Karmijn

We rekken deze keer de definitie van kruiden en specerijen ietwat op door een rode kleurstof te bespreken die gewonnen wordt uit een bladluis. In Midden- en Zuid-Amerika leven cochenilleluizen (Dactylopius coccus) op diverse soorten schijfcactussen van het geslacht Opuntia. Deze luizen zijn parasieten en maken een rode kleurstof aan als verdediging tegen aanvallers. Dit natuurlijke pigment wordt vooral uit de eitjes en in mindere mate uit het bloed van deze schildluis gewonnen.
Kort voordat de luizen eitjes leggen, worden ze handmatig van de cactus afgeschept. De kleurstof met de naam karmijn of cochenillerood wordt verkregen nadat ze gedroogd, gemalen en gefilterd zijn.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Dactylopius, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar dáktulos (δάκτυλος) 'vinger' betekende en pūós (πῡός) 'pus' of 'vies'. Samen beschrijft het de vorm (een vingertop) en de afscheiding van deze insecten. Het tweede deel, coccus, is ook Oudgrieks: kókkos (κόκκος) betekent 'bes' en verklaart de ronde vorm van de luis.

Karmijn werd al eeuwen geleden door de Azteken en Maya's in Midden-Amerika geproduceerd. Het was ooit een kostbaar handelsproduct, in prijs zelfs vergelijkbaar met goud. Steden stuurden zakken vol karmijn naar de keizer in Tenochtitlán, de hoofdstad der Azteken, als vorm van belasting. De Azteken gebruikten de kleurstof vooral voor textiel en cosmetica, en in mindere mate als levensmiddelenkleurstof.
De Spaanse conquistadores zagen al snel de waarde van de kleurstof in, die een veel betere kleur en kleurvastheid gaf dan de pigmenten die tot dan toe in Europa bekend waren. Al snel werd de kleurstof bijzonder populair in Europa en karmijn werd gebruikt om de kostbare gewaden van de katholieke kardinalen te kleuren. Karmijn was een grondstof die zelfs op de beurzen van Londen en Amsterdam verhandeld werd.

In de 19e eeuw werden de luizen geïntroduceerd op de Canarische eilanden en kwam er een einde aan het Amerikaanse monopolie. In 1868 bedroeg de oogst op de Canarische eilanden 6 miljoen pond karmijn, wat ongeveer overeen komt met 420.000.000.000 luizen.

Karmijn werd ook meer en meer gebruikt als levensmiddelenkleurstof, maar het kleuren van textiel bleef de hoofdtoepassing. Het werd ook gebruikt voor het kleuren van diverse levensmiddelen en dranken als Campari ontlenen hun rossige kleur aan karmijn. In cosmetica werd het het belangrijkste bestanddeel van rouge. Nog steeds wordt karmijn in cosmetica toegepast.

Toen aan het eind van de 19e eeuw goedkopere synthetische rode kleurstoffen werden ontwikkeld, raakte karmijn in de vergetelheid. Intussen neemt het gebruik van karmijn weer toe omdat we de laatste jaren meer natuurlijke kleurstoffen willen gebruiken.

Overigens bestaat er ook een Europese versie: Pools karmijn. Deze werd tot het midden van de 19e eeuw veel toegepast als textielkleurstof. Pools karmijn (of Sint Jan's bloed) is eveneens afkomstig van een luis, de Margarodes polonicus, die vooral voorkomt in Oost-Europa en delen van Azië.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten