Molukse nootmuskaat

De bij ons zo bekende nootmuskaat (Myristica fragrans) groeit slechts op een paar Indonesische eilandjes, de Banda-eilanden. Die eilandengroep behoort tot wat grotere Molukken. Alle eilanden kun je op de kaart vinden tussen het Indonesische eiland Sulawesi en het door Indonesië ingepikte westelijke deel van Nieuw-Guinea.
Nootmuskaat en foelie waren ooit peperduur en de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) wilde graag het monopolie hebben (en behouden) op die twee specerijen. Het bedrijf verbood de inwoners van de Banda-eilanden om de specerijen aan anderen te verkopen, maar die sloegen dat – ahum – verzoek natuurlijk in de wind. Ze verkochten af en toe ook wat aan de Engelse en Portugese concurrenten. Door die voortdurende ongehoorzaamheid ontstak gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen (1587-1629) in grote woede en in 1619 werd besloten om de totale bevolking van de Banda-eilanden te doden. Van de ongeveer 15.000 bewoners overleefden er maar een paar honderd, die werden afgevoerd naar Batavia.

Er is dus nogal wat bloed gevloeid op de Banda-eilanden en de vraag is of dat allemaal wel nodig was. Op de rest van de Molukken groeide namelijk een broertje van de nootmuskaat, de Molukse nootmuskaat (Myristica succedanea). Het is een altijdgroene boom die een hoogte kan bereiken van zo'n 20 meter. In het Indonesisch noemen ze hem pala patani en de Engelsen noemden hem Halmahera nutmeg, één van de Molukse eilanden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Myristica, stamt af van het Griekse woord myron, dat ‘balsem’ of ‘smeersel’ betekent. Dat Griekse woord kan weer geleend zijn uit het Semitisch en kan daardoor een broertje van het Hebreeuwse woord mor (‘mirre’) zijn. Het tweede deel, succedanea, is afgeleid van het Latijnse succulentus wat 'sap hebbend' of 'sappig' betekent. Uiteindelijk stamt het af van succus 'sap'.

De Molukse nootmuskaatboom produceert nootmuskaatnoten, nootmuskaat en foelie die lijken op die van zijn Bandarese broertje. De noot is echter iets kleiner van formaat. Men meent echter dat de smaak een stuk minder is. Dat heeft de plaatselijke bevolking er echter niet van weerhouden om deze specerijen op precies dezelfde manier te gebruiken als de Bandarese nootmuskaat en foelie. Zelfs nu wordt hij nog op kleine schaal verbouwd.

Dat de Molukse nootmuskaat slechts van een beetje mindere kwaliteit is zou de VOC niet tegengehouden moeten hebben om er goede handel in te zien. Een beetje mindere kwaliteit zorgt immers maar voor een beetje minder winst. Soms is dat iets om tevreden mee te zijn, maar niet de VOC. Die mengde de Molukse nootmuskaat gewoon door de Bandarese nootmuskaat om zo toch nog de maximale winst te genereren.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten