

De chemische naam van zout is natriumchloride (afgekort tot NaCl). Dat betekent dat de helft van het zout bestaat uit natrium en de andere helft uit chloride. Als we het over de problemen van zout hebben dan gaat het eigenlijk over natrium, want dat element heeft een bloeddrukverhogend effect.

Van nature zit er niet zoveel natrium ons voedsel en we stoppen het dus zelf in ons voedsel. Vooral kant-en-klaar maaltijden zitten nog steeds boordevol zout. Het is namelijk ook een goedkoop conserveermiddel. Bij Albert Heijn kost een hele kilo zout je maar €0.35.
Om minder zout te gebruiken zijn er veel mogelijkheden. Je kunt zout vervangen door smakelijke kruiden en specerijen, maar je kunt zout ook gewoon weglaten uit je zelf bereide maaltijden. Het grote voordeel daarvan is dat je de natuurlijke smaken van de ingrediënten eindelijk weer kunt proeven, want die werden voordien grotendeels gemaskeerd door de smaak van zout.

Maar er bestaan ook gewetenloze bedrijven die dit probleem zien als een kans om geld te verdienen. Eén van die bedrijven is A. Vogel, opgericht door een charlatan die zichzelf onterecht dokter heeft genoemd. A.Vogel brengt Herbamare© op de markt.

Herbamare bestaat voor 94% uit zout, aangevuld met 6% groenten en kruiden. Het wordt aangeprezen als een vervanging van keukenzout. Volgens mij is 94% zout nog steeds bijna 100% zout en die 6% is een volstrekt verwaarloosbaar verschil als je een beetje op je zoutinname wilt gaan letten.
A. Vogel noemt Herbamare hier 100% natuurlijk en zuiver plantaardig. Dat is een uiterst vreemde claim, want zout is uiteraard helemaal geen plantaardige stof. Die opmerking is simpelweg rijp voor een oordeel van de Reclame Code Commissie.
Overigens kost 250 gram Herbamare je €3.99. Dat is omgerekend een kiloprijs van €15.96. Die prijs riekt naar oplichting.

Johannesbroodpitmeel

Het is een prachtig woord voor 'galgje', een woordspelletje: johannesbroodpitmeel. Het is het 'meel' van zaden van van de johannesbroodboom (Ceratonia siliqua), een boom die inheems is aan de kusten van de oostelijke Middellandse Zee, maar zich in de loop der millennia het uitgebreid tot de hele Mediterranee. De johannesbroodboom is lid van de familie van de peulvruchten en is dus verwant aan de erwt, bruine boon en tuinboon.
[Rijpe johannesbroodpeulen]
Deze boom levert twee specerijen, kruiden en/of ingrediënten: johannesbroodpitmeel en carobepoeder. Het eerste wordt verkregen door het malen van de kiemende zaden en wordt als verdikkingsmiddel gebruikt, terwijl het tweede wordt verkregen door geroosterde peulen te vermalen en daardoor meel oplevert.

De johannesbroodboom kan uitgroeien tot een hoogte van 15 meter. Hij is in het bezit van een dikke stam. Deze boom bloeit met onopvallende mannelijke of vrouwelijke bloemen in de herfst. Men zegt dat de mannelijke bloemen zo'n beetje dezelfde geur hebben als die van (mannelijk) zaad. Daarna ontstaan de tot 30 centimeter lange peulen die een vol jaar nodig hebben om te volgroeien en te rijpen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam Caratonia, is afkomstig van het klassiek Grieks, waar keration (κερατιον) afgeleid is van κέρας (hoorn). Het beschrijft de vorm van de peul. Het tweede deel, siliqua, is Latijns voor 'peul'. Samen is dat dus: 'gehoornde peul' of 'peul die lijkt op een hoorn'.

De gedroogde en vermalen peulen van de johannesbroodboom worden in landen als Griekenland gebruikt als meel ten behoeve van cakes en koekjes. Het meel is wat zoetig van smaak. Geroosterde en vermalen peulen doen dienst als alternatief voor cacao, al lijkt de smaak helemaal niet die van chocolade. Op Malta wordt bijvoorbeeld een traditioneel snoepje gemaakt dat gedurende de vastenmaand en Goede Vrijdag wordt gesnoept: Karamelli tal-Ħarrub.
Johannesbroodpitmeel wordt in de EU als volstrekt natuurlijk verdikkingsmiddel toegepast en is veilig bevonden onder de aanduiding E410. Het is geschikt voor vegetariërs, veganisten en mensen met notenallergie. Bovendien is het kosher en halal.

De vermalen gekiemde zaden vinden hun weg naar de bakkerij-industrie en in babyvoeding. Baby's die wat te veel spugen en daardoor een groei-achterstand dreigen op te lopen, krijgen daarom johannesbroodpitmeel door hun voeding. De babyvoeding wordt daardoor iets dikker van structuur en zal minder snel worden teruggegeven.

Moeders, die wat ongerust zijn, kunnen de Johannesbroodpitmeel simpelweg aanschaffen in de natuurvoedingswinkel* om de hoek. Overleg dan wel eerst even met je huisarts of het consultatiebureau (ook wel het 'consternatiebureau' genoemd). Bakkers zullen hun veel grotere behoefte aan dit verdikkingsmiddel bij een gespecialiseerde groothandel als Snick EuroIngredients moeten bestellen.

* Neem even contact op als jouw bedrijf een link zou waarderen.

Varkensgras

Harlingers, die hun blik wel eens naar beneden richten, moet het opgevallen zijn: tussen de tegels groeit de laatste twee jaar plotseling een laagblijvend plantje. Het kruipgoed lijkt zich zelfs explosief uit te breiden en de vraag is daarom welk plantje het nodig vond om onze stad te veroveren.
De naam van dit plantje is varkensgras (Polygonum aviculare). Die naam zou het plantje danken aan het feit dat het ooit door rondscharrelende varkens werd gegeten, samen met de grassen die er omheen groeiden. Ik denk dat het een verzonnen verhaal is, plus varkensgras is namelijk ook nog eens geen gras. Nee, varkensgras is een lid van de familie van duizendknopen en daarom zou de naam 'liggende duizendknoop' veel meer voor de hand liggen.

Varkensgras is een pioniersoort die algemeen voorkomt op plekken waar behoorlijk veel stikstof en fosfaat in de bodem zit. Het is een eenjarige, dof donkergroene plant met soms naar rossig neigende stengels. Hij kiemt omstreeks mei en vormt allereerst een rechtopstaande hoofdstengel. Dan vertakt hij zich en ontstaat er een mat van kringvormige stengels. Hij wortelt diep met een penwortel, waardoor hij beter droogte en nattigheid kan overleven dan grassen en mossen. De meest natuurlijke standplaats van varkensgras is te vinden aan de zilte zeekust, waar het op het vloedmerk groeit. En daar is het antwoord waar varkensgras zo plotseling vandaan gekomen is. Het plantje is aan de kust ontsnapt en zoekt nu zijn weg landinwaarts.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Polygonum, is een combinatiewoord uit het Grieks: poly (πολυ) is 'veel' en gonna (γοννα) is 'knoop' of 'gewricht'. De Grieken wilden niet tot duizend tellen en vonden veelknoop wel genoeg. Het tweede deel, aviculare, is Latijn en betekent 'kleine vogel', een verklaring van de piepkleine witte bloempjes.

Varkensgras is dus geen exoot, maar een inheemse plant die zijn leefgebied uitbreidt. Misschien door de opwarming van de aarde, misschien ook door milieuvervuiling. In eerste instantie lijkt de opmars van varkensgras geen probleem, maar hij kan wel een lastpak worden. De gevormde ronde matten kunnen meer dan een meter in doorsnede worden en na een regenbui kunnen die behoorlijk glad worden. Dat levert weer een gevaar op voor mensen die slecht ter been zijn.

Wat kunnen we aan varkensgras doen? We zouden een stadskudde varkens kunnen loslaten op het probleem, maar daar zal de gemeente Harlingen vast geen toestemming voor geven. Een andere optie is hem als kruid of groente te gebruiken. In zuidelijk Vietnam wordt het rau đắng ('bittere groente') genoemd en veelvuldig gebruikt in soepen en stoofpotjes.

Vlindererwt

Ik geef grif toe dat de butterfly pea (Clitoria ternatea) nog geen officiële Nederlandse naam heeft, maar de letterlijke vertaling van zijn Engelse soortnaam lijkt me een juiste keus. Deze soort is inderdaad een peulvrucht.
Deze plant is inheems in tropische delen van Azië, zoals Thailand en Maleisië, maar is intussen geïntroduceerd in Afrika, Australië en het Amerikaanse continent. De vlindererwt is een overblijvende, kruidachtige plant met elliptisch gevormde bladeren. Deze variëteit erwt hijst zich ook aan alle mogelijke objecten omhoog. Wat het meest opvalt aan de vlindererwt is de kleur van de bloemen: een prachtige diepblauwe kleur (al tooit een enkele ondersoort zich met witte bloemen). Deze bloemen hebben de vorm van een vlinder, al zien sommige biologen er een vrouwelijk geslachtsorgaan in.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Clitoria, is uiteraard eenvoudig te herkennen en is de Latijnse versie van 'clitoris'. Het tweede deel, ternatea, vernoemt het Molukse eiland Ternate, ooit het doel van vele schepen van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) om nootmuskaat en kruidnagelen te laden.

Maar, zo zul je op dit moment misschien opmerken, een erwt is geen specerij of kruid, maar een peulvrucht. Die opmerking klopt deels, want de vlindererwt produceert een peul met zes tot tien erwten. Die zijn eetbaar en worden dus ook gegeten.
De bloem wordt in Zuidoost-Azië echter gebruikt als natuurlijke kleurstof om diverse gerechten blauw te kleuren. In de Maleise keuken wordt het kruid bunga telang genoemd. Rijst wordt in een waterig extract van de bloemen gekookt, waardoor er een blauwige waas over komt. Deze rijst wordt nasi kerabu genoemd. Klinkt niet zo heel smakelijk, zo hoor ik je bijna denken.

In Thailand wordt met de kleurstof uit de bloemen een siroop verkocht met de naam nam dok anchan. Soms worden daar voor de consumptie nog wat druppels limoensap aan toegevoegd, waardoor de kleur verandert in rozig paars (of paarsig roze). In de Birmaanse en Thaise keukens worden de bloemen ook in beslag gedoopt en gebakken.
Er is zelfs een vlindererwtenthee. Een thee of tisane met de bloemen van de vlindererwt en citroengras. Met een druppeltje citroen- of limoensap wordt deze thee paars. Gemixt met hibiscusbloesem wordt de thee juist helderrood van kleur.

De vraag is natuurlijk waarom je 'blauw' aan je gerechten of dranken wilt toevoegen. Het antwoord luidt: omdat het lijkt dat stofje in de vlindererwt zou kunnen werken tegen astma-aanvallen als gevolg van een allergie[1].

[1] Singh et al: Anti-allergy and anti-tussive activity of Clitoria ternatea L. in experimental animals in Journal of Ethnopharmacology – 2018

Kleine Pimpernel

In 1905 verscheen een boek dat Barones Orczy beroemd zou maken, ‘De Rode Pimpernel’. Het boek verhaalde over de avonturen van een aristocratische Engelse spion, Sir Percy Blakeney, die in de tijd van de Franse revolutie (1789–1799) edellieden uit handen van het muitende Franse gepeupel probeerde te houden. Maar de rode pimpernel (sanguisorba officinalis) is ook een plant en het is één van de weinige planten in Noord-Europa met scharlakenrode bloemen.
Die beroemde rode pimpernel heeft een wat onderbelicht gebleven kleiner familielid. De kleine pimpernel (Sanguisorba minor) is een tot 90 centimeter hoog opgroeiende voorzomerbloeier met een behaarde steel. De blaadjes hebben rossige deelblaadjes, die hoogstens twee centimeter lang worden. Deze plant bloeit met groenige bloemen. Deze soort is inheems in grote delen van Europa, Noordwest-Afrika en westelijk Azië.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Sanguisorba, is een combinatiewoord uit het Latijn: sanguis is 'bloed' en sorbere is 'absorberen. Samen is dat natuurlijk 'bloedabsorberend' en inderdaad is dat één van de effecten die men vroeger toedacht aan het gebruik van dit kruid. Het tweede deel, minor, betekent uiteraard '(de) kleinere'.

Hoewel de kleine pimpernel precies dezelfde medische toepassingen heeft als zijn groete broer, werd hij in vroeger tijden voornamelijk ingezet als keukenkruid. In enkele regionale keukens van Europa wordt de kleine pimpernel nog steeds toegepast als ingredient is salades en dressings. Het heeft een smaak die beschreven wordt als 'neigend naar komkommer'. Veel oude recepten vinden dat je munt eenvoudig door kleine pimpernel kunt vervangen. Alleen de jonge blaadjes worden gebruikt, want als die blaadjes ouder worden, krijgen ze een meer bittere smaak.

De kleine pimpernel werd ooit zo'n belangrijk belangrijk keukenkruid geacht dat hij als zaad mee werd genomen door de eerste Engelse kolonisten die zich in Noord-Amerika wilden vestigen. Die pilgrim fathers bestonden uit een paar families die in 1607 vanuit Engeland de wijk hadden genomen naar Nederland vanwege de 'politieke situatie'. Daarmee werd bedoeld dat ze in Engeland niet meer hun superstrenge vorm van geloof mochten uitoefenen. Maar in Nederland bleken de zeden weer te losjes voor hun smaak en dus besloten ze in 1617 de noordoostelijke kuststreek van de latere USA maar hun eigen gemeenschap te stichten. De eerste strenge winter werd hun bijna fataal en de overlevenden moesten door de Indianen gered worden.

De oorsprong van de naam 'pimpernel' heeft men ook weten te verklaren. De naam komt vermoedelijk vanuit het oud-Franse woord piperinus dat in de Middeleeuwen zoiets als 'peperachtig' betekent omdat de vruchten op peperkorrels lijken.

Neem

De neem (Azadirachta indica) behoort tot de familie der mahonia-achtigen (Meliaceae). De soort is inheems op het Indiase subcontinent, Sri Lanka en de Maladiven, maar is tegenwoordig wereldwijd in de tropen aangeplant.
Deze snelgroeiende boom kan tot wel 20 meter hoog opgroeien. Hij bloeit met kleine, witte bloemen met een aangename geur. Na de bloei ontwikkelen zich olijfvormige vruchten, welke in de meeste gevallen één pit bevatten. Het velletje van de vrucht (exocarp) is dun en de pulp (mesocarp) is gelig wit en bitterzoet van smaak. De vruchten (en in mindere mate de zaden) zijn een bron van neemolie, in de thuislanden veel gebruikt als kookolie.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Azadirachta, is een combinatiewoord uit het Perzisch, waar azad 'vrij' betekent en dirakht 'boom'. Samen is dat dus 'vrije boom'. Het tweede deel indica is Latijns en betekent '(uit) India'.

De zachte scheuten en bloemen van de neem worden gegeten als groente in India. Een soepachtig gerecht met de naam veppampoo charu wordt bereid met neembloemen en wordt in de Indiase deelstaat Tamil Nadu gegeten. In (de Golf van) Bengalen worden jonge bladeren van de neem gefrituurd in olie, samen met kleine blokjes aubergine. Dit gerecht wordt nim begun genoemd en is een voorgerecht dat met rijst wordt opgediend. In Birma worden ingemaakte neembladeren gegeten met tomaat en vissaus.

Toch zullen maar weinig mensen echt genieten van een gerecht met neembladeren, want die zijn extreem bitter, zelfs na bakken of frituren. Soms worden ze samen met tamarinde gekookt om de bittere smaak maar wat te maskeren.

Je staat er soms echt versteld van wat voor een creatieve oplossingen planten kunnen verzinnen om vraatzucht tegen te gaan. Neem is namelijk wel een bewezen natuurlijke pesticide. Neem bevat namelijk stofjes die de werking van hormonen van insecten beïnvloeden. Die grijpen in in de levenscyclus van het insect, waardoor die zich niet voeden en zelfs afzien van het leggen van eitjes.

Neem wordt in India en aanliggende landen gezien als een soort panacee. In de Ayurveda, een alternatieve vorm van geneeskunst, wordt neem aangewend voor allerlei ziektebeelden. De moderne wetenschap heeft echter moeten vaststellen dat er 'onvoldoende onderzoek is gedaan' naar de werkelijke voordelen van neem. Wel kan het gebruik leiden tot abortus en onvruchtbaarheid[1]. Gezien het effect op insecten lijkt me dat laatste niet zo vreemd.

[1] Upadhyay et al: Antifertility effects of neem (Azadirachta indica) oil in male rats by single intra-vas administration: an alternate approach to vasectomy in Journal of Androly – 1993

Rode klaver

Rode klaver (Trifolium pratense) is van Europese oorsprong, maar heeft ondertussen de wereld weten te veroveren. Dat komt omdat men in de rode klaver een geweldig voedergewas heeft gezien. Het bindt stikstof in de bodem en daardoor is het een nuttige en goedkope natuurlijke bemester.
Dit kruid is een laagblijvende tweejarige of overblijvende plant, die van de voorzomer tot de herfst bloeit met paarsrode, roze of witte bloemen. Die laatste kleur maakt het soms lastig om hem van de witte klaver (Trifolium repens) te onderscheiden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Trifolium, heeft een Latijnse oorsprong en is een combinatiewoord van tri ('drie') en folium ('blad'). Dit geslacht heeft drie deelblaadjes, maar uiteraard is de natuur niet voor één gat te vangen en hebben sommige klavertjes soms ook vier of vijf deelbladen. Het tweede deel, pratense, komt van het Latijnse woord pratus, dat 'weide' betekent. Het moet gelezen worden als '(het groeit in de) weide'.

In vroeger tijden werd de rode klaver als middeltje tegen krampen gebruikt, maar ook hoestbuien, bronchitis en kinkhoest zouden als sneeuw voor de zon verdwijnen. Ook werd het gezien als stimulerend middel voor lever en gal. Verder deed een aftreksel van rode klaver soms dienst als medicijn tegen de geslachtsziekte syfilis en zou het verzachtend werken bij brandwonden en zweren. Vochtige kompressen konden de klachten van reuma en jicht verlichten. Uiteraard zijn al deze toepassingen wetenschappelijk onbewezen.

Rode klaver bevat isoflavonen. Dat zijn natuurlijk voorkomende hormoonachtige stoffen. Die hebben in het menselijk lichaam hetzelfde effect als het vrouwelijke oestrogeen. Daarom wordt een extract van rode klaver ook regelmatig aangetroffen in middeltjes die overgangsklachten proberen te verminderen. Het probleem is echter dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat deze extracten nauwelijks enige invloed op die overgangsklachten hebben[1]. Dat is jammer omdat u er vaak wel veel geld voor betaald heeft.

Maar het grootste probleem van de rode klaver is toch wel dat de isoflavonen wel degelijk ingrijpen op de receptoren voor hormonen. Daardoor zouden mensen, die een voorgeschiedenis of een familiehistorie hebben van borstkanker, baarmoederhalskanker, eierstokkanker, vleesbomen of endometriose (een chronische ziekte waarbij baarmoederweefsel groeit op plaatsen buiten de baarmoeder), de handen onmiddellijk moeten aftrekken van extracten met rode klaver[2].

Rode klaver bevat bovendien ook coumarine en daarvan is bekend dat het bloedverdunnend is[3]. Mensen, die last hebben van bloedstollingsstoornissen of een antistollingsmedicijn slikken, moeten daarom extra voorzichtig zijn. Let wel: zelfs aspirine heeft al een antistollende werking.

[1] Lethaby et al: Phytoestrogens for menopausal vasomotor symptoms in Cochrane Database of Systematic Reviews - 2013
[2] Bodinet et al: Influence of marketed herbal menopause preparations on MCF-7 cell proliferation in Menopause - 2004
[3] Abebe: Herbal medication: potential for adverse interactions with analgesic drugs in Journal of Clinical Pharmacy and Therapeutics - 2002

Eikenbast

Aha, zo zul je mogelijk denken, eindelijk een specerij van eigen bodem. De zomereik (Quercus robur) werd door heidenen al vereerd voordat het Christendom zijn klauwen in heidense gebruiken zette. De bekenste eik is daardoor die bij Dokkum omdat de christelijke missionaris Bonifatius het nodig vond te bewijzen dat zijn god machtiger was dan die van de Friezen. De eik en Bonifatius overleefden beide niet en dus was de eindstand 1:1.
Ooit bewoonde de zomereik delen van Zuid-Europa, maar hij volgde het terugtredende ijs na de afloop van de laatste ijstijd. Zodoende is hij ook op een natuurlijke manier in ons land aangekomen. Het is een loofboom die uiteindelijk wel meer dan 1200 jaar oud kan worden en de stam heeft dan een omtrek van meer dan 10 meter.

De herkomst van het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Quercus, is volstrekt onduidelijk. Taalgeleerden komen niet verder dan dat quercus in het Latijn 'eik' betekende. Vermoedelijk is quercus echter verwant aan 'kurk'. De bast van de kurkeik (Quercus suber) levert namelijk kurk. Via het Latijnse cortex ('bast van een boom' of 'kurk') komen we dan uit bij het oud-Griekse keiro (κείρω) dat 'afkappen' of 'afscheren' betekende. Het tweede deel, robur, betekent 'sterk' en verklaart het superharde hout.

Eikels worden met smaak opgepeuzeld door diverse diersoorten. Naast allerlei vogels en knaagdieren, houden ook varkens, zwijnen, beren en herten veel van eikels. Omdat die eikels veel tannine bevatten zijn ze voor de mens te bitter. Bovendien zijn die in grotere hoeveelheden ongezond en moet er eerst een bewerking plaatsvinden om dat stofje eruit te krijgen. Van eikels kan eikelmeel gemaakt worden en dat was ooit een belangrijke voedingsbron in vele culturen, zeker tijdens periodes van hongersnood.

Van de schors kan een thee tisane getrokken worden en dan zou het kunnen helpen tegen diarree, verkoudheid, koorts, hoesten en bronchitis. Tevens werd het ooit ingezet om de eetlust te stimuleren en de spijsvertering te verbeteren. Gebruik de thee tisane echter niet langer dan een dag of drie, want de tannines kunnen ernstige bijwerkingen opleveren, zoals maag- en darmproblemen of zelfs onomkeerbare schade aan lever en nieren.

In de 17de eeuw werd een aftreksel van eikenbast gebruikt om alcoholisten te genezen van hun verslaving. Dat het hielp begrijp ik dus perfect. Zonder lever en nieren heb je geen behoefte meer aan alcohol. Je bent namelijk gewoon dood.

Moerasandijvie

Moerasandijvie (Senecio congestus) is een bleekgroene, ietwat wollig-behaarde één of tweejarige plant die kan opgroeien tot een hoogte van een meter. Hij is in het bezit van lancetvormige, ietwat gekartelde bladeren. Hij bloeit, zoals al zijn familieleden met gele stervormige bloemen Zoals zijn naam al aangeeft houdt hij van natte voeten en kan waargenomen worden in ondiepe drassige gebieden en aan de oever van stroompjes. Deze bloemen zitten zo vol met nectar dat ze een sterke honinggeur verspreiden. Een 17de-eeuwse benaming van deze plant was ooit 'honingriekende Conyza'.
[Foto: Tigerente]

Het areaal van moerasandijvie bestrijkt zo'n beetje het gehele noordelijk halfrond, van noordelijk Europa, tot nog noordelijker Siberië en Noord-Amerika. In Alaska komt hij in een iets gewijzigde vorm ook voor. In Nederland is moerasandijvie een zeldzame verschijning. Zo zeldzaam zelfs dat men ooit dacht dat hij hier uitgestorven was. De inpoldering van de Zuiderzee naar het IJsselmeer zorgde echter voor het landschap waar moerasandijvie perfect kon gedijen. Kennelijk heeft moerasandijvie dat zetje in de rug nodig gehad, want – hoewel hij nog steeds niet veel voorkomt – in het Waddengebied kan hij tegenwoordig worden aangetroffen op Texel en in het Lauwersmeergebied.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Senecio, is afgeleid van het Latijnse woord senex, dat 'oud' betekent en wordt hier gebruikt met de betekenis van 'grijsaard' als gevolg van het al snel zichtbaar wordende grijze vruchtpluis. Het tweede deel, congestus, doet denken aan het Engelse woord congestion, wat 'opstopping', 'file' of 'opeenhoping' betekent. Het is terug te voeren op het Latijn, waar het een combinatiewoord is van con 'met' of 'samen' plus gero 'dragen'. Samengevoegd is dat zoiets als 'erg dicht opeengepakt'. Het verklaart de neiging van deze plant om plotseling met duizenden exemplaren aanwezig te zijn op een plek.

Nu is het zo dat alle familieleden van de moerasandijvie, waaronder rivierkruiskruid, duinkruiskruid, jacobskruiskruid, klein kruiskruid en zilverkruiskruid, soms dodelijk giftig zijn. Het is daarom niet verwonderlijk om te denken dat ook moerasandijvie niet al te gezond kan zijn.

Het tegendeel is echter het geval. Moerasandijvie wordt her en der als een groente gezien en is veilig voor menselijke consumptie. De jonge bladeren kunnen als salade gegeten worden, gekookt als groente of zelfs als een soort zuurkool worden ingemaakt.

Denk nu niet dat je hem binnenkort bij Albert Heijn kunt aantreffen op de groente-afdeling. Het eten van moerasandijvie gebeurde vaak niet uit luxe, maar uit armoede. In het polderlandschap ten noorden van Amsterdam, gebruikte men onder andere de naam 'armoedsbloem' voor moerasandijvie. Dan snap je het vast wel.

Bdellium

Net zoals mirre of mastiek is ook bdellium (of bdellion) een eetbare hars. Bdellium wordt gewonnen uit de Commiphora wightii en de Commiphora africana. De eerste heeft zijn oorspronkelijke thuishaven in Noord-India, terwijl de tweede in Ethiopië, Eritrea en delen van Afrika die ten zuiden van de Sahara kan worden aangetroffen.
Bdellium bestaat uit een wateroplosbare gom, een hars en een essentiële olie. De combinatie wordt gebruikt in de parfumerie, als wierook en in diverse traditionele medicaties. Het wordt overigens ook vermengd met het veel duurdere mirre. Daarom wordt bdellium ook ingezet voor alle kwalen waar mirre ook werkzaam zou kunnen zijn.

De naam bdellium stamt via het oud-Engels en het Latijn uit het oud-Griekse bdellion (βδέλλιον). Die hebben het weer uit het Hebreeuws geleend, want daar betekende bdólakh (בְּדֹלַח) zoiets als 'broos', 'breekbaar' of 'eenvoudig te splitsen of te breken'. Het verklaart de toestand van bdellium in gedroogde toestand. Het wordt ietwat vloeibaar in de zon of als je het in de warme hand houdt.

Als we de Statenbijbel openslaan dan ontdekken we in Numeri 11:7 de zin 'Het Man (ofwel Manna) nu was als korianderzaad, en zijn verf (ofwel kleur) was als de verf van den bedolah'. Wat was nu de kleur van die bedolah? Het antwoord vinden we in Exodus 16:14, want daar wordt manna vergeleken met 'liggende dauw'. In de Engelstalige Bijbel staat het iets duidelijker omschreven als frost on the ground of hoar frost en dat is 'rijp'. Met andere woorden: de kleur van Afrikaanse bdellium is wit en dat is vrijwel correct. De Aziatische variant is bruiniger van kleur.

In 'Oude Geschiedenis van de Joden' of 'Jewish Antiquities' van Flavius Josephus (37nCr-100nCr) wordt het volgende over bdellium gezegd: [mijn vertaling] '… ze waren blij met het voedsel, omdat het zoals honing was in zoetigheid en [met een] plezierige smaak, maar qua vorm [was het] als bdellium, een van de zoete specerijen, en in grootte gelijk aan korianderzaad.'

Al eerder vonden Egyptenaren bdellium een perfecte keus om menig farao mee te balsemen.

Njangsa

Als het gaat om het toepassen van allerlei plantaardige producten als ingrediënt in maaltijden dan kent de menselijke vindingrijkheid nauwelijks grenzen. De toenemende bereidheid om exotisch te gaan eten zorgt er ook in Nederland voor dat we steeds meer kruiden en specerijen in ons keukenkantje hebben staan.
Maar is sommige opzichten is Afrika nog steeds een dark continent, zoals het ooit in de Victoriaanse tijd werd genoemd. Die donkere plekken op de kaart lieten ontdekkingsreizigers naar de oorsprong van de Nijl zoeken of naar verdwenen koninkrijken in Centraal Afrika. Ook qua kruiden en specerijen zijn de diverse Afrikaanse keukens nog volstrekt onbekend. Een voorbeeld daarvan is njangsa.

De boom njangsa (Ricinodendron heudelotii) groeit in tropische delen van West-Afrika. Omdat in die contreien nogal wat stammen leven met volstrekt afwijkende talen, is het duidelijk dat de njangsa ook onder diverse andere namen bekend staat. Zoals zo veel bomen in het tropisch regenwoud groeit ook deze versie erg snel. Hij kan hoogtes bereiken van 20 tot 50 meter en hij heeft dan een stamdiameter van 2.70 meter. De njangsa bloeit met kleine witte bloemen die in een grote tros hangen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ricinodendron, is alvast een combinatiewoord uit het oud-Grieks, waar ricinus 'hondenteek' betekent en dendron 'boom'. Het verklaart de vorm van het blad. Het tweede deel, heudelotii, eert de Franse botanicus Jean-Pierre Heudelot (1802-1837), die tussen 1828 en 1837 planten verzamelde in Guinea en Senegal.

Vooral de oliehoudende zaden, ook njangsa genaamd, zijn erg populair bij de plaatselijke bevolking. Ze hebben een opvallende geur en smaak. Eerst worden ze gedroogd en vervolgens vermalen tot een pasta. Die pasta wordt vervolgens gebruikt als verdikkingsmiddel voor soepen, sauzen en stoofpotjes. Gedroogde zaden kunnen ook gestoomd worden, waarna men ze verkruimelt en als smaakversterker in rijstmaaltijden verwerkt. De jonge bladeren worden als groente gegeten.

Een extract van de schors wordt toegepast als traditioneel medicijn tegen vergiftigingen, omdat – naar nu blijkt – de zaden lupeol bevatten. Er is vastgesteld dat lupeol ontstekingsremmende eigenschappen heeft[1]. Toch knap van die medicijnmannen.

[1] Geetha, Varalakshmi: Anti-inflammatory activity of lupeol and lupeol linoleate in rats in Journal of Ethnopharmacology- 2001 .