Selimpeper

Ik geef toe dat het lastig was om een acceptabele Nederlandse naam te vinden voor deze specerij. In het Engels wordt hij meestal grains of Selim genoemd, maar het is zeker geen graansoort. In het Duits en Engels wordt deze specerij ook Mohrenpfeffer, Negerpfeffer, Moor pepper of Negro pepper genoemd. Om allerhande lange tenen te beschermen zullen we hem Selimpeper (Xylopia aethiopica) noemen. Voor de duidelijkheid: de Selimpeper wordt ook gewonnen uit een aantal zeer verwante bomen, maar we gaan het niet moeilijker maken dan het al is.
De selimpeperboom is een boom die een hoogte kan bereiken van wel 30 meter. Hij groeit in de tropische laaglanden van Afrika, in de vochtiger savannagebieden van Afrika en in het regenwoud. Het hout van de boom is termietbestendig en wordt veel gebruikt als constructiehout. De bast wordt gebruikt in de meubelmakerij en om een infusie van te trekken tegen bronchitis.

De boom wordt vermeerderd uit zaad. De eerste drie jaar maakt de boom een sterke groei door, daarna neemt hij gas terug. In West-Afrika bloeit de bloem twee maal per jaar, van maart tot juli en van oktober tot december. De peulen worden onrijp aan de steel als bosje geoogs. Na het oogsten worden de nog geboste peulen enkele dagen in de zon gedroogd en pas daarna van de steel geplukt, maar ze worden in Afrika ook in bosjes verkocht.

De vruchten zijn tot vijf centimeter en hebben een twist. Tijdens het drogen kleuren ze donkerbruin. Elk peul bevat 5 tot 8 zaden van zo'n 5 millimeter groot.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Xylopia, is een combinatiewoord uit het Grieks, waar xylon (ξύλον) 'bitter' betekent en pikron (πικρόν) 'hout'. Samen is dat dus 'bitter hout'. Het tweede deel, aethiopica, is uiteraard '(uit) Ethiopië'.

Nu zou je verwachten dat het de zaden zijn die peperachtig smaken, maar dat is niet het geval. Het zijn de peulen die de pittigheid in zich dragen. De gebruikers doen echter geen moeite om die zaden uit die peulen te halen en vermalen alles. Men omschrijft de smaaksensatie als een mix van cubeb peper en nootmuskaat met een en wat harsige nasmaak. Deze specerij wordt vaak gerookt gedurende het droogproces en dat resulteert in een heerlijke wat rokerige en pittige smaak. Ze worden of vermalen of in zijn geheel toegevoegd aan soepen of stoofpotjes. In het tweede geval worden de Selimpepers verwijderd als het gerecht klaar is.

Dat de natuur volstrekt onvoorspelbaar is, blijkt wel uit het feit dat een broertje van de Selimpeper in Zuid-Amerika woont. De burro peper (Xylopia aromatica) wordt op precies dezelfde manier gebruikt door de inheemse bevolking als die in Afrika.

Afrikaanse nootmuskaat

Portugese, Engelse en Nederlandse zeevaarders hebben eeuwenlang strijd geleverd om de Banda Eilanden, een paar eilandjes die tot de Molukken behoren en nu onderdeel zijn van Indonesië. Op die Banda Eilanden groeide de nootmuskaatboom (Myristica fragrans). De specerijen van die boom, nootmuskaat en foelie, zorgden samen zo'n beetje voor de grootste bron van inkomsten voor de VOC, de Vereenigde Oostindische Compagnie.
Het was zeker de moeite waard geweest om die duizenden zeemijlen af te leggen om met zo'n kostbare lading in vaderlandse havens terug te keren, maar misschien was het allemaal niet zo nodig geweest. In tropisch Afrika groeit namelijk een familielid van de nootmuskaat, de Afrikaanse nootmuskaat (Pycnanthus angolensis).

Omdat in de tropen nauwelijk sprake is van seizoenen is ook de Afrikaanse nootmuskaat een altijdgroene boom. Deze boom kan tot 40 meter hoog worden met een stam die anderhalve meter in doorsnede is. De leerachtige bladeren zijn wel 30 centimeter lang. De bloemen zijn roestkleurig en bloeien in trossen bijeen. De vrucht zit logischerwijze ook in trossen, is druppelvormig en is zo'n drie centimeter lang. In die bruine, maar later verkleurend tot geeloranje vrucht, zit een zwarte pit, die op een nootmuskaatnoot lijkt. Om die pit zit een rode zaadmantel of zaadrok en die lijkt weer precies op foelie.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Pycnanthus, is weer eens een combinatiewoord uit het Grieks, waar pyknos (πυκνός) zoiets als 'veel' betekent en anthos (ἄνθος) 'bloem'. Samen is dat dus 'veelbloemig' of 'met veel bloemen'. Het tweede deel, angolensis, betekent '(uit) Angola'.

Goed, we hebben dus een familielid van de nootmuskaat, die daar ook nog eens behoorlijk op lijkt. Hoe zou de Afrikaanse nootmuskaat smaken? Het antwoord is eenvoudig: de Afrikaanse nootmuskaatnoot ruikt en smaakt precies zoals de Aziatische nootmuskaatnoot, al melden kenners dat de noot een iets pittiger nasmaak geeft. Geen wonder dat het een veelgebruikte specerij is in de diverse West-Afrikaanse cuisines.

In oostelijk Nigeria wordt de Afrikaanse muskaatnoot vermalen en in soepen verwerkt. Zo'n soep zou helpen tegen verstopping en tegen overmatig bloeden van de baarmoeder nadat een kind geboren is. Wetenschappelijk onderzoek heeft in ieder geval aangetoond dat de schors van de Afrikaanse nootmuskaat kan helpen om koorts en malaria te behandelen[1]. Daar waren de traditionele genezers op Sao Tomé en Principe, een eilandengroep voor de kust van West-Afrika al eeuwen geleden achter gekomen. Voor hen was het yesterday's news.

[1] Ramalhete et al: Search for antimalarial compounds from Pycnanthus angolensis in Planta Medica - 2009

Ecuadoraanse kaneel

Soms krijg je van die kleine aanwijzingen dat continenten vroeger hele andere posities innamen als nu het geval is. Bepaalde plantenfamilies komen bijvoorbeeld op verschillende werelddelen voor en dat moet betekenen dat hun voorouders ooit op één landmassa geleefd moeten hebben. Een voorbeeld daarvan blijkt de laurierfamilie te zijn, want in Zuidoost-Azië groeit de kaneelboom (Cinnamomum zeylanicum), terwijl in Midden-Amerika de Ecuadoraanse kaneelboom (Ocotea quixos) zijn wortels in de bodem plant.
[Foto: Gernot Katzer]
De Ecuadoraanse kaneelboom een een altijdgroene boom, die inheems is in de oerwouden van Ecuador en Colombia. Het is een boom, waarvan de bast een kaneelachtig aroma heeft en die wordt gebruikt als specerij door diverse plaatselijke inheemse stammen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ocotea, is afgeleid van de plaatselijke naam van de plant in Frans Guyana: de Garipons noemden de boom aiou-hou-ha. De nieuw aangekomen Spaanse kolonisten verstonden dat – vreemd genoeg - als ocotea. Het tweede deel, quixos, is via het Galiciaans afgeleid van het Latijnse woord quaerō, wat 'zoeken naar' of 'verlangen naar' betekent. Die kolonisten verlangden kennelijk naar kaneel.

Net zoals de (Aziatische) kaneel wordt de Ecuadoraanse kaneel ook gewonnen door de bast van de boom te schillen. Ook de gedroogde bloemen kunnen als smaakmaker toegepast worden in diverse plaatselijke gerechten en die staan bekend als Flor de Canela.

De smaak van de Ecuadoraanse kaneel wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van methyl cinnamaat and trans-cinnamaldehyde. Diezelfde essentiële oliën worden ook aangetroffen in de bloemkelken. Methyl cinnamaat wordt ook aangetroffen in aardbeien, sichuanpeper en sommige varianten basilicum. In (Aziatische) kaneel zit overigens ethyl cinnamaat, een variant. De trans-cinnamaldehyde geeft inderdaad ook de bekendere kaneelversie zijn zo herkenbare geur en smaak.

Oude documenten tonen aan dat Ecuadoraanse kaneel al ten tijde van de Inca's voor het kruiden van gerechten en voor offerandes werd gebruikt. Kennelijk moesten ook offers voor de goden lekker smaken.

De essentiële olien van de Ecuadoraanse kaneel werden overigens ook toegepast in de traditionele geneeskunde van enkele volkeren in het Amazonegebied. De stofjes hebben namelijk een ontstekingsremmende werking. Modern wetenschappelijk onderzoek lijkt die werking inderdaad aan te tonen voor de al genoemde trans-cinnamaldehyde. Hetzelfde onderzoek toonde aan dat de methyl cinnamaat dat effect niet vertoonde. Ook is aangetoond dat de essentiële olie de kans op vorming van bloedstolsels kan verminderen doordat het bloedplaatjesaggregatie in het bloed voorkomt.

Hoewel deze vorm van kaneel in ons land uiteraard volstrekt onbekend is, is het wél in een interessante specerij om achter de hand te houden. Stel dat de reguliere kaneel het slachtoffer wordt van een uitbraak van een virus of handelsoorlog...

Herbamare

Het voedingscentrum wil dat je steeds minder zout gebruikt. Ongeveer 80% van de Nederlandse bevolking krijgt meer zout binnen dan de maximaal aanbevolen hoeveelheid van 6 gram zout per dag. De helft van de volwassenen van 19 tot 70 jaar eet zelfs 8,2 gram zout per dag of meer.

De chemische naam van zout is natriumchloride (afgekort tot NaCl). Dat betekent dat de helft van het zout bestaat uit natrium en de andere helft uit chloride. Als we het over de problemen van zout hebben dan gaat het eigenlijk over natrium, want dat element heeft een bloeddrukverhogend effect.

Van nature zit er niet zoveel natrium ons voedsel en we stoppen het dus zelf in ons voedsel. Vooral kant-en-klaar maaltijden zitten nog steeds boordevol zout. Het is namelijk ook een goedkoop conserveermiddel. Bij Albert Heijn kost een hele kilo zout je maar €0.35.
Om minder zout te gebruiken zijn er veel mogelijkheden. Je kunt zout vervangen door smakelijke kruiden en specerijen, maar je kunt zout ook gewoon weglaten uit je zelf bereide maaltijden. Het grote voordeel daarvan is dat je de natuurlijke smaken van de ingrediënten eindelijk weer kunt proeven, want die werden voordien grotendeels gemaskeerd door de smaak van zout.

Maar er bestaan ook gewetenloze bedrijven die dit probleem zien als een kans om geld te verdienen. Eén van die bedrijven is A. Vogel, opgericht door een charlatan die zichzelf onterecht dokter heeft genoemd. A.Vogel brengt Herbamare© op de markt.

Herbamare bestaat voor 94% uit zout, aangevuld met 6% groenten en kruiden. Het wordt aangeprezen als een vervanging van keukenzout. Volgens mij is 94% zout nog steeds bijna 100% zout en die 6% is een volstrekt verwaarloosbaar verschil als je een beetje op je zoutinname wilt gaan letten.
A. Vogel noemt Herbamare hier 100% natuurlijk en zuiver plantaardig. Dat is een uiterst vreemde claim, want zout is uiteraard helemaal geen plantaardige stof. Die opmerking is simpelweg rijp voor een oordeel van de Reclame Code Commissie.
Overigens kost 250 gram Herbamare je €3.99. Dat is omgerekend een kiloprijs van €15.96. Die prijs riekt naar oplichting.

Johannesbroodpitmeel

Het is een prachtig woord voor 'galgje', een woordspelletje: johannesbroodpitmeel. Het is het 'meel' van zaden van van de johannesbroodboom (Ceratonia siliqua), een boom die inheems is aan de kusten van de oostelijke Middellandse Zee, maar zich in de loop der millennia het uitgebreid tot de hele Mediterranee. De johannesbroodboom is lid van de familie van de peulvruchten en is dus verwant aan de erwt, bruine boon en tuinboon.
[Rijpe johannesbroodpeulen]
Deze boom levert twee specerijen, kruiden en/of ingrediënten: johannesbroodpitmeel en carobepoeder. Het eerste wordt verkregen door het malen van de kiemende zaden en wordt als verdikkingsmiddel gebruikt, terwijl het tweede wordt verkregen door geroosterde peulen te vermalen en meel oplevert.

De johannesbroodboom kan uitgroeien tot een hoogte van 15 meter. Hij is in het bezit van een dikke stam. Deze boom bloeit met onopvallende mannelijke of vrouwelijke bloemen in de herfst. Men zegt dat de mannelijke bloemen zo'n beetje dezelfde geur hebben als die van (mannelijk) zaad. Daarna ontstaan de tot 30 centimeter lange peulen die een vol jaar nodig hebben om te volgroeien en te rijpen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam Caratonia, is afkomstig van het klassiek Grieks, waar keration (κερατιον) afgeleid is van κέρας (hoorn). Het beschrijft de vorm van de peul. Het tweede deel, siliqua, is Latijns voor 'peul'. Samen is dat dus: 'gehoornde peul' of 'peul die lijkt op een hoorn'.

De gedroogde en vermalen peulen van de johannesbroodboom worden in landen als Griekenland gebruikt als meel ten behoeve van cakes en koekjes. Het meel is wat zoetig van smaak. Geroosterde en vermalen peulen doen dienst als alternatief voor cacao, al lijkt de smaak helemaal niet die van chocolade. Op Malta wordt bijvoorbeeld een traditioneel snoepje gemaakt dat gedurende de vastenmaand en Goede Vrijdag wordt gesnoept: Karamelli tal-Ħarrub.
Johannesbroodpitmeel wordt in de EU als volstrekt natuurlijk verdikkingsmiddel toegepast en is veilig bevonden onder de aanduiding E410. Het is geschikt voor vegetariërs, veganisten en mensen met notenallergie. Bovendien is het kosher en halal.

De vermalen gekiemde zaden vinden hun weg naar de bakkerij-industrie en in babyvoeding. Baby's die wat te veel spugen en daardoor een groei-achterstand dreigen op te lopen, krijgen daarom johannesbroodpitmeel door hun voeding. De babyvoeding wordt daardoor iets dikker van structuur en zal minder snel worden teruggegeven.

Moeders, die wat ongerust zijn, kunnen de Johannesbroodpitmeel simpelweg aanschaffen in de natuurvoedingswinkel* om de hoek. Overleg dan wel eerst even met je huisarts of het consultatiebureau (ook wel het 'consternatiebureau' genoemd). Bakkers zullen hun veel grotere behoefte aan dit verdikkingsmiddel bij een gespecialiseerde groothandel als Snick EuroIngredients moeten bestellen.

* Neem even contact op als jouw bedrijf een link zou waarderen.

Varkensgras

Harlingers, die hun blik wel eens naar beneden richten, moet het opgevallen zijn: tussen de tegels groeit de laatste twee jaar plotseling een laagblijvend plantje. Het kruipgoed lijkt zich zelfs explosief uit te breiden en de vraag is daarom welk plantje het nodig vond om onze stad te veroveren.
De naam van dit plantje is varkensgras (Polygonum aviculare). Die naam zou het plantje danken aan het feit dat het ooit door rondscharrelende varkens werd gegeten, samen met de grassen die er omheen groeiden. Ik denk dat het een verzonnen verhaal is, plus varkensgras is namelijk ook nog eens geen gras. Nee, varkensgras is een lid van de familie van duizendknopen en daarom zou de naam 'liggende duizendknoop' veel meer voor de hand liggen.

Varkensgras is een pioniersoort die algemeen voorkomt op plekken waar behoorlijk veel stikstof en fosfaat in de bodem zit. Het is een eenjarige, dof donkergroene plant met soms naar rossig neigende stengels. Hij kiemt omstreeks mei en vormt allereerst een rechtopstaande hoofdstengel. Dan vertakt hij zich en ontstaat er een mat van kringvormige stengels. Hij wortelt diep met een penwortel, waardoor hij beter droogte en nattigheid kan overleven dan grassen en mossen. De meest natuurlijke standplaats van varkensgras is te vinden aan de zilte zeekust, waar het op het vloedmerk groeit. En daar is het antwoord waar varkensgras zo plotseling vandaan gekomen is. Het plantje is aan de kust ontsnapt en zoekt nu zijn weg landinwaarts.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Polygonum, is een combinatiewoord uit het Grieks: poly (πολυ) is 'veel' en gonna (γοννα) is 'knoop' of 'gewricht'. De Grieken wilden niet tot duizend tellen en vonden veelknoop wel genoeg. Het tweede deel, aviculare, is Latijn en betekent 'kleine vogel', een verklaring van de piepkleine witte bloempjes.

Varkensgras is dus geen exoot, maar een inheemse plant die zijn leefgebied uitbreidt. Misschien door de opwarming van de aarde, misschien ook door milieuvervuiling. In eerste instantie lijkt de opmars van varkensgras geen probleem, maar hij kan wel een lastpak worden. De gevormde ronde matten kunnen meer dan een meter in doorsnede worden en na een regenbui kunnen die behoorlijk glad worden. Dat levert weer een gevaar op voor mensen die slecht ter been zijn.

Wat kunnen we aan varkensgras doen? We zouden een stadskudde varkens kunnen loslaten op het probleem, maar daar zal de gemeente Harlingen vast geen toestemming voor geven. Een andere optie is hem als kruid of groente te gebruiken. In zuidelijk Vietnam wordt het rau đắng ('bittere groente') genoemd en veelvuldig gebruikt in soepen en stoofpotjes.

Vlindererwt

Ik geef grif toe dat de butterfly pea (Clitoria ternatea) nog geen officiële Nederlandse naam heeft, maar de letterlijke vertaling van zijn Engelse soortnaam lijkt me een juiste keus. Deze soort is inderdaad een peulvrucht.
Deze plant is inheems in tropische delen van Azië, zoals Thailand en Maleisië, maar is intussen geïntroduceerd in Afrika, Australië en het Amerikaanse continent. De vlindererwt is een overblijvende, kruidachtige plant met elliptisch gevormde bladeren. Deze variëteit erwt hijst zich ook aan alle mogelijke objecten omhoog. Wat het meest opvalt aan de vlindererwt is de kleur van de bloemen: een prachtige diepblauwe kleur (al tooit een enkele ondersoort zich met witte bloemen). Deze bloemen hebben de vorm van een vlinder, al zien sommige biologen er een vrouwelijk geslachtsorgaan in.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Clitoria, is uiteraard eenvoudig te herkennen en is de Latijnse versie van 'clitoris'. Het tweede deel, ternatea, vernoemt het Molukse eiland Ternate, ooit het doel van vele schepen van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) om nootmuskaat en kruidnagelen te laden.

Maar, zo zul je op dit moment misschien opmerken, een erwt is geen specerij of kruid, maar een peulvrucht. Die opmerking klopt deels, want de vlindererwt produceert een peul met zes tot tien erwten. Die zijn eetbaar en worden dus ook gegeten.
De bloem wordt in Zuidoost-Azië echter gebruikt als natuurlijke kleurstof om diverse gerechten blauw te kleuren. In de Maleise keuken wordt het kruid bunga telang genoemd. Rijst wordt in een waterig extract van de bloemen gekookt, waardoor er een blauwige waas over komt. Deze rijst wordt nasi kerabu genoemd. Klinkt niet zo heel smakelijk, zo hoor ik je bijna denken.

In Thailand wordt met de kleurstof uit de bloemen een siroop verkocht met de naam nam dok anchan. Soms worden daar voor de consumptie nog wat druppels limoensap aan toegevoegd, waardoor de kleur verandert in rozig paars (of paarsig roze). In de Birmaanse en Thaise keukens worden de bloemen ook in beslag gedoopt en gebakken.
Er is zelfs een vlindererwtenthee. Een thee of tisane met de bloemen van de vlindererwt en citroengras. Met een druppeltje citroen- of limoensap wordt deze thee paars. Gemixt met hibiscusbloesem wordt de thee juist helderrood van kleur.

De vraag is natuurlijk waarom je 'blauw' aan je gerechten of dranken wilt toevoegen. Het antwoord luidt: omdat het lijkt dat stofje in de vlindererwt zou kunnen werken tegen astma-aanvallen als gevolg van een allergie[1].

[1] Singh et al: Anti-allergy and anti-tussive activity of Clitoria ternatea L. in experimental animals in Journal of Ethnopharmacology – 2018

Kleine Pimpernel

In 1905 verscheen een boek dat Barones Orczy beroemd zou maken, ‘De Rode Pimpernel’. Het boek verhaalde over de avonturen van een aristocratische Engelse spion, Sir Percy Blakeney, die in de tijd van de Franse revolutie (1789–1799) edellieden uit handen van het muitende Franse gepeupel probeerde te houden. Maar de rode pimpernel (sanguisorba officinalis) is ook een plant en het is één van de weinige planten in Noord-Europa met scharlakenrode bloemen.
Die beroemde rode pimpernel heeft een wat onderbelicht gebleven kleiner familielid. De kleine pimpernel (Sanguisorba minor) is een tot 90 centimeter hoog opgroeiende voorzomerbloeier met een behaarde steel. De blaadjes hebben rossige deelblaadjes, die hoogstens twee centimeter lang worden. Deze plant bloeit met groenige bloemen. Deze soort is inheems in grote delen van Europa, Noordwest-Afrika en westelijk Azië.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Sanguisorba, is een combinatiewoord uit het Latijn: sanguis is 'bloed' en sorbere is 'absorberen. Samen is dat natuurlijk 'bloedabsorberend' en inderdaad is dat één van de effecten die men vroeger toedacht aan het gebruik van dit kruid. Het tweede deel, minor, betekent uiteraard '(de) kleinere'.

Hoewel de kleine pimpernel precies dezelfde medische toepassingen heeft als zijn groete broer, werd hij in vroeger tijden voornamelijk ingezet als keukenkruid. In enkele regionale keukens van Europa wordt de kleine pimpernel nog steeds toegepast als ingredient is salades en dressings. Het heeft een smaak die beschreven wordt als 'neigend naar komkommer'. Veel oude recepten vinden dat je munt eenvoudig door kleine pimpernel kunt vervangen. Alleen de jonge blaadjes worden gebruikt, want als die blaadjes ouder worden, krijgen ze een meer bittere smaak.

De kleine pimpernel werd ooit zo'n belangrijk belangrijk keukenkruid geacht dat hij als zaad mee werd genomen door de eerste Engelse kolonisten die zich in Noord-Amerika wilden vestigen. Die pilgrim fathers bestonden uit een paar families die in 1607 vanuit Engeland de wijk hadden genomen naar Nederland vanwege de 'politieke situatie'. Daarmee werd bedoeld dat ze in Engeland niet meer hun superstrenge vorm van geloof mochten uitoefenen. Maar in Nederland bleken de zeden weer te losjes voor hun smaak en dus besloten ze in 1617 de noordoostelijke kuststreek van de latere USA maar hun eigen gemeenschap te stichten. De eerste strenge winter werd hun bijna fataal en de overlevenden moesten door de Indianen gered worden.

De oorsprong van de naam 'pimpernel' heeft men ook weten te verklaren. De naam komt vermoedelijk vanuit het oud-Franse woord piperinus dat in de Middeleeuwen zoiets als 'peperachtig' betekent omdat de vruchten op peperkorrels lijken.

Neem

De neem (Azadirachta indica) behoort tot de familie der mahonia-achtigen (Meliaceae). De soort is inheems op het Indiase subcontinent, Sri Lanka en de Maladiven, maar is tegenwoordig wereldwijd in de tropen aangeplant.
Deze snelgroeiende boom kan tot wel 20 meter hoog opgroeien. Hij bloeit met kleine, witte bloemen met een aangename geur. Na de bloei ontwikkelen zich olijfvormige vruchten, welke in de meeste gevallen één pit bevatten. Het velletje van de vrucht (exocarp) is dun en de pulp (mesocarp) is gelig wit en bitterzoet van smaak. De vruchten (en in mindere mate de zaden) zijn een bron van neemolie, in de thuislanden veel gebruikt als kookolie.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Azadirachta, is een combinatiewoord uit het Perzisch, waar azad 'vrij' betekent en dirakht 'boom'. Samen is dat dus 'vrije boom'. Het tweede deel indica is Latijns en betekent '(uit) India'.

De zachte scheuten en bloemen van de neem worden gegeten als groente in India. Een soepachtig gerecht met de naam veppampoo charu wordt bereid met neembloemen en wordt in de Indiase deelstaat Tamil Nadu gegeten. In (de Golf van) Bengalen worden jonge bladeren van de neem gefrituurd in olie, samen met kleine blokjes aubergine. Dit gerecht wordt nim begun genoemd en is een voorgerecht dat met rijst wordt opgediend. In Birma worden ingemaakte neembladeren gegeten met tomaat en vissaus.

Toch zullen maar weinig mensen echt genieten van een gerecht met neembladeren, want die zijn extreem bitter, zelfs na bakken of frituren. Soms worden ze samen met tamarinde gekookt om de bittere smaak maar wat te maskeren.

Je staat er soms echt versteld van wat voor een creatieve oplossingen planten kunnen verzinnen om vraatzucht tegen te gaan. Neem is namelijk wel een bewezen natuurlijke pesticide. Neem bevat namelijk stofjes die de werking van hormonen van insecten beïnvloeden. Die grijpen in in de levenscyclus van het insect, waardoor die zich niet voeden en zelfs afzien van het leggen van eitjes.

Neem wordt in India en aanliggende landen gezien als een soort panacee. In de Ayurveda, een alternatieve vorm van geneeskunst, wordt neem aangewend voor allerlei ziektebeelden. De moderne wetenschap heeft echter moeten vaststellen dat er 'onvoldoende onderzoek is gedaan' naar de werkelijke voordelen van neem. Wel kan het gebruik leiden tot abortus en onvruchtbaarheid[1]. Gezien het effect op insecten lijkt me dat laatste niet zo vreemd.

[1] Upadhyay et al: Antifertility effects of neem (Azadirachta indica) oil in male rats by single intra-vas administration: an alternate approach to vasectomy in Journal of Androly – 1993

Rode klaver

Rode klaver (Trifolium pratense) is van Europese oorsprong, maar heeft ondertussen de wereld weten te veroveren. Dat komt omdat men in de rode klaver een geweldig voedergewas heeft gezien. Het bindt stikstof in de bodem en daardoor is het een nuttige en goedkope natuurlijke bemester.
Dit kruid is een laagblijvende tweejarige of overblijvende plant, die van de voorzomer tot de herfst bloeit met paarsrode, roze of witte bloemen. Die laatste kleur maakt het soms lastig om hem van de witte klaver (Trifolium repens) te onderscheiden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Trifolium, heeft een Latijnse oorsprong en is een combinatiewoord van tri ('drie') en folium ('blad'). Dit geslacht heeft drie deelblaadjes, maar uiteraard is de natuur niet voor één gat te vangen en hebben sommige klavertjes soms ook vier of vijf deelbladen. Het tweede deel, pratense, komt van het Latijnse woord pratus, dat 'weide' betekent. Het moet gelezen worden als '(het groeit in de) weide'.

In vroeger tijden werd de rode klaver als middeltje tegen krampen gebruikt, maar ook hoestbuien, bronchitis en kinkhoest zouden als sneeuw voor de zon verdwijnen. Ook werd het gezien als stimulerend middel voor lever en gal. Verder deed een aftreksel van rode klaver soms dienst als medicijn tegen de geslachtsziekte syfilis en zou het verzachtend werken bij brandwonden en zweren. Vochtige kompressen konden de klachten van reuma en jicht verlichten. Uiteraard zijn al deze toepassingen wetenschappelijk onbewezen.

Rode klaver bevat isoflavonen. Dat zijn natuurlijk voorkomende hormoonachtige stoffen. Die hebben in het menselijk lichaam hetzelfde effect als het vrouwelijke oestrogeen. Daarom wordt een extract van rode klaver ook regelmatig aangetroffen in middeltjes die overgangsklachten proberen te verminderen. Het probleem is echter dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat deze extracten nauwelijks enige invloed op die overgangsklachten hebben[1]. Dat is jammer omdat u er vaak wel veel geld voor betaald heeft.

Maar het grootste probleem van de rode klaver is toch wel dat de isoflavonen wel degelijk ingrijpen op de receptoren voor hormonen. Daardoor zouden mensen, die een voorgeschiedenis of een familiehistorie hebben van borstkanker, baarmoederhalskanker, eierstokkanker, vleesbomen of endometriose (een chronische ziekte waarbij baarmoederweefsel groeit op plaatsen buiten de baarmoeder), de handen onmiddellijk moeten aftrekken van extracten met rode klaver[2].

Rode klaver bevat bovendien ook coumarine en daarvan is bekend dat het bloedverdunnend is[3]. Mensen, die last hebben van bloedstollingsstoornissen of een antistollingsmedicijn slikken, moeten daarom extra voorzichtig zijn. Let wel: zelfs aspirine heeft al een antistollende werking.

[1] Lethaby et al: Phytoestrogens for menopausal vasomotor symptoms in Cochrane Database of Systematic Reviews - 2013
[2] Bodinet et al: Influence of marketed herbal menopause preparations on MCF-7 cell proliferation in Menopause - 2004
[3] Abebe: Herbal medication: potential for adverse interactions with analgesic drugs in Journal of Clinical Pharmacy and Therapeutics - 2002

Eikenbast

Aha, zo zul je mogelijk denken, eindelijk een specerij van eigen bodem. De zomereik (Quercus robur) werd door heidenen al vereerd voordat het Christendom zijn klauwen in heidense gebruiken zette. De bekenste eik is daardoor die bij Dokkum omdat de christelijke missionaris Bonifatius het nodig vond te bewijzen dat zijn god machtiger was dan die van de Friezen. De eik en Bonifatius overleefden beide niet en dus was de eindstand 1:1.
Ooit bewoonde de zomereik delen van Zuid-Europa, maar hij volgde het terugtredende ijs na de afloop van de laatste ijstijd. Zodoende is hij ook op een natuurlijke manier in ons land aangekomen. Het is een loofboom die uiteindelijk wel meer dan 1200 jaar oud kan worden en de stam heeft dan een omtrek van meer dan 10 meter.

De herkomst van het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Quercus, is volstrekt onderduidelijk. Taalgeleerden komen niet verder dan dat quercus in het Latijn 'eik' betekende. Vermoedelijk is quercus echter verwant aan 'kurk'. De bast van de kurkeik (Quercus suber) levert namelijk kurk. Via het Latijnse cortex ('bast van een boom' of 'kurk') komen we dan uit bij het oud-Griekse keiro (κείρω) dat 'afkappen' of 'afscheren' betekende. Het tweede deel, robur, betekent 'sterk' en verklaart het superharde hout.

Eikels worden met smaak opgepeuzeld door diverse diersoorten. Naast allerlei vogels en knaagdieren, houden ook varkens, zwijnen, beren en herten veel van eikels. Omdat die eikels veel tannine bevatten zijn ze voor de mens te bitter. Bovendien zijn die in grotere hoeveelheden ongezond en moet er eerst een bewerking plaatsvinden om dat stofje eruit te krijgen. Van eikels kan eikelmeel gemaakt worden en dat was ooit een belangrijke voedingsbron in vele culturen, zeker tijdens periodes van hongersnood.

Van de schors kan een thee tisane getrokken worden en dan zou het kunnen helpen tegen diarree, verkoudheid, koorts, hoesten en bronchitis. Tevens werd het ooit ingezet om de eetlust te stimuleren en de spijsvertering te verbeteren. Gebruik de thee tisane echter niet langer dan een dag of drie, want de tannines kunnen ernstige bijwerkingen opleveren, zoals maag- en darmproblemen of zelfs onomkeerbare schade aan lever en nieren.

In de 17de eeuw werd een aftreksel van eikenbast gebruikt om alcoholisten te genezen van hun verslaving. Dat het hielp begrijp ik dus perfect. Zonder lever en nieren heb je geen behoefte meer aan alcohol. Je bent namelijk gewoon dood.

Moerasandijvie

Moerasandijvie (Senecio congestus) is een bleekgroene, ietwat wollig-behaarde één of tweejarige plant die kan opgroeien tot een hoogte van een meter. Hij is in het bezit van lancetvormige, ietwat gekartelde bladeren. Hij bloeit, zoals al zijn familieleden met gele stervormige bloemen Zoals zijn naam al aangeeft houdt hij van natte voeten en kan waargenomen worden in ondiepe drassige gebieden en aan de oever van stroompjes. Deze bloemen zitten zo vol met nectar dat ze een sterke honinggeur verspreiden. Een 17de-eeuwse benaming van deze plant was ooit 'honingriekende Conyza'.
[Foto: Tigerente]

Het areaal van moerasandijvie bestrijkt zo'n beetje het gehele noordelijk halfrond, van noordelijk Europa, tot nog noordelijker Siberië en Noord-Amerika. In Alaska komt hij in een iets gewijzigde vorm ook voor. In Nederland is moerasandijvie een zeldzame verschijning. Zo zeldzaam zelfs dat men ooit dacht dat hij hier uitgestorven was. De inpoldering van de Zuiderzee naar het IJsselmeer zorgde echter voor het landschap waar moerasandijvie perfect kon gedijen. Kennelijk heeft moerasandijvie dat zetje in de rug nodig gehad, want – hoewel hij nog steeds niet veel voorkomt – in het Waddengebied kan hij tegenwoordig worden aangetroffen op Texel en in het Lauwersmeergebied.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Senecio, is afgeleid van het Latijnse woord senex, dat 'oud' betekent en wordt hier gebruikt met de betekenis van 'grijsaard' als gevolg van het al snel zichtbaar wordende grijze vruchtpluis. Het tweede deel, congestus, doet denken aan het Engelse woord congestion, wat 'opstopping', 'file' of 'opeenhoping' betekent. Het is terug te voeren op het Latijn, waar het een combinatiewoord is van con 'met' of 'samen' plus gero 'dragen'. Samengevoegd is dat zoiets als 'erg dicht opeengepakt'. Het verklaart de neiging van deze plant om plotseling met duizenden exemplaren aanwezig te zijn op een plek.

Nu is het zo dat alle familieleden van de moerasandijvie, waaronder rivierkruiskruid, duinkruiskruid, jacobskruiskruid, klein kruiskruid en zilverkruiskruid, soms dodelijk giftig zijn. Het is daarom niet verwonderlijk om te denken dat ook moerasandijvie niet al te gezond kan zijn.

Het tegendeel is echter het geval. Moerasandijvie wordt her en der als een groente gezien en is veilig voor menselijke consumptie. De jonge bladeren kunnen als salade gegeten worden, gekookt als groente of zelfs als een soort zuurkool worden ingemaakt.

Denk nu niet dat je hem binnenkort bij Albert Heijn kunt aantreffen op de groente-afdeling. Het eten van moerasandijvie gebeurde vaak niet uit luxe, maar uit armoede. In het polderlandschap ten noorden van Amsterdam, gebruikte men onder andere de naam 'armoedsbloem' voor moerasandijvie. Dan snap je het vast wel.

Bdellium

Net zoals mirre of mastiek is ook bdellium (of bdellion) een eetbare hars. Bdellium wordt gewonnen uit de Commiphora wightii en de Commiphora africana. De eerste heeft zijn oorspronkelijke thuishaven in Noord-India, terwijl de tweede in Ethiopië, Eritrea en delen van Afrika die ten zuiden van de Sahara kan worden aangetroffen.
Bdellium bestaat uit een wateroplosbare gom, een hars en een essentiële olie. De combinatie wordt gebruikt in de parfumerie, als wierook en in diverse traditionele medicaties. Het wordt overigens ook vermengd met het veel duurdere mirre. Daarom wordt bdellium ook ingezet voor alle kwalen waar mirre ook werkzaam zou kunnen zijn.

De naam bdellium stamt via het oud-Engels en het Latijn uit het oud-Griekse bdellion (βδέλλιον). Die hebben het weer uit het Hebreeuws geleend, want daar betekende bdólakh (בְּדֹלַח) zoiets als 'broos', 'breekbaar' of 'eenvoudig te splitsen of te breken'. Het verklaart de toestand van bdellium in gedroogde toestand. Het wordt ietwat vloeibaar in de zon of als je het in de warme hand houdt.

Als we de Statenbijbel openslaan dan ontdekken we in Numeri 11:7 de zin 'Het Man (ofwel Manna) nu was als korianderzaad, en zijn verf (ofwel kleur) was als de verf van den bedolah'. Wat was nu de kleur van die bedolah? Het antwoord vinden we in Exodus 16:14, want daar wordt manna vergeleken met 'liggende dauw'. In de Engelstalige Bijbel staat het iets duidelijker omschreven als frost on the ground of hoar frost en dat is 'rijp'. Met andere woorden: de kleur van Afrikaanse bdellium is wit en dat is vrijwel correct. De Aziatische variant is bruiniger van kleur.

In 'Oude Geschiedenis van de Joden' of 'Jewish Antiquities' van Flavius Josephus (37nCr-100nCr) wordt het volgende over bdellium gezegd: [mijn vertaling] '… ze waren blij met het voedsel, omdat het zoals honing was in zoetigheid en [met een] plezierige smaak, maar qua vorm [was het] als bdellium, een van de zoete specerijen, en in grootte gelijk aan korianderzaad.'

Al eerder vonden Egyptenaren bdellium een perfecte keus om menig farao mee te balsemen.

Njangsa

Als het gaat om het toepassen van allerlei plantaardige producten als ingrediënt in maaltijden dan kent de menselijke vindingrijkheid nauwelijks grenzen. De toenemende bereidheid om exotisch te gaan eten zorgt er ook in Nederland voor dat we steeds meer kruiden en specerijen in ons keukenkantje hebben staan.
Maar is sommige opzichten is Afrika nog steeds een dark continent, zoals het ooit in de Victoriaanse tijd werd genoemd. Die donkere plekken op de kaart lieten ontdekkingsreizigers naar de oorsprong van de Nijl zoeken of naar verdwenen koninkrijken in Centraal Afrika. Ook qua kruiden en specerijen zijn de diverse Afrikaanse keukens nog volstrekt onbekend. Een voorbeeld daarvan is njangsa.

De boom njangsa (Ricinodendron heudelotii) groeit in tropische delen van West-Afrika. Omdat in die contreien nogal wat stammen leven met volstrekt afwijkende talen, is het duidelijk dat de njangsa ook onder diverse andere namen bekend staat. Zoals zo veel bomen in het tropisch regenwoud groeit ook deze versie erg snel. Hij kan hoogtes bereiken van 20 tot 50 meter en hij heeft dan een stamdiameter van 2.70 meter. De njangsa bloeit met kleine witte bloemen die in een grote tros hangen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ricinodendron, is alvast een combinatiewoord uit het oud-Grieks, waar ricinus 'hondenteek' betekent en dendron 'boom'. Het verklaart de vorm van het blad. Het tweede deel, heudelotii, eert de Franse botanicus Jean-Pierre Heudelot (1802-1837), die tussen 1828 en 1837 planten verzamelde in Guinea en Senegal.

Vooral de oliehoudende zaden, ook njangsa genaamd, zijn erg populair bij de plaatselijke bevolking. Ze hebben een opvallende geur en smaak. Eerst worden ze gedroogd en vervolgens vermalen tot een pasta. Die pasta wordt vervolgens gebruikt als verdikkingsmiddel voor soepen, sauzen en stoofpotjes. Gedroogde zaden kunnen ook gestoomd worden, waarna men ze verkruimelt en als smaakversterker in rijstmaaltijden verwerkt. De jonge bladeren worden als groente gegeten.

Een extract van de schors wordt toegepast als traditioneel medicijn tegen vergiftigingen, omdat – naar nu blijkt – de zaden lupeol bevatten. Er is vastgesteld dat lupeol ontstekingsremmende eigenschappen heeft[1]. Toch knap van die medicijnmannen.

[1] Geetha, Varalakshmi: Anti-inflammatory activity of lupeol and lupeol linoleate in rats in Journal of Ethnopharmacology- 2001 .

Rijstkruid (of Rice paddy herb)

Rijstkruid (Limnophila aromatica) wordt in het Engels rice paddy herb genoemd en die vlag dekt de lading beter. Rijstkruid is een plant die houdt van veel vocht en warmte. Dit kruid is inheems in diverse delen van Zuidoost-Azië waar rijstkruid zich perfect op zijn plaats voelt in waterige omgevingen. Je moet dan denken in meertjes en rijstvelden (paddy's).
Rijstkruid is familie van de weegbree en is een overblijvende, zich verspreidenden plant. De bladeren kunnen nogal varieren qua vorm en kleur. De stelen kunnen uiteidnelijk een lengte (geen hoogte) bereiken van zo'n 70 centimeter. De bloem van de plant, die echter zelden bloeit, is licht mauve tot zacht roze.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Limnophila, is een combinatiewoord uit het Grieks, waar limne (λιμνη) zoiets betekende als 'een poel met stilstaand water, achtergelaten door de zee of een rivierpool. Denk aan een moerassig meer of vijver. philos (φιλος) betekent 'houden van'. Samen is dat dus 'houdt van moerassige omstandigheden'. In het tweede deel, aromatica, is het Nederlandse woord aroma duidelijk te herkennen. Het stamt uit het Latijn, waar aroma 'zoete geur' betekende. De Romeinen leenden dit woord weer van de Grieken, waar het een wat ruimere betekenis had: 'smaakstof', een 'kruid' of een 'specerij'.

De smaak van rijstkruid doet een beetje denken aan een combinatie van citroenmunt, venkel en komijn. De bladeren van het rijstkruid worden rauw toegevoegd aan diverse Zuidoost-Aziatische gerechten. Rijstkruid is echter als ngo om of ba om vooral een bekend ingrediënt in de Vietnamese keuken. Daar wordt het kruid bijvoorbeeld als laatste toegevoegd aan een zoetzure vissoep met de naam canh chua. In Cambodja wordt een variant van die soep samlor machu trey genoemd en ook daarin is rijstkruid onmisbaar. Beide soepen worden ietwat zurig doordat er tamarinde aan toegevoegd is.

Moderne koks experimenteren met rijstkruid en vinden dat je het best als vervanging van munt aan raita kunt toevoegen.

Tegenwoordig verspreidt de plant en het gebruik zich over de wereld. In Australië is rijstkruid als in de verzengende hitte van de tropische gebieden rond Darwin in het uiterste noorden aangetroffen. Vietnamese bootvluchtelingen namen het kruid mee naar Amerika en het blijkt dat de plant het goed doet op Hawaï.

Redi Katoen

Redi Katoen (Gossypium barbadense) is een katoensoort die in Suriname gewaardeerd wordt om diens geneeskrachtige werking. In de wereld van het grote geld staat deze soort bekend als Extra-Long Staple (ELS) katoen. Deze plant is dus bekend omdat hij langere vezels kan opleveren dan de andere katoenplanten.
Wereldwijd zijn er een viertal commercieel aantrekkelijke katoensoorten: Naast de Redi katoen, zijn dat boomkatoen (Gossypium arboreum – inheems in India en Pakistan), Arabische katoen (Gossypium herbaceum – inheems op het Arabisch schiereiland), behaarde katoen (Gossypium hirsutum – inheems in Centraal Amerika). Die laatste soort is goed voor 90 procent van de wereld katoenproductie.

Redi katoen is een tropische plant, die ook nog eens bestand is tegen vorst. Hij vormt een bossige struik. De plant houdt van een klamme omgevingstemperatuur met een hoge luchtvochtigheid, veel regenval en wil bovendien graag in de volle zon staan. Gedurende de bloeiperiode (in de tropen is immers geen zomer) bloeit deze soort met gele bloemen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Gossypium, komt via het oud-Griekse gossúpion (γοσσύπιον), via het Arabisch kursuf (كُرْسُف‎), uiteindelijk uit het Sanskriet, waar karpasa (कर्पास) 'katoen' betekende. Het is verwant met kapṛā (कपड़ा), wat 'doek' of 'kledingstuk' in de hindi taal betekende. Het tweede deel, barbadense, betekent '(afkomstig van) Barbados', een eiland in de Caraïbische Zee. Rond 1650 was Barbados het eerste eiland van de Britse West-Indies dat katoen naar Engeland exporteerde.

In Suriname wordt redi katoen aanbevolen bij het verminderen van overmatige menstruatie en bij klachten tijdens de menopauze. Het zou ook kunnen helpen om de urinelozing te bevorderen. Tevens heeft een extract een antibacteriële werking.

De vraag is dus of deze katoensoort echt zou kunnen werken bij bovengenoemde klachten. Wat maakt deze soort zo speciaal ten opzichte van zijn andere gezinsleden? Deze plant bevat als enige gossypol, een natuurlijk fenol dat dienst doet als geel pigment. In China is gossypol onderzocht en getest als een voorbehoedsmiddel voor mannen, maar de bijwerkingen bleken in eerste instantie ietsjes te erg[1]. Elders is onderzocht of het kon dienen om zwangerschappen te voorkomen. Dat leek nog zo te zijn ook[2]. En dus, lieve Surinamers, het is dus beslist geen middel om zwangerschappen op te wekken.

[1] Wen et al: Zero-Order Release of Gossypol Improves Its Antifertility Effect and Reduces Its Side Effects Simultaneously in Biomacromolecules – 2018
[2] Luz et al: In vitro study of gossypol's ovarian toxicity to rodents and goats in Toxicom – 2018

Zevenblad

Zevenblad (Aegopodium podagraria) komt voor in heel Europa met uitzondering van een groot deel van de kusten van het Middellandse Zeegebied. Zijn domein stopt pas ergens halverwege Siberië. Het is een vrij grote plant die tot een meter hoog kan opgroeien.

Gedacht wordt dat de Romeinen zevenblad in Noord-Europa hebben geïntroduceerd als gezonde groente voor de soldaten. Vaak worden geisoleerde vindplaatsen in verband gebracht met oude kruidentuinen van kloosters en kruidenvrouwtjes (die ook dienst deden als vroedvrouw of heks). Zevenblad doet het in goed op beschaduwde plaatsen en vochtige ondergronden. In veel landen is zevenblad zo succesvol gebleken dat men hem als een lastig te bestrijden onkruid ziet.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Aegopodium, is een combinatiewoord uit het Grieks, waar aegos (αιγο) 'geit' betekent en podium (ποδιον) 'voet'. Samen is dat dus 'geitenpoot' en het beschrijft de vorm van de kroonblaadjes. Het tweede deel, podagraria, is ook als een Grieks combinatiewoord: pous (πού) is wederom 'voet' en agra (ἄγρᾱ) is 'jagen'. Hier ligt de oorsprong van het woord 'podagra', de medische term voor de klassieke vorm van jicht, namelijk die in de grote teen. De Grieken vonden de pijn van jicht lijken op een jachtongeval, waar een zwaar dier op je grote teen is gaan staan. Zevenblad is een oud middel tegen jicht.

Zevenblad bevat veel vitamine C, groeit al vroeg in het voorjaar en de jonge scheuten waren daarom in de antieke oudheid en de Middeleeuwen zeer gewild als groente, al houdt niet iedereen van de wat ongewone pittige smaak. Voor het koken ruiken de bladeren wat 'vissig', maar die geur verdwijnt bij het koken. Na een lange winter waren de voorraden verse groenten wel opgegeten en had men vaak last van scheurbuik. Zevenblad zorgde voor directe aanvulling van de tekorten aan vitamine C.

Zoals de wetenschappelijke soortnaam al aangaf werd zevenblad veel toegepast als medicinaal kruid tegen jicht, artritis, blaas- en darmklachten. Daarvoor werden de bladeren tot een papje gekookt en als een pasta om het aangedane lichaamsdeel gewikkeld. Neem je het als medicijn in dan heeft zevenblad inderdaad een vochtafdrijvend effect en heeft het een milde pijnstillende werking. Uiteraard hebben moderne inzichten en moderne geneesmiddelen de plaats van zevenblad ingenomen.

Old Bay Seasoning

Old Bay Seasoning is een mengsel van kruiden en specerijen, dat van oorsrpong stamt uit de omgeving van de Chesapeake Bay area in de Verenigde Staten. Het werd in 1939 ontwikkeld door de Duitse immigrant Gustav Brunn.

Old Bay Seasoning was bedoeld om een extra hartig smaakje aan krabben te geven. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog waren krabben in zulke grote aantallen aanwezig in het water van de Chesapeake Bay dat ze niets meer opleverden. De horeca in Baltimore (Maryland) probeerde toch nog wat aan die beesten te verdienen door ze te marineren met Old Bay Seasoning. Die bevatte ooit heel veel zout en dat zette de klanten aan om extra te gaan drinken om hun dorst te lessen.
Uiteraard was Gustav Brunn niet de enige die op dat idee is gekomen en er waren ooit diverse merken, maar er zijn maar een paar die de tijdgeest overleefd hebben. Naast Old Bay Seasoning kon men ooit J.O. Spice en Baltimore Spice tegenkomen op het krabbenvlees.

Er bestaat geen vast recept voor dit soort kruidenmengsels, maar wat er zeker in zit is selderijzout (een gearomatiseerd tafelzout, gemaakt van gedroogde en gemalen knolselderij), mosterd, gember, zwarte peper, witte peper, vermalen chilipeper vlokken, paprika, laurierpoeder, nootmuskaat, kruidnagel, allspice, foelie, kardemom en kaneel. Volgens de producent zitten er 18 verschillende kruiden en specerijen in het mengsel.

Het kruidenmengsel is vernoemd naar de Old Bay Line, een rederij die passagiers vervoerde over het water van de Chesapeake Bay van Baltimore (Maryland) naar Norfolk (Virginia).

Old Bay Seasoning is regionaal nog steeds populair. Toch blijft die populariteit beperkt tot de staten die grenzen aan de Atlantische Oceaan en het Caraïbisch gebied. Aan de kusten van de Stille Oceaan zijn dit soort kruidenmengsels veel minder gewild. Aan boord van de Amerikaanse marineschepen kan altijd een blik Old Bay Seasoning in de kombuis worden aangetroffen. Een oude traditie die in ere wordt gehouden.

Na diverse omzwervingen kwam het merk in 1990 in handen van McCormick & Co.

Speculaaskruiden

Speculaas of speculoos. Twee woorden. Eentje uit Nederland en eentje uit België. Het zijn twee totaal verschillende koekjes en toch lijken beide woorden voldoende op elkaar om een verband te suggereren. Speculaas is een kruidig Nederlands koekje, terwijl speculoos de Belgische tegenhanger is die een behoorlijk vlakkere smaak heeft.
Speculaas is een koekje, gemaakt van bloem, boter, bakpoeder, bruine basterdsuiker en speculaaskruiden. Die speculaaskruiden bestaan uit een mengsel van kaneel, nootmuskaat, kruidnagel, gember, kardemom en witte peper.

Nederland is altijd een natie geweest van handelsreizigers. We kennen allemaal nog de Vereenigde Oostindische Compagnie (of VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC). De eerste had zijn aandacht gericht op het Verre Oosten, terwijl de tweede vooral het Amerikaanse continent in het vizier had. Beide organisaties werden rijk doordat ze de monopolies op specerijen doorbraken van hun erfvijanden, de Spanjaarden, de Portugezen en de Engelsen. Daarna voeren schepen de vaderlandse havens binnen met grote hoeveelheden kostbare en kostelijke specerijen.

Nog steeds houdt men in de drie noordelijkste provincies van Nederland van gekruide voedingsmiddelen. De droge worst, bijvoorbeeld, is daar het kruidigst. Gaat men verder naar het zuiden dan verliest een droge worst steeds meer van zijn smaak. Specerijen worden vooral in Friesland en Groningen vaak uitbundiger toegepast dan in de rest van Nederland.

Het is dus ook niet verwonderlijk dat men in België niet zoveel van die pittige specerijen hield en dus viel ook de smaakvolle speculaas niet in de smaak van onze zuiderburen. De koekjes kregen echter een eigen nationale variant met een smaak die het gevolg was van gekarameliseerde bruine suiker en een snufje kaneel. Om duidelijk te maken dat het om een heel ander koekje ging werd de naam speculaas aangepast tot speculoos.

Wat is de oorsprong van het woord speculaas? Taalkundigen hebben van oude woordenboeken het stof afgeblazen en zijn tot de conclusie gekomen dat 'speculaas' uit het woord 'speculatie' moet zijn ontstaan. Een speculatie is een 'overdenking' of 'vermoeden'. Het woord is echter afkomstig uit het Latijn waar het werkwoord speculari, zoiets betekende als 'observeren'. Dát woord is weer terug te voeren op specere dat 'turen' of 'kijken' betekende en nog te ontwaren is in het Engelse woord spectacles ('bril'). Maar de geleerde taalkundigen menen ook - onjuist - dat 'speculatie' ooit gebruikt werd in de variant 'zin hebben in' of 'welbehagen'.

Jaren geleerd hebben en dan niet snappen dat de meest eenvoudige oplossing is dat het woord 'speculaas' afgeleid is van 'specerij'. Dan is ook 'speculoos' eenvoudig te snappen: het is specerijloos.

Veldhondstong

De veldhondstong (Cynoglossum officinale) is een middelhoge, dicht behaarde, onaangenaam riekende, grijsgroene voorzomerbloeier, die voorkomt in heel Europa met uitzondering van de meest noordelijke en zuidelijke delen. Zo, nu weet u dat ook weer en kunnen we door met de meer interessante zaken van de veldhondstong.
[Foto: Wilde planten op Texel]
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Cynoglussum, is een combinatiewoord uit het Grieks: kynos betekent 'hond' en glossa betekent 'tong’ (of 'taal'). Samen is dat natuurlijk 'hondstong'. Het tweede deel, officinale komt uit het Latijn en betekent ‘werkplaats’ of ‘kantoor’. In het Engels is het verband nog veel duidelijker te zien want een 'kantoor' is daar een office. Het is een naam voor een plant die verkocht werd in winkels en drogisterijen. Daardoor was het per definitie een bruikbare plant.

De geur (lees: stank) van de plant lijkt sterk op die van hondenurine en het bijgeloof vertelde dat, wanneer je een blad in je schoen deed, je onderweg niet door bijtgrage honden werd aangevallen. Een verhaal uit de zestiende eeuw maakte het nog bonter: maak een hondstongblad zo aan de nek van een hond vast dat hij het met zijn bek net niet kon bereiken en die hond zou net zo lang rondjes draaien totdat hij van uitputting dood neerviel. De schrijver beweerde dat het waar was, maar ikzelf heb zo mijn twijfels.

De giftige bestanddelen van de veldhondstong zijn een aantal pyrrolizidine alkaloïden, waaronder cynoglossine, consolidine, echinatine en heliosupine. Langdurige inname van deze pyrrolizidine alkaloïden en leidt onherroepelijk tot een onomkeerbare leverbeschadiging en uiteindelijk leveruitval. Het gif stapelt zich namelijk op in de lever en doet daar ongemerkt zijn verwoestende werk. Bovendien hebben de gifstoffen een verlammend effect op zenuwuiteinden en zijn ze ook nog eens kankerverwekkend.

'Gelukkig' zijn er ook nog lieden die geloven dat je deze plant als natuurgeneesmiddel kunt inzetten. Veldhondstong zou kunnen helpen tegen aambeien, zweren, longziektes (chronische bronchitis) en aanhoudend hoesten. Een zalfje, gemaakt van veldhondstong, zou zelfs een zekere kuur zijn tegen kaalheid.

Doordat de veldhondstong zo’n afschrikkende geur heeft lijkt het in eerste instantie vrijwel onmogelijk om vergiftigd te worden door die plant. Voor een deel klopt dat wel, maar die geur wordt in veel gevallen gemaskeerd. In natuurgeneeskundige preparaten wordt de werkzame stof immers vaak in veel alcohol opgelost en daardoor proef of ruik je het niet zo erg meer. Bovendien horen medicijnen vies te smaken om ons een foutief gevoel te geven dat het dan wel moet werken.

Black stone flower (of Groot schildmos)

Black stone flower (Parmotrema perlatum) is een korstmos en wordt (gedroogd) gebruikt in enkele Indiase keukens. India is een uitgestekt land met een bijzonder rijke historie. Dat vertaalt zich uiteraard ook in vele regionale keukens. Black stone flower is onderdeel van diverse recepten in Maharashra, een staat in het midwesten van het land, en Chettinad, een regio in het uiterste zuiden van India. In India worden vele talen gesproken en daarom staat black stone flower ook bekend onder verschillende namen.
Het korstmos komt voor in gematigde klimaten van zowel het noordelijk als zuidelijk halfrond. Ook in Nederland is het een algemeen voorkomende soort en staat hier bekend als groot schildmos. Het korstmos groeit vooral op stammen en takken van bomen. Korstmossen zijn eigenlijk twee (of zelfs meer) levensvormen samen. De ene 'partner' is altijd een schimmel, die een samenlevingscontract heeft met een blauwwier of een groenwier (of beide).

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Parmotrema, is een combinatiewoord uit het Grieks: parmos betekent 'kop' of 'beker' en trema is 'geperforeerd'. Het tweede deel, perlatum, is van Latijnse herkomst en betekent 'wijdverspreid'. Het beschrijft zijn voorkomen over vrijwel de hele wereld.

Black stone flower ruikt mild houterig, maar bezit geen smaak van zichzelf. Het voegt echter een mysterieuze geur en smaak toe aan ieder gerecht waaraan het wordt toegevoegd. De gedroogde, zwartpaarse en op bloemblaadjes lijkende kruid (of is het een specerij) wordt vaak met andere kruiden en specerijen samengevoegd om een lokale massala te bereiden. Dit kruidenmengsel wordt vervolgens toegepast in vele gerechten, waaronder curry's. En je weet: hoe zuidelijker je komt, hoe pittiger de massala zal worden. De reden hiervoor is dat hoe zuidelijker je komt, hoe warmer het zal zijn. Hoe warmer het is, hoe eerder vlees zal bederven. Met pittigheid worden de eerste tekenen van bederf gemaskeerd. In de tropen kan vlees namelijk al na een uur gaan bederven.

Het kruid doet het ook goed in vegetarische schotels, maar toch wordt het voornamelijk in vleesgerechten gestopt. Denk aan nihari (een stoofpot, bestaande uit langzaam gekookt rund- of lamsvlees samen met beenmerg) en biryani ('kruidige rijst, populair bij Indiase moslims).

In de Ayurveda, de zweverige geneeskunst uit India, wordt black stone flower uiteraard ook toegepast. Het wordt daar bijna als een panacee gebruikt, want het zou helpen tegen vrijwel alle kwalen. Van hoofdpijn tot lepra en van nierstenen tot gebroken botten.

Mangosteen (of Mangistan)

Mangosteen (Garcinia indica) is een fruitdragende boom die gewoonlijk kokum wordt genoemd. De mangosteen groeit van nature aan de westelijke kuststroken van India. Je kunt de boom aantreffen in tropische oerwouden en aan oevers van rivieren. De mangosteen houdt van altijdgroene bomen om zich heen, maar in een tropisch oerwoud is dat niet zo'n probleem. Toch kan hij ook gedijen in gebieden met relatief weinig neerslag.
De vrucht van de mangosteen wordt wel de 'koningin van de vruchten' genoemd. Het is een bes ter grootte van een mandarijn. De vrucht heeft een dikke, leerachtige schil die paars-bruin van kleur is. Aan het steeltje van de vrucht zitten nog een viertal kroonblaadjes. Alleen het witte vruchtvlees is eetbaar. Het witte vruchtvlees is, gelijk een mandarijn, in een zestal partjes verdeeld en kunnen in grootte verschillen. Jawel, er zitten ook pitjes in de partjes, maar die kunnen gewoon gegeten worden. De smaak van de vrucht is friszuur-zoet met een bijzonder aroma. Het vruchtvlees is zo delicaat dat het 'smelt op de tong'. Het verse fruit kan geconserveerd worden in suiker. Dan kan er een helderrode ranja of sorbet van gemaakt worden.

Pas in 1631 wordt de mangosteen in West-Europa in de annalen genoemd, wat rijkelijk laat is. Het waren de De Vereenigde Oostindische Compagnie (1602-1800) en de Britse East India Company (1600-1874) die de mangosteen naar Europa brachten. Het lastige is dat de tere mangosteen in die tijd de lange reis niet goed kon doorstaan.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Garcinia, eert de Franse ontdekkingsreiziger Laurent Garcin (1683-1751). Het tweede deel, indica, is Latijn en betekent '(uit) India'.

De schil van de mangosteen wordt in India in de zon gedroogd en dan krijg je een product dat 'kokum' wordt genoemd. Het wordt in de keukens van Goa gebruikt als zuurmiddel. De kokum levert een aparte geur en smaak aan gerechten. Het geeft tegelijkertijd een donkerrode, bijna zwarte kleur aan die gerechten. Het vormt soms een vervanging van tamarinde in curry's. Ook wordt het als zuurmakend ingrediënt gebruikt in de populaire linzensoep dahl.

Is de mangosteen gezond? Het bevat in ieder geval veel vitamine C. Tuurlijk zitten er ook belangrijke antioxidanten in verborgen, maar die zitten ook in appels en sinaasappels. Op veel 'gezondheidswebsites' worden diverse potentiële voordelen van het eten van mangosteen genoemd. Geloof het niet, want wetenschappelijk onderzoek heeft geen enkel bewijs voor die claims gevonden. Eet ze gewoon omdat ze heerlijk smaken.

Maggi Aroma

Maggi Aroma. Wie kent niet dat bruine flesje dat qua ontwerp uit vervolgen tijden lijkt te stammen. Maggi is een smaakversterker, gebaseerd op 'hydrolyzed vegetable protein'. Deze 'gehydrolyseerde plantaardige eiwitten' zijn in staat om vage smaken weer helemaal op te halen. Ze zijn dus in staat om de smaak van voedingsmiddelen te versterken. Het wordt geproduceerd door peulvruchten met zoutzuur te behandelen en vervolgens te neutraliseren met natriumhydoxide. Wat overblijft zijn een serie aminozuren, waaronder het zo bekende mononatriumglutamaat ofwel ve-tsin. Ik zal hier maar niet opmerken dat het ook bekend staat als E621, want dan raken er misschien weer wat lichtgelovige mensen van de kook. Mononatriumglutamaat komt van nature voor in oude kaas, tomaat (sommige rassen bevatten wel 5% en zijn dus erg smaakvol).
Het merk Maggi werd al in 1872 opgericht door de Zwitser Julius Maggi (1846-1912). De man had een goede Christelijke inborst en hij wilde via zijn producten de arbeidersklasse voorzien van voedsel met hoge voedingswaarde. Dat klinkt natuurlijk heel positief, maar Maggi Aroma en (later) Maggi bouillonblokjes bezaten nauwelijks voedingswaarde. De monosodium glutamaat in zijn producten versterkten slechts de smaak van de maaltijden waarin het werd verwerkt.

De reden daarvoor was dat Julius Maggi eerst probeerde om poeder uit peulvruchten als erwten en bonen te produceren. Dat was inderdaad een goedkope bron van eiwitten, had een hoge voedingswaarde, was licht verteerbaar en goedkoop te produceren. Zijn peulvruchtenpoeder werd al in 1884 op de markt gebracht. Het probleem was echter dat het niet zo smaakvol was en succes bleef uit. Niet uit het veld geslagen experimenteerde Maggi verder en in 1886 breidde hij het assortiment uit met een drietal kant-en-klaar soepen op basis van dat peulvruchtenpoeder. Om de vage smaak wat op te peppen moest er een smaakversterker aan de soep worden toegevoegd. Dat werden de 'gehydrolyseerde plantaardige eiwitten' en Maggi Aroma was geboren.

In ons land werd Maggi Aroma al vanaf 1897 geïmporteerd door Paul Horn, vanaf 1912 Paul Horn & Co genoemd. In 1925 werd de bedrijfsnaam omgedoopt tot Fabriek voor Maggi's Voedingsmiddelen. In 1994 werd de productielocatie verplaatst naar een nieuwe fabriek in Venray. Sinds 2005 wordt Maggi niet meer in Nederland geproduceerd.

Maggi Aroma wordt wereldwijd verkocht, maar niet in elk land is de receptuur hetzelfde. Er bestaan negen verschillende versies van datzelfde product. In Engeland is Maggi Aroma minder populair, maar daar hebben ze dan ook hun eigen Worchestershire Saus.

Suiker

De gewone suiker maakt nog niet eens zo heel erg lang onderdeel uit van ons westerse voedingspatroon. Voordat het gebruik van suiker hier gemeengoed werd, gebruikte men vruchten, vruchtensappen en honing om eten en drinken te zoeten. Hoewel suiker uit suikerriet in onze westerse wereld al vanaf de Middeleeuwen bekend was, was het door de lange reis vanuit India zo verschrikkelijk duur geworden dat het alleen door de echte rijken van die periode het zich konden veroorloven.
Er zijn een aantal bronnen voor suiker: suikerbiet (Beta vulgaris), rietsuiker (Saccharum officinarum) en zelfs suikermaïs (Zea mays saccharata). Men heeft eigenlijk geen idee waar de suikerbiet is ontstaan. Zijn tweelingbroertje, de strandbiet (Beta vulgaris maritima), komt in heel Europa aan de kust in het wild voor. Suikerriet kwam waarschijnlijk in Nieuw-Guinea en delen van Indonesië in het wild voor. Chemisch gezien zijn bietsuiker en rietsuiker volstrekt gelijk. Dat rietsuiker een ietwat bruinige kleur heeft betekent niet dat het gezonder is, maar dat het korter gecentrifugeerd wordt dan kristalsuiker, waardoor een klein beetje donkerbruine siroop achterblijft. Die siroop geeft de kleur aan de suiker.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Beta, is afgeleid van het oud-Griekse woord blitos (βλιτσς), een oeroude naam voor een soort spinazie. In het Engels is blite een vergeten woord voor spinazie. Het tweede deel, vulgaris, betekent 'gewoon'. Denk aan ons woord 'vulgair'. Voor suikerriet geldt dat het eerste deel, Saccharum, is afgeleid via het Arische woord sukkar naar sharkara uit het Sanskriet, waar het ooit 'gruis' of 'grit' betekende. Het tweede deel, officinarum, beschreef de apotheek van weleer.
Dat suiker verschillende bronnen kan hebben betekent dat het zowel een kruid als een specerij kan zijn.

Er bestaan nogal wat verkeerde inzichten over suikergebruik. Zo zou suiker de oorzaak van overgewicht zijn. Dat is niet het geval. Suiker is slechts een onderdeel van een ongezonde levenswijze. Eet je en drink je teveel suikerhoudende zaken dan gaat het met je gewicht zeker de verkeerde kant op. Het is ook niet verslavend, waardoor je geen excuus kan hebben als de weegschaal op hol slaat. En nee, je kind wordt er ook niet hyperactief van, zoals nogal wat bang gemaakte moeders denken.

Heel veel recepten verwachten dat er suiker aan het gerecht wordt toegevoegd. Het is dan een smaakmaker, maar soms is het ook een conserveermiddel. In een echt zoete omgeving kunnen bacteriën namelijk niet goed gedijen. Die hebben vocht nodig om te overleven en suiker trekt dat vocht aan.

Kapokboom (of Kankantri)

De kapokboom (Ceiba pentandra) is een enorme woudreus die met zijn soms meer dan 70 meter hoge kroon ver boven de rest van het tropisch regenwoud uitsteekt. Deze soort is inheems in Zuid-Amerika, Centraal-Amerika, het Caribisch gebied en tropisch West-Afrika. Uit de eironde vruchten steekt zaadpluis: de kapok. Het wordt gevormd door de zachte vezels, die bestaan uit de haren op de zaden. Het zaadpluis werd ooit gebruikt als vulling voor kussens.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ceiba, betekende oorspronkelijk 'enorm grote boom' in het Arawak, de taal van de Indianen in het Caraïbisch gebied. Het werd eerst ingepikt door de Spanjaarden en daarna verlatijnst tot ceiba. Het tweede deel, pentandra is een combinatiewoord uit het Grieks: pent- komt van pente (Πέντε) 'vijf' en -andra van andros (ανδρος), dat eigenlijk 'man' betekent, maar in dit geval 'meeldraden' omdat het de mannelijke voortplantingsorganen van de bloem zijn. De kapokboombloem heeft dus vijf meeldraden.
In Suriname wordt de boom kankantri genoemd en wordt door veel Afro-Surinamers als een verblijfplaats van geesten beschouwd. ’s Nachts zou het niet pluis zijn in de buurt van die boom, volgens buurtbewoners hoor je een luid geritsel en gepiep rondom de takken.

De plankwortels van de boom dienden in het verleden beschutting aan weggelopen slaven, die op deze wijze aan vervolging konden ontsnappen. Als de wortels worden aangekapt, stroomt er een kleine hoeveelheid drinkbaar water uit. De Marrons, de afstammelingen van die ontsnapte slaven, plaatsen offers tussen de wortels.

Het geloof in de het bestaan van geesten zorgt er in elk geval voor dat de kapokbomen niet worden omgehakt en het bos in de nabije omgeving met rust wordt gelaten. Kleine stukjes bast of wortel van deze magische planten worden in Paramaribo op de markt verkocht als ingrediënt voor kruidenbaden. De bast wordt toegepast als vochtafdrijvend middel, luchtverhogend middel en bovendien als medicijn tegen hoofdpijn of diabetes type 2. De specerij wordt zelfs naar Nederland geëxporteerd, waar ze nog steeds een rol speelt in de spirituele beleving van de Surinamers.

Het is de vraag of het geloof in magische planten en heilige bossen sterk genoeg is om de Surinaamse bossen in de toekomst te beschermen. De Marrons hebben geen grondrechten. Hun bossen worden bedreigd door mijnbouw en houtkap. Terwijl in veel andere landen heilige bossen tot natuurreservaten worden uitgeroepen, heeft niet één van de heilige bossen van de Marrons een beschermde status. Ze staan zelfs op geen enkele kaart van Suriname.

Bron: Van Andel: How African-based winti belief helps to protect forests in Suriname – 2010

Chinese selderij

Chinese selderij (Oenanthe javanica) is een overblijvend kruid dat tot een hoogte van een meter kan uitgoeien. Hij hecht zich in de bodem met vezelachtige wortels die uit alle knopen komen. Deze plant bloeit met vijf witte bloemblaadjes en vijf meeldraden. De bladeren zijn aromatisch, kaal en hebben een omhulsel dat de stengel bedekt.
De Chinese Selderij hoort in het wild thuis in vochtige gebieden en langs beekjes. De plant is inheems in de gematigde en tropische klimaten van Azië en Australië.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Oenanthe, is weer eens een combinatiewoord uit het Grieks: oinos is ‘wijn’ en anthos is ‘bloem’. Samen beschrijft het de wat wijnachtige geur van de planten binnen deze familie. Het tweede deel, javanica, is Latijns voor 'uit Java'.

Zijn Europese broertje is het zilt torkruid (Oenanthe lachenalii), die van een brak tot ziltig milieu houdt. Op de Waddeneilanden komt Zilt torkruid voor op Texel, Terschelling en Ameland. Boven Harlingen verzilt de grond als gevolg van zout water die onder de dijk doorsijpelt en op de Hoarnestreek kan zilt torkruid dan ook aangetroffen worden. Zoals veel van zijn familieleden is ook zilt torkruid giftig als gevolg van de aanwezigheid van oenanthotoxine. Dat gif tast het centrale zenuwstelsel aan en dat levert een aantasting van de zenuwen van het gezicht en lichaamsuiteinden op.

Chinese selderij is de uitzondering op de regel dat alle familieleden giftig zijn. Deze plant is niet giftig en is zelfs eetbaar. Hij wordt daarom geteeld in landen als China, India, Japan, Korea, Indonesië, Maleisië, Thailand, Taiwan en Vietnam. Onder de naam Prezzemolo selvatico Giapponese (Japanse wilde peterselie) wordt Chinese selderij in Italië verbouwd. De jonge scheuten worden als groente gegeten.

Dit kruid smaakt pittig als gevolg van de aanwezigheid van persicarin en isorhamnetin. Die laatste wordt ook aangetroffen in pittige gele of rode uien. Daar doet het dienst als pigment. Een andere bron van isorhamnetin is de Mexicaanse dragon (Tagetes lucida) en die wordt gebruikt als specerij, geneeskrachtig kruid en psychedelisch middel. Bovendien worden zowel persicarin als isorhamnetin onderzocht of ze kunnen worden ingezet als nieuw bloedverdunnend middel[1].

[1] Ku et al: Anticoagulant activities of persicarin and isorhamnetin in Vascular Pharmacology – 2013

Wilde peper

De wilde peperboom (Irvingia gabonensis) is hier in Nederland onbekend als specerijleverancier. Zelfs zo onbekend dat de specerij hier nog geen officiële naam heeft, al noemen sommigen hem wilde Afrikaanse mango. Dat is een foute benaming die alleen is gekozen omdat de vrucht een beetje op een mango lijkt, maar de twee zijn zelfs geen verre familie van elkaar. In Afrika heeft hij een aantal benamingen, waaronder de South African pepper tee, mountain seringe, (wild) pepper tree. In het Afrikaanders, de taal die is afgeleid van het Nederlands, noemt men hem slaploot of wit sering.
De benaming wilde peperboom doet het meeste recht aan zijn oorsprong en gebruik en dus gebruiken we hem hier ook maar. Het is een grote tropische Afrikaanse boom die tot 40 meter hoog kan opgroeien. Zijn rechte stam klimt tot 25 meter de hemel in voordat de eerste takken te bewonderen zijn. De altijdgroene kruin reikt zo hoog dat het een van de grootste bomen in het regenwoud is. De wilde peperboom leeft zo'n beetje in het hele Afrikaanse regenwoud van Senegal tot zuidelijk Soedan in het noorden tot Angola en Zambia in het zuiden.

De lente begint onder de evenaar omstreeks oktober en dan verschijnen aan de wilde peperboom prachtige rode jonge bladeren, gevolgd door opvallende paarsige bloemen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Irvingia, eert de Schotse chirurg en Afrikaanse plantenverzamelaar Edward George Irving (1816-1855). Het tweede deel, gabonensis, is afkomstig uit het Latijn en betekent 'uit Gabon'.

De bast heeft een pijnstillende werking. Men maalt de bast tot een fijn poeder, mengt het vervolgens met klei en water en smeert het op reumatische gewrichten. Lage rugpijn wordt behandeld met de rook van de bast van de wilde peper. Een afkooksel wordt aan het badwater toegevoegd om ontstekingen te behandelen. Datzelfde afkooksel wordt toegepast als gorgelmiddel bij kiespijn.

De zaden met de naam dika nuts worden gebruik als specerij. Ze worden rauw of geroosterd geconsumeerd, maar kunnen ook tot een pasta vermalen worden zodat er een plantaardige olie wordt gewonnen. Deze wordt traditioneel gebruikt om in te bakken. De zaden worden ook toegevoegd aan groenten, olie, zout, vis of vlees om maag- en darmproblemen te verhelpen. Zelfs het vruchtvlees van de vruchten wordt in Centraal-Afrika niet vergeten en die wordt omgetoverd tot een slijmachtige saus die vlees een wat pittige, aardse en fruitige bijsmaak geeft.

Berenklauw

Berenklauwen komen tegenwoordig overal voor. Ooit groeiden ze alleen van Oost-Europa tot aan Zuidoost-Azië. Ook in Noord-Amerika komt een locale soort voor. Ergens in de negentiende eeuw als tuinplant in Noordwest-Europa geïntroduceerd. Tijden veranderen en de berenklauw wordt tegenwoordig nergens meer aangeplant omdat hij niet meer past in de huidige kijk op het inrichten van onze tuin. Zij verspreiding is afhankelijk geworden van te weinig gemaaide bermen. En die zijn er meer dan voldoende omdat vooral Rijkswaterstaat nauwelijks meer wat aan de noodzakelijke bestrijding wil doen.
Een aantal van de in totaal 70 verschillende soorten kunnen tot meer dan twee meter hoog reiken. Wat ze echter allemaal gemeen hebben is het vermogen om fytofotodermatitis te veroorzaken. Dat is een acute, meestal blaarvormende ontsteking van de huid veroorzaakt door het toxische effect van gelijktijdig zonlichtblootstelling én contact met bergapten, het stofje dat in de stengels en besjes van alle berenklauwen (én grapefruitsap) voorkomt.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Heracleum, betekent Heracles, de Griekse vorm van de Romeinse god en held Hercules. Een passende naam voor die schijnbaar onverwoestbare en (soms) gigantische planten.

Hoewel iedereen met een grote boog om de berenklauwen heen hoort te lopen zijn er toch enkele gerechten die met de berenklauw kunnen worden bereid. Borscht is een traditionele soep met rode biet in Oost-Europa. Borscht wordt in alle Oost-Europese landen gegeten en kan zelfs op het menu staan in delen van Turkije, waar het borç genoemd wordt.

Hoewel borscht een traditionele soep genoemd kan worden, bestaat er geen vastomlijnd recept, al zullen rode bieten tegenwoordig vrijwel altijd een hoofdrol spelen. Het woord Poolse woord borscht stamt af van het Russische woord borshch, dat ‘berenklauw’ betekent. In tijden van pure armoede, waarin rode bieten nog niet beschikbaar waren, werden jonge scheuten van de berenklauw als basis voor de soep gebruikt.

Wanneer de zaden gekneusd worden, komt er een sterke geur van komijn vrij. In diverse Zuid-Aziatische landen worden deze geurige zaden met tomaten vermalen tot een pasta. Die wordt als fris bijgerecht gegeten bij gekookte groenten.

In de Nepalese volksgeneeskunst wordt ook gedacht dat de zaden zouden kunnen helpen bij diverse maagproblemen. Van de wortels wordt gezegd dat ze de klachten van hoofdpijn, lepra en neurologische stoornissen kunnen verminderen en bovendien bloedstelpend zijn. De vruchtjes wordt toegepast als middel tegen typhus, misselijkheid en overgeven.