Puntige peper

Iedereen heeft – zo hoop ik – op school geleerd dat Christopher Columbus (1451-1506), gesteund door het Spaanse duo Koningin Isabella I en Koning Ferdinand II, in 1492 op weg ging om een alternatieve route naar 'de Oost' te vinden. De bedoeling was om op die manier de tussenhandel van Arabieren uit te schakelen en dus goedkoper specerijen als zwarte peper (Piper nigrum) in te kunnen kopen. Het lastige was dat het Amerikaanse continent in de weg bleek te liggen en daar groeide geen zwarte peper.
[Image: João Medeiros - Puntige peper]

Maar wat hij niet wist was dat er wel degelijk een aantal familieleden van de zwarte peper groeiden. Al eerder heb ik hier de wilde peper of heilige peper (Piper amalago of soms nog Piper sanctum) beschreven. Ook de puntige peper (Piper aduncum) groeit in het wild aan de kusten en in de bossen van Midden- en Zuid-Amerika.

De puntige peper vertoont zich aan de wereld als een struik of kleine boom die tot zeven meter hoog kan opgroeien. De soort is bebladerd met wat hangende, geelgroene en ruwbehaarde bladeren. Hij bloeit met 8 tot 15 centimeter 'puntige' vruchtaren, waarin kleine bloemen ringvormig zijn ingeplant. De vruchtaren zijn zeer sappig en de kleine, zwarte zaadjes liggen in het vruchtmoes[1].

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Piper, is via het Grieks en het Persisch terug te voeren op een oeroud woord uit het Sanskriet, waar pippali ‘lange peper’ betekende. Het tweede deel, aduncum, is afgeleid van het Latijnse aduncus, wat 'gebogen' betekent en de vorm van de vruchtaar verklaart.

Zoals veel soorten binnen deze familie heeft deze boom de karakteristieke geur van peper. De vruchten worden gebruikt als specerij en om cacao op smaak te brengen. Het wordt soms gebruikt als vervanging van lange peper (Piper longum).

Ook de bladeren van deze struik hebben een sterke pepergeur. Het blad wordt in Suriname, samen met postelein (Portulaca oleracea), gekookt en als lauw kruidenbad gebruikt voor baby’s die last hebben van 'zuurte' (korrelige ontlasting, darmkrampen en luieruitslag). Het kind geeft men ook kleine hoeveelheid van het badwater te drinken. Soms worden er ook wat rode katoenbladeren (Gossypium barbadense) meegekookt, maar dan mag de baby er niets van binnen krijgen[2].

In het Amazone-regenwoud gebruiken veel van de inheemse stammen de bladeren nog steeds als antisepticum. In Peru werd het gebruikt om bloedingen te stoppen en zweren te behandelen. Later werd het ook in Europa toegepast bij de behandeling van ziekten van de geslachtsorganen en urinewegen.

De bloedstelpende effecten waren erg handig voor de gewonde Spaanse conquistadores en daardoor staat deze specerij ook bekend als hierba del soldado ('soldatenkruid').

[1] Docters van Leeuwen: Verspreiding van zaden door de tjamperling - 1932
[2] Van Andel, Ruysschaert: Medicinale en rituele planten van Suriname - 2011

Vijgenblad

Al eerder hebben we hier de vijg (Ficus carica) zelf beschreven, maar ook het vijgenblad lijkt positieve effecten op je gezondheid en welbevinden te hebben.
De het eerste deel van de wetenschappelijke naam van de ficus, Ficus, betekent in het Latijn gewoon ‘vijg’, maar dat vertelt ons nog niets. Het woord kan verder herleid worden tot het Griekse sukon (συκον) en daar herkennen we het Sumerische woord sukannu in. Zonder klinkers (die bestonden nog niet) wordt dat dus škn, wat zoiets betekende als 'wonen' of 'leefbaar'. Er werd vaak in de buurt van vijgenbomen een dorp gesticht. Het tweede deel, carica, is Grieks van oorsprong (Καρία) en betekent '(van) Karia', een regio welke thans deel uitmaakt van westelijk Turkije.

Uit een overzicht van eerdere wetenschappelijke onderzoeken bleek dat vijgenbladeren gunstige effecten hebben bij maag- en darmproblemen, aandoeningen van de luchtwegen, hart- en vaatziekten, diabetes, huidproblemen, zweren, dysenterie en aambeien[1]. Ik geef toe dat een deel van die onderzoeken zijn gepubliceerd in ietwat schimmige publicaties, maar het valt niet te ontkennen dat vijgenblad een interessant middel is om bepaalde gezondheidsproblemen mee te bestrijden.

Uit Japan kwam begin 2022 een wetenschappelijk onderzoek, waarin het effect wordt onderzocht van het drinken van vijgenbladthee op atopische dermatitis[2]. Atopische dermatitis wordt ook constitutioneel eczeem genoemd en is een chronische ontstekingsziekte van de huid. De vervelende verschijnselen zijn roodheid, schilfering, warmte, zwelling, rode bultjes, vochtblaasjes, vochtafscheiding, korstjes en de effecten van krabben. Er zijn vele prikkels (allergenen) die het opvlammen van eczeem kunnen veroorzaken. De behandeling bestaat vaak uit hormooncrèmes, al kunnen die niet te lang achtereen worden gebruikt vanwege de bijwerkingen.

Het blijkt dat het regelmatig drinken van vijgenbladthee de ernst van het eczeem significant verminderde. Vier weken na het stoppen van het drinken van de vijgenbladthee bleek het eczeem weer even erg als voor het onderzoek, wat bewees dat het effect het gevolg was van de vijgenbladthee.

De geïnteresseerde lezer van dit artikel zal zich inmiddels afvragen welke stofjes in het vijgenblad die positieve effecten op het eczeem tot gevolg hebben. Het probleem is dat die nog steeds niet bekend zijn. Wel speculeren de onderzoekers dat die nog onbekende stofjes een remmend effect hebben op de niveaus van IgE-antilichamen, die worden aangemaakt als reactie op binnengedrongen antigenen.

Je immuunsysteem wordt dus eigenlijk wat tot rust gebracht en zal minder extreem reageren.

Hoe maak je die vijgenbladthee?
Doe drie tot vijf vijgenbladeren in een pan en bedek ze met kokend water. Nadat je het water vijftien minuten hebt laten koken, verwijder je de bladeren. Laat het water afkoelen en het vijgenbladextract is klaar om te drinken. De thee heeft een heerlijke smaak en een sterk aroma, net als de vijg zelf.

[1] Zhongyuan et al: A comprehensive review on phytochemistry, bioactivities, toxicity studies, and clinical studies on Ficus carica Linn. Leaves in Biomedicine and Pharmacotherapy – 2021. Zie hier.
[2] Abe et al: Efficacy and Safety of Fig (Ficus carica L.) Leaf Tea in Adults with Mild Atopic Dermatitis: A Double-Blind, Randomized, Placebo-Controlled Preliminary Trial in Nutrients – 2022. Zie hier.

Afrikaanse eierplant (of Bittere tomaat)

De Afrikaanse eierplant (Solanum aethiopicum) wordt ook wel de bittere tomaat genoemd. Deze soort is dus directe familie van, onder andere, de tomaat (Lycopersicon esculentum) en de aubergine (Solanum melongena). Deze soort wordt aangetroffen in zuidelijk Azië en tropische delen van Afrika.
Het opvallende is dat de vrucht van deze soort lijkt op een soort kruising tussen een aubergine (eggplant, in het Engels) en een tomaat. Biologen vermoeden dat de Afrikaanse eierplant wel eens kan afstammen van de paarse eierplant (Solanum anguivi), een wilde voorouder. Andere biologen proberen ons weer in verwarring te brengen door te melden dat de paarse eierplant slechts een cultivar is van de Afrikaanse eierplant.

In diens natuurlijke habitat heeft de Afrikaanse eierplant natuurlijk het voordeel van veel zonlicht. Dat zorgt voor een uitbundige groei, waardoor de vaak sterk vertakte plant wel 2,5 meter hoog kan worden. In ons land is het een stuk minder aangenaam en dus zal de Afrikaanse eierplant onder glas ingezaaid moeten worden en pas later worden uitgeplant op een zonnige plaats.

De bloemen zijn prachtig stervormig. Kelk- en kroonbladen zijn vergroeid. De kleur is wit. De vijf gele meeldraden zijn als een bundeltje rondom de stijl te vinden, maar zijn wel vrij van elkaar. Na de bloei ontstaat een vrucht, die er uitzien als kleine vleestomaatjes met een stevige steel of als een minipompoen. Meestal worden deze vruchten nog groen geoogst, voordat ze een dikke schil krijgen. Bij het rijpen ontstaat een diepe oranjerode kleur, onder andere door de vorming van behoorlijk wat caroteen. De smaak is afhankelijk van het ras zoetachtig tot iets bitter. De vrucht wordt zowel vers als gekookt gegeten. Omdat de vruchten ook in de late herfst beschikbaar zijn, worden het ook wel kerstaubergines genoemd.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Solanum, komt uiteindelijk van het Latijnse woord solacium wat ‘troost’ betekent. In de Nederlandse taal is de betekenis van 'soulaas' in de loop der jaren veranderd in 'verlichting' of 'steun'. Het tweede deel, aethiopicum, is Latijns en betekent '(uit) Ethiopië'.

In Afrikaanse landen worden de bladeren van de Afrikaanse eierplant als gekookte bladgroente gegeten en blijken eigenlijk nog voedzamer te zijn dan de vruchten. De vrucht wordt zowel rauw als gekookt gegeten. De bitterheid van die vrucht hangt af van de hoeveelheid saponine die het bevat. Daardoor hebben sommige cultivars een zoete smaak, terwijl andere erg bitter kunnen zijn.

Intussen wordt de plant steeds populairder als cultuurgewas. Daardoor ontstaan er meer en meer cultivars die aangepast zijn aan de plaatselijke omstandigheden en smaakbeleving. In ons land wordt de Afrikaanse eierplant uitsluitend ingezet als stekje in winterse bloemstukjes. Heb je toch een stukje Afrikaans zonlicht in huis tijdens die donkere dagen.

Wil je zelf eens proberen de Afrikaanse eierplant (of Bittere tomaat) op te kweken dan kun je hier de zaadjes bestellen.

Zoete osmanthus

In Nederland wordt hij de zoete osmanthus (Osmanthus fragrans) of schijnhulst genoemd, maar in Engelstalige landen gaat deze soort ook getooid met namen als sweet olive, tea olive en fragrant olive. De Engelsen hebben deze keer gelijk, want het geslacht Osmanthus behoort inderdaad tot de familie der Oleaceae, ook bekend als de olijffamilie. Deze soort is inheems in grote delen van Zuidoost-Azië, van de Himalaya, via zuidelijk China tot Taiwan, zuidelijk Japan en Cambodja en Thailand.
De zoete osmanthus is een groenblijvende struik tot kleine boom die maximaal tot een meter of twaalf hoog kan worden. De fijngetande bladeren zijn tot 15 centimeter lang, waarbij een breedte van vijf centimeter hoort. De zoete osmanthus bloeit met bloemen in kleine clusters in de late zomer en herfst. De bloemen zijn wit, lichtgeel, geel of oranjegeel. Ze zijn maar klein, niet meer dan een centimeter lang, met een vierlobbige bloemkroon, maar hebben wel een sterke zoete geur die aan die van rijpe abrikozen doet denken. Vandaar zijn naam.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Osmanthus, is een combinatiewoord uit het Oud-Grieks, waar osmḗ (ὀσμή) 'geur' betekende en ánthos (ἄνθος) 'bloem'. Samen is dat dus 'geurende bloem'. Het tweede deel, fragrans, is terug te voeren op het Latijn, waar frāgrō 'geur' betekende. In het hedendaagse Engels is fragrant nog steeds 'geurig'.

Die geurige bloemen hebben uiteraard de aandacht getrokken van de Chinezen. Samen getrokken met zwarte of groene theeblaadjes ontwikkelden ze de osmanthusthee. Diezelfde bloemen worden nog steeds gebruikt om een smakelijke, naar zoete osmanthus geurende jam (of jelly) te maken. Recepten voor overheerlijke cakes met osmanthus bestaan ook, maar in China zijn ze zo dol op osmanthusbloemen dat ze die ook in soepen, likeuren en desserts verwerken.
Maar de osmanthus is niet alleen zoet, maar een thee, getrokken van de bloemen, werd naar verluid in China ingezet voor de behandeling van een onregelmatige menstruatie[1]. Ik heb het onderzoek even nagekeken, maar ben niet overtuigd van de werkzaamheid voor die kwaal. Persoonlijk zou ik eerst naar de huisarts gaan met dit soort klachten.

Dat er wat vervelende stofjes in de bloemen verstopt zitten blijkt ook uit het feit dat diezelfde bloemen in India gebruikt worden om insecten te verdrijven. Kleding wordt ingesmeerd met een extract van de bloemen. Persoonlijk zou ik denken dat insecten worden aangetrokken door de zoete geur, want daar is die evolutionair voor bedoeld.

[1] Zhou: Flower herbal tea used for treatment of menopathies in Journal of Traditional Chinese Medicine - 2008

Andalimanpeper

De andalimanpeper (Zanthoxylum acanthopodium) wordt, afhankelijk van zijn vindplaats, ook Batak peper, citroenpeper, lemon pepper, intir-intir (Sumatra) of Sẻn (Vietnam) genoemd. Deze soort komt voor in heel Zuidoost-Azië, maar dan speciaal op berghellingen op een hoogte tussen de 1,500 en 3,000 meter. Dat maakt 'm ook behoorlijk lastig te oogsten.
[Image: Kristina Purba - Verse andalimanpeper]

De andalimanpeper is een broertje van de veel bekendere szechuanpeper (Zanthoxylum piperitum) en de veel onbekendere timutpeper (Zanthoxylum armatum). De andalimanpeper groeit als een grote struik of kleine boom die tot een meter of vijf hoog kan worden. Hij verdedigt zichzelf met vervaarlijke stekels en dat is logisch: in de onherbergzame gebieden, waarin hij leeft, is weinig voedsel te vinden voor grazers en die stekels zorgen er voor dat hij redelijk met rust gelaten wordt.

De bloemen waaruit de bessen groeien, bevinden zich in de direct omgeving van de doornen. De besjes bevatten één zaadje en kleuren rood wanneer ze afrijpen. De besjes zijn kleiner dan die van de zwarte peper (Piper nigrum), zo'n 2 tot 3 mm. Net als de besjes van de zwarte peper worden ze geplukt voordat ze rijpen en dus nog groen zijn. Dat kan het hele jaar door, met het hoogseizoen in maart. Ook de onrijpe andaliman-besjes kleuren zwart wanneer ze drogen. Voor een kilogram gedroogde andaliman zijn wel acht kilogram verse besjes nodig.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Zanthoxylum, is een combinatiewoord uit het Oud-Grieks, waar xanthos (ξανθός) 'geel' betekent en ksulon (ξύλον) 'hout'. Samen is dat dus 'geel hout'. Dat klopt, want de familie heeft diepgeel hout. Het tweede deel, acanthopdium, is eveneens een combinatiewoord uit het Oud-Grieks: ákanthos (ἄκανθος) van akḗ (ἀκή) 'doorn' en ánthos (ἄνθος) 'bloem', gekoppeld aan pódion (πόδιον) 'basis', een verkleinwoord van poús (πούς) 'voet'. Samen is dat dus 'doorn en bloem aan de basis'. De bloem zit niet op een lange steel.

Net zoals de szechuanpeper creëert ook de andalimanpeper een wat vreemd tintelend en doof gevoel aan de lippen en het puntje van de tong. Dat is het gevolg van de aanwezigheid van een stof met de naam hydroxy-alpha-sanshool. Deze stof lijkt verschillende zenuwuiteinden, die normaal vrij gevoelloos zijn, tegelijkertijd te kunnen triggeren. Deze uiteinden zijn in normale omstandigheden gevoelig voor aanraken en kou.

De citroenachtige geur en smaak van de andalimanpeper heeft iets weg van die van citroengras (Cymbopogon flexuosus) met een hint van die van pandanblad (Pandanus amaryllifolius). Het aroma van szechuanpeper heeft daarentegen, volgens kenners, naast die van citrus ook een hint van lavendel (Lavandula angustifolia).

Andalimanpeper kan toegepast worden bij ieder vlees- of visgerecht. Het geeft er een heerlijk frisse smaak aan.

Afrikaanse indigo

Indigo, een intense kleur die zit tussen blauw en violet, is zo gewild geweest in de geschiedenis dat we hem op zo'n beetje alle continenten (en in vele columns op dit weblog) al hebben aangetroffen in de vorm van planten en productiemethodes. Alle continenten? Nee, Afrika ontbreekt nog in deze serie en dat blijkt onterecht te zijn.
[Image: Reiner Wendt]

 

De Afrikaanse indigo (Philenoptera cyanescens) is een bladverliezende struik die een beetje een identiteitscrisis heeft: hij kan tot vier meter meter hoog kan worden of een klimplant met stengels tot 20 meter lang, vandaar zijn Franse benaming liane à indigo. De Afrikaanse indigo is inheems in tropische delen van West-Afrika. De soort groeit in bossen en struikgewas langs de kust, langs rivieren en langs de bosranden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Philenoptera, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar philos (φίλος) 'vriend' betekende en pterón (πτερόν) 'vleugel'. Samen probeert het de vleugeltjes aan de peul te beschrijven die zorgen voor de verspreiding. Het tweede deel, cyanescens, is afgeleid van het Oudgriekse woord kúanos (κῠ́ᾰνος), wat de kleur donkerblauw beschreef.

De kleurstof zit verstopt in de bladeren. Deze worden gefermenteerd, waarna de uiteindelijk de indigo aan de plant onttrokken kan worden. Uit die bladeren kan 0.1 tot 0.3% van de precursors (voorlopers) van indoxyl onttrokken worden. Het kan een opbrengst opleveren van de indigokleurstof met tot 43% indigotine. De noodzakelijke alkaliteit wordt verkregen door loog uit houtas toe te voegen. De oplossing wordt 6 tot 8 dagen gefermenteerd en het verfbad is dan meestal klaar om de doek erin te laten inkleuren. Deze techniek was ten minste al vanaf de 11e eeuw in West-Afrika in gebruik.

Tijdens het verfproces hechten zich naast indigotine en diens broertje indirubine ook een hele serie gele flavonoïde kleurstoffen zoals quercetine, een quercetineglycoside, kaempferol en rhamnetine aan de vezel, maar deze verdwijnen geleidelijk door het dragen van de doek, blootstelling aan de zon en herhaaldelijk wassen.

Het gefermenteerde materiaal komt op de markt in de vorm van handmatig geperste bollen (aró in het Yoruba, een regionale taal). Er is enige export van de kleurstof vanuit Liberia naar Europa. Het wordt nog steeds gebruikt voor het verven van blauwe tot blauwzwarte katoenen doeken (gelijksoortig aan het Indische batik), schorsdoek, raffia en andere plantaardige vezels, leer, haar en houtsnijwerk.

Voordat men synthetische kleurstoffen ontwikkelde was er een bloeiende exporthandel van deze kleurstof naar Europa. Traditionele stof, geverfd met deze plant, wordt nog steeds in beperkte mate geëxporteerd naar Amerika, Europa en verschillende Afrikaanse landen.

Chinese indigo

Tot de ontdekking van aniline in 1842, een synthetisch geproduceerde blauwe kleurstof, moest men zijn toevlucht nemen tot de natuur. In West-Europa was de Wede (Isatis tinctoria) tot de 15de eeuw de meest gebruikte bron. In andere contreien werden ook planten ontdekt die een prachtige kleur blauw konden opleveren.
In Indië bleek de (echte) indigo (Indigofera tinctoria) de meeste kleurstoffen in zich te herbergen, maar ook in Midden-Amerika konden bewoners met een broertje van de (echte) indigo de kleur blauw maken: Anil (Indigofera suffruticosa) stond plaatselijk ook bekend als Guatemalan indigo, West Indian indigo en wild indigo.

Maar hoe zit het in die andere oude wereldmachten: China en Japan? Moesten die zich behelpen met de invoer van de Indiase indigo?

Het is antwoord op die vraag is dat inventieve bewoners daar uiteraard een inheemse bron voor indigo wist te ontdekken. In zowel China als Japan maakte men dankbaar gebruik van de zogenaamde Chinese of Japanse indigo (Persicaria tinctoria). Deze indigo werd ingevoerd in Japan en daarom is het onjuist om hem Japanse indigo te noemen. Deze soort behoort tot de familie der duizendknopen, maar is weer geen directe familie van de Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), al behoren ze wél tot hetzelfde geslacht, de Polygonaceae.

De Chinese indigo is inheems in Zuidoost-Azië. Het is een eenjarig kruid die gemiddeld zo'n 60 centimeter hoog zal worden. Hij is in het bezit van een sterk vertakte rossige stengel. De bladeren zijn ovaal tot elliptisch. Deze soort bloeit met een dichte felroze aar die tot vijf centimeter lang kan worden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Persicaria, is afgeleid van het Latijnse woord persicarius, wat 'een perzikboom' betekent. De naam werd gekozen omdat de bladeren van deze indigosoort lijken op die van de perzikboom. Het tweede deel, tinctoria, is afkomstig uit het Latijn, waar tinctoria uiteraard 'geverfd' betekent. Ook ons woord 'tinctuur' heeft dezelfde oorsprong.

De indigo in de Chinese indigo zit verborgen in de bladeren. De techniek om die indigo aan de bladeren te ontfutselen was al bekend in de zogenaamde Westelijke Zhou periode (circa 1045 tot 771 vChr).

De bladeren maken onder invloed van fotosynthese behoorlijke grote hoeveelheden aan van de kleurloze stof indoxyl β-D-glucoside (ofwel indican). Men vermaalde de bladeren, weekte ze acht dagen in water en voegde tot slot limoensap toe. Via een chemisch proces, hydrolyse genaamd, ontstond indoxyl, dat na blootstelling aan zuurstof reageerde tot het blauwgekleurde indigo.

Het was een nogal arbeidintensief proces en daardoor waren de Chinese en Japanse werknemers vast behoorlijk opgelucht toen de indigo uit Indië kon worden geïmporteerd.

Dotterbloem

Een beetje jeugdsentiment is de dotterbloem (Caltha palustris). Vroeger toen alles nog beter leek te zijn speelden kinderen veel buiten en wisten precies hoe een dotterbloem er uit zag. Kom daar tegenwoordig nog maar eens om. Nu hebben kinderen vaak eelt op de toppen van hun vingers omdat ze dagelijks urenlang nutteloze games spelen op hun computer.
De dotterbloem wordt tot 40 centimeter hoog en houdt van een vochtige omgeving met zuurstofrijk water, maar is zoutmijdend. Daardoor ontbreekt deze soort in de zeekleigebieden. Daardoor vormt in Friesland de overgang van veen naar zeeklei de noordelijke grens voor de dotterbloem. De soort hebben intens dooiergele bloemen. Gewoonlijk zijn het er vijf, maar meer komen ook geregeld voor. De dotterbloem bloeit vooral in het midden van de lente en dat doet hij dan niet alleen: hij bloeit soms zo uitbundig dat er een gele gloed over het landschap lijkt te handen.

Door urbanisatie, ontwatering en bemesting is de dotterbloem sterk achteruit gegaan. Het politieke geneuzel over nitraat raakt ook deze soort, want hij is in staat veel nitraat op te nemen. Meer dotterbloemen betekent dus minder nitraat.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Caltha, is afgeleid van het Oud-Griekse woord kálathos (κάλαθος), wat een op een vaas lijkende mand, gemaakt van riet of twijgen was. Het probeert de vorm van de bloem te beschrijven. Het tweede deel, palustris, is gevormd uit het Latijnse woord palūs, wat 'moeras' betekende. Het beschrijft de favoriete standplaats van de dotterbloem. De oorsprong van het woord 'dotter' is ook bekend: het Middelnederlandse woord 'doder' (dodre) betekende ‘(ei)dooier’, daarmee verwijzend naar de gele kleur van de bloemen.

Ik zou de dotterbloem niet direct in je salade verwerken, want hij bevat een aantal gevaarlijke stofjes. De belangrijkste daarvan is protoanemonin. Innemen van wat grotere hoeveelheden lijdt onherroepelijk tot stuiptrekkingen, braken, bloederige diarree, duizeligheid en flauwvallen. Contact van de huid of slijmvliezen met de sappen kan tot blaarvorming of ontstekingen leiden.

Jongere planten en bloemknoppen lijken wat minder giftige stoffen te bevatten en verhitting breekt deze stoffen goed af. Die jonge bladeren of knoppen moeten een paar keer worden ondergedompeld in vers kokend water tot ze beetgaar zijn. Snij ze in kleine stukjes en serveer ze licht gezouten, gesmolten boter en azijn. In Duitsland worden zeer jonge bloemknoppen soms als kappertjes (Capparis spinosa) bereid door ze eerst te koken en vervolgens in te maken in azijn. Ze staan bij onze oosterburen bekend als falsche Kapern.

In deze periode met voortdurend stijgende prijzen is dat misschien niet eens zo'n slecht idee om die 'nep kappertjes' hier ook eens te proberen.

Japanse gember (of Myoga)

Iedereen kent gember (of djahé), de wortel of wortelknol van de gemberplant (Zingiber officinale) en die in zoveel Oosterse gerechten wordt gebruikt. Maar, zoals zo vaak het geval is in de natuur, heeft ook gember diverse broertjes en zusjes. Een daarvan is de Japanse gember of myoga (Zingiber mioga).
De Japanse gember is inheems in de gematigde klimaatgebieden in Zuidoost-Azië. Hoewel de plant soms in de bergen van Japan wordt aangetroffen, wordt de Japanse gember beschouwd als geïmporteerd vanaf het continent en in Japan gecultiveerd. De Japanse gember wordt namelijk alleen gevonden in gebieden waar mensen in het verleden hebben geleefd en er in Japan nooit wilde soorten zijn ontdekt. Bovendien is het chromosoom abnormaal, wat ook al duidt op langdurig menselijk ingrijpen. Mede daardoor lukt vermeerdering over het algemeen slechts door wortelstekken.

In tegenstelling tot de (gewone) gember is de wortel van de Japanse gember niet eetbaar, maar worden de naar roze neigende bloemknoppen gebruikt in diverse Japanse gerechten. Deze exclusieve bloemknoppen zijn in Japan zeer gewild en dienen geoogst te worden net voordat ze open gaan. Dus juist voordat de plant gaat bloeien. De smaak is een delicate mix van gember en bosui.

De plant ontluikt in de lente met een lange steel en prachtige groene bladeren. Een kleine plant groeit al snel uit tot een grote bos. Door de snelle groei komt hij het beste tot zijn recht in de volle grond op een gedeeltelijk beschaduwde plek. In de zomer zullen de eerste bloemknoppen verschijnen. Dit gaat door tot dat de eerste kou in de lucht komt in de (soms) late herfst. De bloemknoppen zijn eenvoudig van de plant af te breken of te snijden.

Snijd ze doormidden of in fijne reepjes. Ze kunnen worden gebruikt als garnering bij soepen, noedels en salades. Bovendien kunnen ze worden ingemaakt. Ze zijn kort houdbaar in de koelkast.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Zingiber, is allereerst afkomstig uit het Oud-Grieks: zingiberis (ζιγγ?βερις). Die versie is een vrij nauwkeurige transcriptie van hetzelfde woord in diverse Indiase talen, bijvoorbeeld het Pali (singivera) of het Sanskriet (shringavera). Die zijn op hun beurt weer afgeleid uit inji, het nog veel oudere Dravidische woord voor gember. Het tweede deel, mioga, is afgeleid van het Japanse 茗荷 (myōga). Dát woord is een verbastering van de term menoka ('zwak geurend') om het verschil met sterk geurende gembervarianten te beschrijven.

In China wordt de Japanse gember medicinaal gebruikt om hoest en reuma te behandelen. Modern wetenschappelijk onderzoek toont aan dat een extract van de bloemknoppen zowel het lichaamsgewicht als de cholesterolniveaus kan verminderen[1]. Weliswaar slechts bij muizen met overgewicht, maar het is een begin.

[1] Lee et al: Zingiber mioga reduces weight gain, insulin resistance and hepatic gluconeogenesis in diet-induced obese mice in Experimental and Therapeutic Medicine – 2016. Zie hier.

Ansjovis

Ik weet het: een ansjovis (Engraulis encrasicolus) is een vis en is zeker geen kruid of specerij. Die observatie klopt tot op zekere hoogte, maar ansjovis wordt al sinds mensenheugenis (en dat is lang) gebruikt als smaakversterker in vooral Mediterrane gerechten.
De (Europese) ansjovis is verre familie van de haring. Als hij er in slaagt om uit de netten van vissers te blijven kan deze soort een lengte bereiken van zo'n 20 centimeter. Hij heeft een wat afgeronde kop met een korte onderkaak. Het voedsel bestaat uit dierlijk plankton. De ansjovis komt voor in de Atlantische Oceaan, de Noordzee, de Middellandse Zee, Zwarte Zee en het westelijke deel van de Indische Oceaan.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Engraulis, is afkomstig uit het Oud-grieks, waar éggraulis (ἔγγραυλις) al 'een soort sardine' betekende. Het tweede deel, encrasicolus, is een iets andere vorm van het hiervoor benoemde eerste deel.

Ansjovis wordt gepekeld in diverse Mediterrane keukens gebruikt. De ansjovissen worden daar minimaal een maand in zout ingelegd om ze voldoende op smaak te krijgen. Je zou verwachten dat de ansjovis hierdoor zout (en een zoute smaak) aan een gerecht toevoegt, maar vreemd genoeg werkt die vis als een smaakversterker, zoals Maggi of ve-tsin (E-621). Een gerecht smaakt dus niet zout of zouter, maar wordt hartiger en dat is de beroemde vijfde smaak.

Je dacht misschien dat er maar vier basissmaken bestaan: zoet, zuur, zout en bitter. Het waren de Japanners, die als eersten tot het besef kwamen dat we een vijfde smaak hebben die gevoelig is voor glutamaat, een aminozuur.

Die vijfde smaak heeft in Japan heeft deze smaak de naam umami ('hartig') gekregen. De smaak van umami is subtiel en versterkt de smaakbeleving van de andere smaken. De meeste mensen zullen umami niet eens kunnen herkennen. Oude kaas en tomaten zouden heel anders smaken zonder het aminozuur glutamaat. De witte zoutkristallen nabij de korst van oude kaas zijn in werkelijkheid glutamaatkristallen.

Zout staat tegenwoordig is een kwaad daglicht, want het zou zorgen voor een verhoogde bloeddruk en nog wat andere vervelende kwalen. Het advies is dus om zout zoveel mogelijk te vermijden en dus is ansjovis een perfect alternatief. Drapeer je dus wat ansjovisstukjes op je pizza, dan zul je ontdekken dat ook die pizza behoorlijk aan smaak heeft gewonnen.

In Spanje mag de ansjovis eerst een nachtje in azijn of citroensap liggen. Daarna wordt er olijfolie, knoflook en peterselie over gedaan en vervolgens wordt het visje als tapa (tapas is de meervoudsvorm) gegeten.

Koop de allerbeste kwaliteit ansjovis hier.

Roomse kamille

Nee, de roomse kamille (Chamaemelum nobile) is weer eens niet een broertje van de echte kamille (Matricaria chamomilla). Natuurlijk hebben ze wel een nauwe familieband, maar dan meer als neef en nicht. Dat blijkt bijvoorbeeld ook uit allerlei potentieel werkzame stofjes die in beide soorten voorkomen.
Met een naam als roomse kamille rijst de vraag natuurlijk of deze kamille uit de omgeving van Rome afkomstig is of dat hij vooral door Rooms-katholieken werd toegepast als medicinaal kruid. Is het kruid soms Roomser dan de paus? Het antwoord is dat deze kamillesoort de Romeinen vernoemt, die de plant tijdens hun veroveringstochten naar Noordwest-Europa zouden hebben meegenomen. Het vreemde is echter dat de soort in heel West-Europa inheems is. De roomse kamille komt voor op droge, zanderige grond.

De roomse kamille is een kruidachtige plant die circa 30 centimeter hoog kan worden. De plant heeft (soms) behaarde, omhooggaande en rechtopstaande stengels. De roomse kamille bloeit van juli tot oktober met gele buisbloemen. De plant heeft de bekende aromatische geur die doet denken aan die van appels.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Chamaemelum, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar khamaí (χαμαί) 'van de grond' betekende en mêlon (μῆλον) 'appel'. Samengevat is dat dus 'appel van de grond' en het komt omdat de plant ietwat appelachtig zoet geurt. Het tweede deel, nobile, is terug te vinden in het Latijns, waar het 'nobel' en 'edel' betekent. Men dacht ooit dat de roomse kamille werkzamer was dan de echte kamille.

De roomse kamille wordt al sinds de Middeleeuwen toegepast in de geneeskunst. De Europese teelt begon in de 16de eeuw in Engeland, maar zoals hierboven al werd gemeld werd de plant al een millennium eerder door de Romeinen op waarde geschat. Daarvoor vonden de oude Egyptenaren hem al zo waardevol dat hij diende als symbool voor de toewijding aan hun goden.

Wat zijn dan die zo positieve effecten waardoor men dus al eeuwen de roomse kamille gebruikt voor allerhande kwamen? Kamille werkt ontstekingsremmend op de slijmvliezen van het spijsverteringsstelsel, zo melden vrijwel alle websites die hun bestaansrecht rechtvaardigen door het verkopen van onzin. De werkelijkheid is weerbarstiger, want er bestaat nauwelijks betrouwbaar wetenschappelijk onderzoek dat als uitkomst heeft dat het werkzaam is tegen ook maar enige kwaal.

Het enige wat ik kon vinden in betrouwbaar geachte vakbladen is dat het drinken van een extract van de roomse kamille vaatvernauwende effecten heeft. Bovendien stimuleert het de urineproductie[1][2]. Weliswaar is dat allemaal slechts vastgesteld in ratten, maar het is een hoopvol begin.

[1] Zeggwagh et al: Hypotensive effect of Chamaemelum nobile aqueous extract in spontaneously hypertensive rats in Clinical and Experimental Hypertension – 2009
[2] Zeggwagh et al: Vascular effects of aqueous extract of Chamaemelum nobile: in vitro pharmacological studies in rats in Clinical and experimental hypertension - 2013

Baharat

Baharat is een kruiden- en specerijenmengsel uit de Arabische keuken. Baharat betekent letterlijk ‘specerij’ in het Arabisch, zo schrijft iedereen elkaar op internet na. Zelfs Jonnie Boer, die blikjes met specerijen vult voor Euroma, laat dat hier gedachteloos optekenen.
Om aan alle onzekerheid een einde te maken begin ik deze keer dit artikel met de verklaring van het woord baharat. Het woord is in eerste instantie terug te vinden in het Arabisch, waar bahārāt het meervoud is van bahār, wat 'lente' betekent. Dat woord is op zijn beurt geleend van het Oudperzisch: het woord bahâr gaf oorspronkelijk het gevoel van (nieuwe) 'bloesems' en 'bladeren' weer. Het woord baharat probeert dus te beschrijven dat veel kruiden en specerijen afkomstig zijn van diverse planten en kruidachtigen.

Baharat is een mengsel van fijngemalen specerijen. Deze mix wordt vooral gebruikt in de diverse keukens in het Midden-Oosten voor het kruiden van lams- of schapenvlees, vis, kip, rundvlees en soepen, maar kan ook als algemene smaakmaker worden gebruikt.

Het precische recept van baharat staat niet vast. Dat is het gevolg van regionale verschillen en de beschikbaarheid van de kruiden en specerijen. De meest voorkomende versie is een mengsel van piment, zwarte peper, kardemom, cassia, kruidnagel, korianderzaad, komijnzaad, nootmuskaat, kurkuma (ook koenjit of geelwortel genoemd), saffraan, gember en gedroogde chilipepers of paprika. Het geheel geeft gerechten een warme gloed.

In Turkije stoppen ze graag grote hoeveelheden gedroogde munt in hun baharat, terwijl men in Tunesië weer iets heel anders met baharat bedoelt: daar is het een mengsel van gedroogde rozenknoppen, kaneel en vaak gecombineerd met zwarte peper. In Saoedi-Arabië worden zongedroogde zwarte limoenen en saffraan aan de baharat toegevoegd.
[Zongedroogde limoenen]

Je ziet: de receptuur van dit kruidenmengsel staat nergens vast en op veel plaatsen hebben ze zo hun eigen ideeën wat er precies in dat mengsel verstopt hoort te zitten. Maar uiteindelijk is baharat natuurlijk een oplossing om je dagelijkse eten wat extra kleur en geur te geven. Bovendien zijn diverse kruiden en specerijen ook lichtelijk antiseptisch. Daardoor zullen de eerste tekenen van bederf gemaskeerd kunnen worden. Niet iedereen had (en heeft) namelijk een goedwerkende koelkast of een goedwerkend electriciteitsnetwerk, waardoor vlees sneller dan verwacht een verdacht geurtje kan krijgen.

Echte kamille

Echte kamille (Matricaria chamomilla) is een eenjarig kruid dat soms ook Duitse kamille wordt genoemd. De soort is van oorsprong inheems in Zuid- en Oost-Europa, Noord-Afrika, India en West-Azië. Al in de Romeinse tijd werd ze in wat nu Nederland is ingevoerd. Afhankelijk van de voedingswaarde van de grond kan de hoogte van de echte kamille variëren van 20 tot 50 centimeter. Hij komt voor op open, vochtige tot droge, betreden of omgewerkte grond. De stengels staan rechtop en zijn vertakt. Het blad is geveerd met lange, smalle, lijnvormige slippen.
De echte kamille bloeit van mei tot soms begin oktober. Het bekende bloemhoofdje heeft een witte stralenkrans van lintbloemen en in het hart heldergele vijftandige buisbloempjes. 's Nachts en aan het einde van de bloem neigen die witte lintbloemen hun moede hoofd naar beneden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Matricaria, is afgeleid van het Latijnse woord mātrīx, wat ooit 'baarmoeder' heeft betekend. Het probeert het gebruik van dit geslacht te verklaren en, inderdaad, werden de kamilles ooit veel ingezet voor 'vrouwenkwalen'. Het tweede deel, chamomilla, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar khamaí (χαμαί) 'van de grond' betekende en mêlon (μῆλον) 'appel'. Samengevat is dat dus 'appel van de grond' en het komt omdat de plant ietwat appelachtig zoet geurt.

Kamille werd al medicinaal toegepast in het Oude Egypte en dan spreken we over zo'n 5500 jaar geleden. Het is echter lastig om achteraf duidelijk te krijgen welke soort kamille men toen in gebruik had. Tijdens het bewind van Karel de Grote (748-814) werd de echte kamille veelvuldig in kloostertuinen aangeplant om die medicinale eigenschappen.

De bloemen van vele kamillesoorten bevatten matricine, een ontstekingsremmende bitterstof. Vanwege die matricine werd echte kamille voornamelijk als kruidendrank ingezet bij ontstekingen van de slijmvliezen. Een extract van echte kamille wordt ook toegepast bij ontstekingen van het mondslijmvlies en tandvlees. Ook is deze soort goed in te zetten bij ontstekingen van het maag- en darmslijmvlies, bij brandend maagzuur en buikgriep. Een kopje kamillethee wordt nog steeds gebruikt om de gevolgen van een verkoudheid te bestrijden. Matricine werkt eveneens kalmerend en pijnverdovend op de huid.

Tijd om matricine eens langs de objectieve meetlat van de wetenschap te leggen en wat blijkt: matricine volgt in het lichaam dezelfde chemische route als de pijnstiller en ontstekingsremmer ibuprofen[1].

Verder bevat de echte kamille nog bisabolol en is actief tegen bacteriën en schimmels. Doordat het bovendien een milde bloemengeur heeft, wordt het in allerhande cosmetica gestopt. Het wordt dan tegelijkertijd als conserveermiddel en als parfum gebruikt. Twee toepassingen voor de prijs van één. Slim.

[1] Ramadan et al: Chamazulene carboxylic acid and matricin: a natural profen and its natural prodrug, identified through similarity to synthetic drug substances in Journal of Natural Products - 2006

Kapperappeltjes

Nog maar weinig mensen zullen gehoord hebben van kapperappeltjes, ook wel appelkappertjes genoemd. Al eerder hebben we hier over kappertjes gesproken, maar wat is de onderlinge verwantschap en wat is het verschil?
[Links: Kappertjes | Rechts: Kapperappeltjes]

Kappertjes zijn de onbevruchte bloemknoppen van de kappertjesplant (Capparis spinosa), die inheems is in zo'n beetje het hele Middellandse Zeegebied. Deze bloemknoppen moeten voor zonsopgang geplukt worden omdat ze ongeopend worden gebruikt in diverse Mediterrane keukens. De kappertjes worden nimmer gedroogd, maar direct na het plukken ingelegd in olijfolie, pekel of azijn. In enkele gevallen worden ze ingelegd in zout. In het algemeen wordt vastgehouden aan het idee dat hoe kleiner de kappertjes zijn, hoe waardevoller en smaakvoller ze zijn.

Maar als die bloemknoppen bevrucht worden, dan ontstaat er na verloop van tijd een bes. Dát is de kapperappel of appelkapper. Zelf meen ik dat de eerste variant de meest aanvaardbare is, want het is tenslotte een op een appeltje lijkende bes van de kapper.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Capparis, is wat obscuur. Ik geloof dat het afstamt van het Griekse woord kapto (κάπτω), dat 'bijten' betekent en de doornen van diverse soorten binnen het geslacht beschrijft. Het tweede deel, spinosa, is Latijns en betekent ook al 'doorn' of 'stekel'. Hoewel de kappertjesplant dus behoorlijk stekelig moet zijn geweest, heeft men die doornen in moderne cultivars laten verdwijnen.

Kapperappeltjes zijn vooral geliefd in diverse Spaanse regionale keukens en daar staan ze bekend als alcaparras de manzana. Kapperappeltjes zijn daar onmisbaar als onderdeel van diverse varianten tapas. Ook aan salades, vis- en kipgerechten geven kapperappeltjes een heerlijke nieuwe smaaksensatie.

Deze bijzondere lekkernij heeft een friszure smaak en een lekkere stevige bite. Perfect dus om je gerechten mee af te maken of als hapje bij de borrel. Je kunt kapperappeltjes namelijk ook zo in hun geheel eten, alleen moet je de steeltjes eerst wel even verwijderen. Maar dat moet je bij het eten van kersen ook, dus dat zal vast geen probleem zijn.

Zowel kappertjes als kapperappeltjes zijn van nature ietwat taai van structuur. Al heel vroeg in de geschiedenis hebben slimme bewoners van de Mediterrane contreien verzonnen dat je ze moet inmaken om ze zachter te maken. Dat inmaken gebeurt in een mengsel van water, azijn en zout. Daardoor zijn ook kapperappeltjes behoorlijk lang houdbaar.

In Nederland en België zijn kapperappeltjes nog onbekend bij het grootste deel van de bevolking, al kun je ze 'gewoon' in de webshop van Albert Heijn of Delhaize bestellen. Toch is het nog beter om ze bij je locale speciaalzaak te bestellen.

Sering

Hoewel je het niet direct zou zeggen is de sering (Syringa vulgaris) familie van de olijf (Olea europaea). Samen behoren ze tot de grotere olijffamilie (Oleaceae). De sering is inheems in de Balkan, waar de soort voornamelijk groeit op rotsige heuvels.
De sering is een grote bladverliezende struik of kleine boom, die tot een meter of zeven hoog kan worden. Hij produceert secundaire scheuten vanaf de basis of wortels, met stengeldiameters tot 20 centimeter, die na verloop van wel tientallen jaren een klein struikgewas van klonen kunnen produceren. De bast is grijs tot grijsbruin. De ovale tot hartvormige lichtgroene bladeren zijn tot een centimeter of tien lang.

De bloemen zijn meestal lila tot mauve, maar soms wit. Ze zijn gerangschikt in dichte pluimen van maximaal 15 centimeter lang. De vrucht is een gladde, bruine capsule met een lengte van twee centimeter, die zich later in tweeën splitst om de tweevleugelige zaden vrij te kunnen laten.

Natuurlijk wordt de sering hier in ons land vooral aangeplant vanwege de aantrekkelijke, zoet geurende bloemen die al vroeg in het voorjaar zullen verschijnen. Die populariteit heeft een tweetal gevolgen: de eerste is dat hij nog wel eens aan gevangenschap probeert te ontsnappen en daarna verwilderd door het leven gaat. Het tweede is dat kwekers weer geloven dat de natuur niet prachtig genoeg is en ze hebben diverse kleurige cultivars ontwikkeld.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Syringa, kunnen we herleiden tot het Oudgriekse sûrinx (σῦριγξ), wat een 'pijp (van een herder)' heeft betekend. De steel van de plant is hol en werd ooit gebruikt om pijpen en fluiten van te maken. Het tweede deel, vulgaris, kunnen we herleiden tot het Latijnse vulgus, wat ooit 'het gewone volk' heeft betekend. Onderweg in de geschiedenis is het woord echter aan inflatie onderhevig geweest en tegenwoordig betekent 'vulgair' zoiets als 'ordinair'. Dát woord is zelf weer afgeleid van het Latijnse ōrdō ('order'). Denk aan 'ordelijk'.
De bloemen van de (gewone) sering zijn eetbaar en werden gebruik om honing, suiker, snoep en andere voedingsmiddelen een extra zwoel geurtje te geven. Er bestaan zelfs recepten voor seringenijs en seringenrijstpudding. Zie hier.

Volgens de wetenschap zitten de bloemen boordevol anti-oxidanten en die zijn zelfs zeer goedkoop en in voldoende hoeveelheden te winnen. Ander onderzoek lijkt aan te tonen dat enkele stofjes in de bloemen en bladeren van de sering een werking zouden kunnen hebben (drie twijfelende werkwoorden achter elkaar) bij de behandeling van enkele soorten kanker[1].

Maar dan moet je die prachtige bloemen oogsten en dan kun je er niet meer van genieten.

[1] Hanganu et al: Chemical Profile, Cytotoxic Activity and Oxidative Stress Reduction of Different Syringa vulgaris L. Extracts in Molecules - 2021

Oostelijke specerijstruik

Met een naam als oostelijke specerijstruik (Calycanthus floridus) vraag je jezelf natuurlijk af of er ook een westelijke variant is. Dat klopt en die heet de westelijke specerijstruik (Calycanthus occidentalis). De oostelijke specerijstruik is inheems in de oostelijke delen van de Verenigde Staten, terwijl zijn westelijke broertje groeit en bloeit in het uiterste westen in de staat California. Beide versies houden van warmte en zon, al kunnen ze ook opgroeien in een wat vochtige ondergrond.
De oostelijke specerijstruik kan in de juiste omstandigheden wel zo'n drie meter hoog worden. De ovaalvormige blaadjes zijn donkergroen met een wat fletsere onderkant. De bloemen van deze soort variëren wat in kleur: ze kunnen donkerrood, roodbruin tot roodpaars zijn wanneer ze besluiten te gaan bloeien. De opvallende bloem heeft vele bloemblaadjes. Ze geuren heerlijk en dat is dan ook mede de reden dat deze exotische struik ook in ons land wordt aangeboden om je tuin te verfraaien, al is hij in ons klimaat niet winterhard.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Calycanthus, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar kálux (κάλυξ) 'kelk' betekende en ánthos (ἄνθος) 'bloem'. Het beschrijft de vorm van de bloem. Het tweede deel, floridus, is met flōs ('bloem') van Latijnse herkomst. Je ziet: de naamgever vond de bloem zo mooi dat hij de soort naar de bloem vernoemde.

De bast van de oostelijke specerijstruik is eetbaar en de Indianen gebruikten die bast volgens de overlevering als vervanger van kaneel. Dat lijkt me een vergezocht verhaal, want hoe kun je iets vervangen als je niet weet dat het bestaat? Indianen wisten natuurlijk niet van het bestaan van kaneel af, want die specerij groeide in Azië, waar ze geen enkel contact mee hadden. Wat overblijft is dat we een bast hebben die achteraf ietwat naar kaneel blijkt te smaken en door een aantal stammen werd gebruikt als specerij. Van de bloemblaadjes werd ook een kruidenthee gezet. Zowel de wortel als de bast werken als een sterk braakmiddel en plasmiddel die zouden kunnen helpen bij aandoeningen aan de nieren en blaas. De wat slijmerige substantie in de takken en stam kan worden ingezet als een desinfectiemiddel.

Overigens zou ik persoonlijk maar kaneel blijven gebruiken en niet de bast van de oostelijke specerijstruik in je tuin gaan schrapen. Het blijkt namelijk dat de plant zich tegen vraat (en oogst) probeert te beschermen door de aanmaak van een alkaloïde met de naam calycanthine die bij menselijke consumptie kan leiden tot hartritmestoornissen. Dat is overigens geen wonder, want de chemische structuur van calycanthine lijkt op die van strychnine.

Indische kralenboom

Al eerder hebben we met de blauwe olijf (Elaeocarpus serratus) een broertje van de Indische kralenboom (Elaeocarpus angustifolius) beschreven. Om direct aan alle nieuwsgierigheid een einde te maken kan ik melden dat ook deze soort blauwe vruchten voortbrengt. De vruchten zijn eetbaar, maar niet erg smakelijk.
De Indische kralenboom is een grote altijdgroene boom die van tropische temperaturen houdt. Hij komt voor van India tot noordelijk Australië. Hij heeft smalle bladeren en bloeit met crèmewitte bloemen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Elaeocarpus, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar élaion (ἔλαιον) 'olijf' betekende en karpós (καρπός) 'fruit'. Het beschrijft de gelijkenis van de bes met de olijf. Het tweede deel, angustifolius, is een combinatie woord uit het Latijn, waar angust ooit 'smal' betekende en folium 'blad'.

In India staan de schoongemaakte pitten van het fruit in het Hindi bekend als rudrākṣa, wat zoiets betekent als 'de tranen van Rudhra', waarbij Rudhra een oude Indiase godheid is die verband houdt met wind en storm. Die pitten worden gebruikt zoals kralen in een rozenkrans.
Honderden jaren geleden waren die pitten van de Indische kralenboom een zeer belangrijk handelsproduct en op de eilanden van Nederlands-Indië werden ze gretig verhandeld. Niet alle 'stenen' waren prijzig, maar de allerbeste waren klein van formaat en bruinig van kleur. Die pitten werden vaak 'verzameld' uit de poep van koeien, omdat ze pas na de lange reis door de ingewanden van een koe de gewenste kleur kregen. Minder eerlijke handelaren lieten ze een tijdje in zeewater weken om hetzelfde kleureffect te bereiken. Pitten die slechts op de grond hadden gelegen kregen een viesgrijze kleur.

Het verhaal gaat dat een Nederlandse handelaar van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) op Java een lading van bijna 1,500 kilo aan ongesorteerde pitten kon kopen voor slechts 30 zilveren Reaal. Hij zou vervolgens de mooiste, kleinste en bruinste pitten hebben behouden (en de rest weggegooid). Voor een handjevol pitten betaalden Arabische handelaren wel 10 zilveren Reaal. Die handelaren verkochten ze door aan Arabieren en Hindoes die de pitten gebruikten voor religieuze voorwerpen voor hun priesters. Er kon een klein gaatje in geboord worden en de pitten konden dan tot kettingen worden geregen, die op dezelfde manier om het lichaam werden gedragen als Europeanen doen met de kralen in rozenkransen. Vooral de hindoe-priesters waren klanten, maar ook islamitische imams gebruikten de kettingen als gebedskralen. De rijkste priesters (jawel, ook die konden behoorlijk ijdel zijn) zou na elke twee pitten een goudklompje rijgen.

Gewoon speenkruid

Gewoon speenkruid (Ficaria verna) heeft nauwe familiebanden met de boterbloemen (Ranunculaceae), dat is ook de reden dat zijn verouderde wetenschappelijke naam Ranunculus ficaria was. Deze soort is algemeen te bewonderen in heel Nederland op vochtige gronden, langs natte bosranden en slootkanten.
Dit is een tot maximaal dertig centimeter hoge voorjaarsbloeier met hartvormige bladeren. Zo vroeg bloeit hij dat hij gezien wordt als een voorbode van het komende voorjaar. De gele bloemen blijven bij bewolkt weer gesloten en onder invloed van zonlicht spreidt de bloem zich wijd open. De planten vormen als het ware een mat op de bodem en kunnen behoorlijk woekeren. De benaming speenkruid beschrijft het uiterlijk van een deel van de wortels, die ietwat knotsvormig zijn opgezwollen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ficaria, is afgeleid van de Latijnse benaming voor de vijg: Ficus. De vorm van de vijg lijkt nogal op de vorm van de knotsvormige wortels van het gewoon speenkruid. Een verouderde naam was dan ook 'vijgwortel'. Het tweede deel, verna, is ook terug te herleiden tot het Latijn, waar vēr 'lente' betekende.

Alle soorten binnen de familie der boterbloemen kunnen zichzelf beschermen met een giftig stofje dat de naam protoanemonine draagt. Dat stofje wordt pas tijdens de bloei aangemaakt. Wanneer de plant beschadigd raakt of aangevreten wordt zal het chemisch onstabiele glucoside ranunculine onder invloed van een enzym worden afgebroken tot glucose (suiker) en het giftige protoanemonine. Dat alles is natuurlijk door de natuur verzonnen om planteneters te leren om eens naar andere planten te kijken voor een voedzaam maaltje. Bij mensen kan protoanemonine ook voor klachten zorgen: jeuk, huiduitslag of blaarvorming op de huid of het slijmvlies veroorzaken.

Een papje van de bladeren werd ooit ingezet voor de behandeling van aambeien en wratten. Inname van die gifstof kan misselijkheid, braken, duizeligheid, spasmen of verlamming veroorzaken. In één geval kreeg een patiënt zelfs acute hepatitis en geelzucht bij het innemen van niet (goed) gedroogde extracten als kruidengeneesmiddel voor aambeien[1].

Want hier ontdekken we een probleem: als de bladeren wel op de juiste manier gedroogd worden zal het giftige protoanemoninetoxine afbreken tot het niet giftige anemonine. Koken van de planten zou de protoanemonine ook afbreken, al lijkt dat ook verzonnen te zijn door 'gelovigen'[2].

De bladeren van het gewoon speenkruid bevatten veel vitamine C. Vroeger werden de bladeren van deze soort dan ook gebruikt om de verschijnselen van scheurbuik tegen te gaan. Ze werden ook veel verwerkt in salades. Let wel op: de bladeren dienen dan voor de bloei worden geplukt, anders loopt je gezondheid meer problemen op dan alleen die scheurbeuk.

[1] Yilmaz et al: Lesser celandine (pilewort) induced acute toxic liver injury: The first case report worldwide in World Journal of Hepetology - 2015
[2] Kocak et al: A rare chemical burn due to Ranunculus arvensis: three case reports in Annals of Saudi Medicine - 2016

Hongaarse tijm

Hij is zo zeldzaam dat deze soort nog niet eens een Nederlandse naam heeft mogen ontvangen. Omdat hij in Engelstalige landen bekend staat als Hungarian thyme, zullen we hem (voorlopig) ook maar Hongaarse tijm noemen.
Hoe zeldzaam is de Hongaarse tijm, zo kun je je afvragen. Welnu, deze soort is slechts op twee plaatsen op Nederlandse bodem aangetroffen: één standplaats bevindt zich in Den Haag en een tweede op Schiermonnikoog. Dat die twee locaties zo ver van elkaar afliggen is vreemd, maar wellicht te verklaren door ontsnappingen uit (moes)tuintjes.

De Hongaarse tijm is een vaste houtige kruidachtige plant die inheems is in Centraal-Europa, Oost-Europa en delen van Rusland. In die contreien is deze soort te vinden op droge locaties, waaronder weilanden, glaslanden en rotsige omgevingen. Met andere woorden: de Hongaarse tijm bewoont ongeveer dezelfde locaties als zijn meer bekendere broertje, de wilde tijm (Thymus vulgaris), alleen heeft hij een ander deel van Europa als leefgebied uitgezocht. Deze soort bereikt een maximale hoogte van 20 centimeter.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Thymus, is afgeleid van het woord tumos (θυμός)), dat door de Griekse filosoof en botanicus Theophrastus (371-287 vC) aan de plant gegeven werd toen deze soort bij offerandes werd gebruikt. Dat woord is verder te herleiden tot Tuo (θυω), dat ‘wierook branden’ heeft betekend. De oervorm van dat woord was tuov (θυόω) 'parfumeren’. Het tweede deel, pannonicus, is afgeleid van het Latijnse Pannonia, wat ooit de naam was van een Romeinse provincie en zo ongeveer het westelijk deel van het huidige Hongarije besloeg, aangevuld met wat aanliggende regio's.

In Servië wordt het gedroogde kruid toegepast in een smakelijke en verfrissende kruidendrank met een ietwat aparte citroenachtige smaaksensatie. Verse blaadjes worden verwerkt in eigengemaakte jam en snoepjes. Traditioneel wordt een aftreksel in diverse landen in de Balkan ook gebruikt tegen hoesten en andere luchtwegklachten, alsmede voor maag- en darmproblemen.
Wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat de naar citroen neigende smaak het gevolg is van de aanwezigheid van hoge concentraties aan thymol en p-cymene. Niet verwonderlijk is dat uit onderzoek ook is gebleken dat de concentraties van etherische oliën nogal kunnen variëren, afhankelijk van de groeiplaats, het klimaat en de hoeveelheid zonlicht.

Jawel, zoals te verwachten was heeft een aftreksel van de Hongaarse tijm een sterke antibacteriële werking. Ook schimmels en gisten zullen een behandeling met dat aftreksel niet overleven. Aan de andere kant is zo'n middel natuurlijk behoorlijk potent en zou het nooit in te sterke concentraties gebruikt moeten worden voor de behandeling van infecties.

Rattenstaart

In Engelstalige landen gaat de Cayenne vervain (Stachytarpheta cayennensis), gebukt onder vele namen. In Suriname wordt hij de rattenstaart genoemd. Deze soort is een tot twee meter hoog ietwat struikachtig kruid. De stengels zijn afgeplat tot vierkant. De tot 4.5 centimeter lange grof gezaagde bladeren zijn aan beide kanten behaard. De bloeiwijze is een eindstandige, tot 30 lange aar met buisvormige witte of lichtblauwe bloemen. De soort is te onderscheiden van zijn naaste verwant, de Jamaica vervain (Stachytarpheta jamaicensis), doordat die paarse bloemen heeft.
De rattenstaart is een tropisch onkruid. In Suriname komt de soort algemeen voor langs wegbermen, in tuinen en savannes. De rattenstaart is nog niet getemd, al laat men hem soms tijdens het wieden van onkruid wel staan.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Stachytarpheta, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar stákhus (στάχυς) 'aar' betekent en tárphos (τάρφος) 'struikgewas'. Het tweede deel, cayennensis, betekent '(uit) Cayenne', wat zowel de hoofdstad van Frans Guyana, het buurland van Suriname, is als de rivier waaraan die stad is gelegen.

Dit struikachtige kruid wordt in Suriname vooral voor kruidenbaden gebruikt. Bij allerhande pijntjes kookt men de twijgjes en laat men het afkooksel afkoelen om zich ermee te wassen. Een afkooksel van de plant wordt in het District Brokopondo veel gebruikt om baby’s in te baden om zo hun gezondheid te verbeteren. Het zou bij baby's werken tegen diarree, epilepsie, pijn, koorts, darmkrampen, verkoudheid, huiduitslag en ‘zuurte’. Bovendien zouden ze daardoor ze eerder beginnen te kruipen en lopen. De baby krijgt dan ook wat van het badwater te drinken.

Marronvrouwen koken de plant vaak voor genitale stoombaden. Zowel de thee als een bad van de bladeren zou helpen bij bloedarmoede, geelzucht en nierstenen. Het sap van gestampte bladeren in water doet dienst als oogdruppels. Opgewarmde of geplette bladeren worden op pijnlijke plaatsen en wonden gelegd. In het algemeen versterkt baden met een aftreksel van de rattenstaart de weerstand van het lichaam, zo menen de Marrons. Ook komt de plant terecht in magische kruidenbaden om geluk af te dwingen, kwade geesten te verdrijven en de gevolgen van fyofyo ongedaan te maken. Fyofyo is het boze oog dat onderdeel is van Winti, een traditionele Afro-Surinaamse religie. Takjes worden verbrand om gifslangen van het erf te verjagen.

Laboratoriumproeven, uitgevoerd op ratten, hebben uitgewezen dat de plant een pijnstillende, mild laxerende en maagzuurremmende werking heeft[1]. Helemaal ongelijk hadden ze daar in Suriname dus niet.

Verse planten zijn soms te koop in kruidenwinkels in de Randstad en op de markt in de Bijlmer.

[1] Mesia-Vela et al: Pharmacological study of Stachytarpheta cayennensis Vahl in rodents in Phytomedicine – 2004

Citroenverbena

Citroenverbena (Aloysia citriodora) is een heester of halfheester die tot een meter of drie hoog kan opgroeien, al doet deze soort dat alleen in zijn oorspronkelijke domein. Hij is namelijk inheems in tropische delen van Zuid-Amerika en zal dus in onze vaderlandse tuinen last hebben van de kou. De tot acht centimeter grote bladeren zijn ietwat ruw en verspreiden een sterke citroengeur wanneer deze gekneusd worden. Trossen met piepkleine witte of paarse bloemen sieren de citroenverbena.
[Image: Kurt Stüber - Citroenverbena]

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Aloysia, eert Maria Luisa Teresa de Parma (1751–1819), tijdens haar leven echtgenote van Koning Karel IV van Spanje. Het het Spaans wordt de citroenverbena daarom nog steeds hierba luisa ('kruid van Louisa') genoemd. Het tweede deel citriodora, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar kitron (κιτριά) zowel het fruit als de boom werd bedoeld. Dat wordt gevolgd door doron (δῶρον) 'geven'. De bedoeling was om de sterke citroengeur te beschrijven.

Zoals gemeld heeft de citroenverbena een sterke citroengeur en die is het gevolg van wel 65 verschillende componenten. Hoofdbestanddelen zijn geranial, neral, 6-methyl-5-hepteen-2-on, 1,8-cineol, limoneen, bèta-caryofylleen en caryofylleenoxide. De specifieke verhouding van die etherische olie hangt sterk af van bijvoorbeeld de samenstelling van de bodem of de temperaturen gedurende het groeiseizoen.

Gezien de sterke, frisse en fruitige citroengeur is het niet verwonderlijk dat de citroenverbena in de keukenkastjes van veel Zuid-Amerikaanse huishoudens niet zal ontbreken. De blaadjes van de citroenverbena worden veelvuldig ingezet om een fris accent te geven aan gerechten met vis of kip. Ook worden ze toegevoegd aan marinades, dressings, jams en marmelades, puddingen en limonades. In Zuid-Amerika wordt de citroenverbena ook voor allerhande kwaaltjes ingezet, waaronder diarree, flatulentie (het laten van winden), slapeloosheid en reumatiek.

Die opvallende geur van de citroenverbena was ook de reden dat de plant in de smaak viel bij Spaanse en Portugese veroveraars, al klinkt conquistadores een natuurlijk stuk romantischer. De eerste Europese botanicus die de citroenverbena officieel beschreef was Philibert Commerson (1727-1773), een Fransman. Hij 'ontdekte' de citroenverbena in Buenos Aires (Argentinië) op een markt. Commerson maakte een wereldreis om nieuwe plantensoorten voor de wetenschap te ontdekken. Dat liep niet goed af, want hij overleed tijdens die reis op Mauritius, slechts 45 jaar oud. Zijn uitgebreide collectie en de beschrijving daarvan werden weliswaar na zijn dood naar Parijs overgebracht, maar raakten in de vergetelheid. Tot op de dag van vandaag zijn de aantekeningen nimmer systematisch geordend.

In Nederland zijn wel zaadjes te koop, maar als keukenkruid is de citroenverbena nooit echt populair geworden. Het is het droeve lot van een geurig kruid.

Chinese bieslook

De Chinese bieslook (Allium tuberosum) is, volgens de boekwerken, van oorsprong inheems in (jawel) China en dan meer specifiek in de provincie Shanxi. In werkelijkheid is zijn domein een stuk groter en omvat een groot gebied dat de steppes van Noord-China, Mongolië en Zuid-Siberië met elkaar verbinden.
[Image: Kenpai - Chinese bieslook]

Natuurlijk behoort de Chinese bieslook tot de uitgebreide lookfamilie (Allium spp.) en daartoe behoren ook de ui, prei en knoflook. De geur en smaak van de Chinese bieslook heeft meer van knoflook dan van bieslook. In Engelstalige landen is men wat onzeker over de smaak, want hij wordt daar afwisselend garlic chives ('knoflookbieslook'), Oriental garlic ('Oriëntaalse knoflook'), Chinese chives (Chinese bieslook') of Chinese leek ('Chinese prei') genoemd.

De Chinese bieslook groeit vaak in dicht opeenstaande groepjes, waarbij de taaie, vezelige ui-vormige knollen samengeklonterd zijn. De soort produceert veel witte bloemen die in een rond scherm op stengels van maximaal 60 centimeter lengte staan.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Allium, is Latijns, waar het woord 'look' betekende. Het tweede deel, tuberosum, is ook al Latijn, waar men met het woord tūber een 'bult' of 'zwelling' beschreef. De betekenis werd later verbreed tot 'knol'.

De Chinese bieslook wordt in diens thuislanden al eeuwenlang geteeld vanwege de culinaire waarde. De platte bladeren, de stengels en onrijpe, ongeopende bloemknoppen worden ingezet als keukenkruid. De taaie, vezelige knollen laat men ongebruikt en dat betekent dat vanuit die bol de blaadjes blijven groeien. Men kan de blaadjes daardoor regelmatig oogsten.

Omdat medische zorg in die contreien niet direct beschikbaar is voor bewoners werd de Chinese bieslook ook ingezet voor de behandeling van allerlei huis-tuin-en-keukenkwaaltjes.

Pas veel later werd ook ingezien dat de Chinese bieslook er ook wel aardig uitziet. Het gevolg daarvan is dat je tegenwoordig overal wel zakjes zaad kunt kopen om dat leuke, uitbundig groeiende kruid in je eigen moestuin of tuin uit te zaaien. De plant is aan te planten op zonnige, hooguit iets beschaduwde, droge tot vochtige, goed doorlatende, vaak ruderale en stenige zand-, leem- en kleibodems. Je weet hoe het verhaal verder gaat, want intussen wordt de Chinese bieslook in Nederland regelmatig verwilderd aangetroffen.

Recent onderzoek heeft uitgewezen dat het regelmatig consumeren van verse Chinese bieslook het ontstaan van longontsteking kan tegengaan[1]. De wetenschappers suggereren dat de activatie van aangeboren lymfoïde cellen (innate lymphoid cells of ILC's) belemmert. Die ILC's zijn een recent ontdekt onderdeel van je aangeboren immuunsysteem. Moet je nu snel zo'n zakje zaad gaan bestellen? Dat mag, al is het genoemde onderzoek verricht op astmatische muizen.

[1] Zheng et al: Allium tuberosum alleviates pulmonary inflammation by inhibiting activation of innate lymphoid cells and modulating intestinal microbiota in asthmatic mice in Journal of Integrative Medicine – 2021

Borstelkrans

Borstelkrans (Clinopodium vulgare) is een inheemse meerjarige plant. In ons land is de soort zo zeldzaam dat hij beschermd moet worden om zijn voortbestaan te verzekeren. Het is een middelhoge, grijsharige soort met uitlopers en meestal opstijgende bloeistengels. De tot een halve meter hoge plant bloeit in kransjes rondom de stengel met fraaie lilaroze bloemetjes. Borstelkrans komt, enige ondersoorten meegerekend, verspreid over het noordelijk halfrond in de gematigde streken voor. Hij houdt van kalkhoudende grond en een van de weinige plaatsen in ons land waar hij stand weet te houden is op het terrein van een oude kalksteenfabriek.
[Image: Jacopo Werther - Borstelkruid]

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Clinopodium, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar klínē (κλίνη) 'bed' betekende en pódion (πόδιον) 'voetje' betekende. Samengeklonken is dat 'voetenbedje' en het verwijst naar de harige schutbladeren die een bankje voor de bloemen vormen. Het tweede deel, vulgare, is afgeleid uit het Latijns, waar vulgus in eerste instantie 'veelheid' en 'massa' betekende. Later verbreedde die betekenis zich naar 'groep (mensen)' en daarna werd het 'gewoon'. Denk aan het huidige Nederlandse woord 'vulgair'. De borstelkrans is dus de gewone en minst opvallende van zijn broertjes en zusjes.

In Engelstalige landen wordt de borstelkrans aangeduid met wild basil en het klopt dat deze soort thuishoort in de supergrote familie der Lamiaceae, waartoe ook andere geurige kruiden hun plekje hebben gekregen.

Omdat borstelkruid hier altijd zeldzaam is geweest wordt hij in ons land niet als keukenkruid gezien. De smaak van borstelkrans doet denken een subtiele combinatie van basilicum en tijm. In meer zuidelijke streken worden zowel de bloemen als de blaadjes gebruikt als kruidige smaakmakers. Zowel vers als gedroogd worden deze aan allerlei gerechten toegevoegd. Ook wordt er in het Middellandse Zeegebied een heerlijke kruidenthee van gezet. Die thee schijnt zelfs te helpen tegen wratten, aldus recent onderzoek[1]. Bovendien hebben de etherische oliën een antibacteriële werking, al is dat een mechanisme wat de meest familieleden van borstelkrans natuurlijk ook bezitten. Dat is dan ook de reden dat een aftreksel zou helpen bij het heelen van wonden: het zorgt dat een wond niet gaat ontsteken. De overlevering meldt verder dat het eten en drinken van deze plant een positieve invloed heeft op de spijsvertering en flatulentie (poepjes). In de Middeleeuwen werd de plant op de grond gestrooid. Als je er op liep kwam een heerlijk aroma vrij dat de kwalijke huiselijke geurtjes wat verdreef.

Verder is nog interessant dat de borstelkrans ooit werd gebruikt om een bruine of gele kleurstof uit te winnen.

[1] Dobrev: Treatment of numerous hand warts with Clinopodium vulgare tea in Wiener Medizinische Wochenschrift – 2021

Grote steekmossel

[Dit is alweer de 300ste column in deze serie]

De menselijke inventiviteit kent letterlijk geen grenzen. Als voorbeeld nemen we deze keer zijde, waarvan iedereen zal weten dat dit geproduceerd wordt door rupsen van enkele motvlinders om hun cocon te creëren. Er zijn een paar soorten motvlinders die zijde kunnen aanmaken, maar er is maar eentje die dat in een door de mens gecontroleerde omgeving kan presteren: de zijdevlinder (Bombix mori). Die rups is in staat om van één enkele draad een cocon te spinnen. Die ene draad is dan tussen de 300 en 900 meter lang en daarbij slechts 10 μm dik. Er zijn bijna 5,000 cocons nodig om 500 gram zijde te kunnen maken.
[Image: Hectonichus - Grote steekmossel]

Aha, zo zal de oplettende lezer nu opmerken, maar de titel van deze column gaat over de grote steekmossel en wat heeft dat nu te maken met zijde. Het antwoord is: Alles.

De grote steekmossel (Pinna nobilis) is een groot tweekleppig weekdier. Deze soort komt voor in de Middellandse Zee. De schelp heeft een langgerekte vorm, waarvan de binnenzijde bedekt is met een prachtige, heldere parelmoerglans. Die schelp kan wel 80 centimeter groot worden en hecht zich aan een stevige ondergrond met zogenaamde byssusdraden of filamentdraden. Stel je een tent voor op een winderig Waddeneiland die met scheerlijnen en tentharingen moet worden vastgezet.

Die byssusdraden worden 'geoogst' en vormden de bron van zeezijde, een extreem dunne stof, die ooit superzeldzaam was en daardoor extreem prijzig. De stof, die met die byssusdraden gemaakt kon worden, was nog dunner, lichter en fijner dan zijde. Bovendien was een kledingstuk, gemaakt van zeezijde, ook nog eens warm. Al moet je niet al te veel voorstellen van het formaat van die kledingstukken: het eindproduct was zo prijzig dat alleen extreem rijke notabelen vanaf de Griekse bronstijd het konden betalen en zelfs dan waren het slechts een paar dameshandschoenen of dameskousen.

Dat het spul zo duur was had natuurlijk zijn redenen, want de grote steekmossel liet zich een stuk lastiger cultiveren dan de zijdevlinder. Zo moest hij uit de soms diepe zee geplukt worden en zijn de byssusdraden maar maximaal zes centimeter lang.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Pinna, is een alternatieve vorm van het Latijnse penna, wat 'vleugel' of 'veer' betekent. Het verklaart de byssusdraden. Het tweede deel, nobilis, spreekt voor zichzelf. In het Latijn was de betekenis iets breder, waaronder 'bekend', 'beroemd', 'hooggeboren'. Het is uiteindelijk zelfs verwant aan het Engelse to know ('kennen' of 'weten').

Gelukkig is de grote steekmossel ook eetbaar en worden er in de schelp soms ook parels van een redelijke kwaliteit aangetroffen. Probleem is dat de grote steekmossel ondertussen vrijwel is uitgestorven.