Moerasspirea

De moerasspirea (Filipendula ulmaria) is een kruid met enkele goede, maar daarnaast ook wat duistere kantjes. De moerasspirea is lid van de Rozenfamilie en kan tot twee meter hoog worden. De bladeren zijn dubbel getand en eirond. Aan de onderzijde zijn ze viltig behaard en grijsachtig van kleur. De bladeren staan aan een opvallend rode stengel. Hij heeft talrijke roomkleurige, tot één centimeter brede bloemen, die in een scherm opgebouwd zijn. Ze geuren sterk naar amandel, waardoor de plant al van oudsher werd gebruikt als strooisel om onplezierige luchtjes uit een huis te bannen. Zelfs nu nog worden de bloemen soms in potpourri gebruikt. Ook werden bier, wijn en azijn ooit gekruid met de moerasspirea, terwijl de bloemen in jams en siropen werden toegevoegd om ze een fijn amandelsmaakje te geven.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Filipendula, is afkomstig van de Latijnse woorden filum dat 'draad' betekent en pendulum dat ‘hangen’ betekent. Met deze ‘hangende draden’ worden de karakteristieke wortels beschreven. Het tweede deel, ulmaria, betekent in het Latijn ‘zoals een iep’. De bladeren lijken op die van een iep. Het Nederlandse 'spirea' komt van het Griekse woord speiraie dat 'spiraal' betekent en de vorm van de zaden beschrijft.

De jonge blaadjes van moerasspirea zijn eetbaar en hebben een komkommerachtige smaak. Ze kunnen in stoofgerechten verwerkt worden of in een gemengde salade gegeten worden.

De moerasspirea bevat salicylzuur en dat kennen we beter onder zijn medische, gezuiverde en ietsjes aangepaste vorm van acetylsalicylzuur. Dat is de werkzame stof van aspirine, ontwikkeld door de bij Bayer werkende Duitse chemicus Felix Hoffmann (1868-1946). Omdat zijn vader aan pijnlijke reumatische klachten leed, zocht Hoffmann stiekem naar een remedie. Uiteindelijk maakte hij een aangepaste versie van salicine, die iets minder maagproblemen opleverde dan de pure salicylzuur van de moerasspirea. Toen het middel eenmaal bleek te werken zag de verkoopafdeling van Bayer er wel brood in en gaven het de naam aspirine, een vernoeming van de spirea. ‘And the rest is history,’ zoals de Engelsen het zo mooi kunnen zeggen.

De moerasspirea zelf heeft van oudsher vele medicinale toepassingen. De hele plant wordt traditioneel ingezet als middel tegen maagzuur en diarree. Als je op de wortel kauwt dan komt het acetylzuur vrij en is dat zou werken tegen hoofdpijn.

Iets minder leuk het feit dat de moerasspirea de luchtwegen in de longen (de bronchiën) plotseling kunnen vernauwen. Normaal is dat niet zo’n heel groot probleem maar deze bronchspasmes, zoals ze genoemd worden, kunnen een astma-aanval veroorzaken of verergeren. Ook iemand met een chronische bronchitis (lees: een verstokte roker) zou het kauwen op een moerasspirea maar uit zijn hoofd moeten zetten. Ook remt het gebruik de bloedstolling.

Betelnoot

De betelnoot is een steenvrucht van de betelpalm (Areca catechu), een tot 20 meter hoge palmboom. De vruchten zijn bij rijpheid geel tot oranje van kleur, zijn rond tot eivormig van vorm en hebben een doorsnede van zo'n 6 centimeter. In die vrucht zit dus de betelnoot. De betelnoot is botanisch gezien een broertje van de kokosnoot, maar is een stuk kleiner.
De oorsprong van de betelpalm ligt volgens de kenners op de Filippijnen, maar groeit en bloeit ondertussen in grote delen van Zuidoost-Azië, de Stille Oceaan en het Caraïbisch gebied. Hij heeft dus dezelfde route gevolgd als zijn grotere broer, de kokosnoot. Het gekke is natuurlijk dat de kokosnoot op vele idyllisch mooie eilanden in de Stille Zuidzee met stralend witte stranden beschouwd wordt als een onmisbare bron van voeding, terwijl de betelnoot slechts een genotsmiddel is.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Areca, is afkomstig van de plaatselijke naam in het Malabar, een kust- en taalgebied in het zuidwesten van India, waar areek de naam van de betelpalmboom was. Het tweede deel, catechu, is ook al afkomstig uit een taal van het Indiase subcontinent, waar caycao of kaku of katti-shu uit het Tamil stamt en 'betel(noot)' betekent. De variaties hebben te maken met de manier van overzetten van het Tamil naar de westerse klanken.
De betelnoot is bitter en wordt gekauwd zoals men vroeger tabak pruimde. De noot wordt eerst nog gewikkeld in een betelblad. Vreemd genoeg is dat niet een blad van de betelpalm, maar het blad van een in delen van Zuidoost-Azië groeiende pepersoort, de betelpeper (Piper betle).

Zowel de betelnoot als de betelpeper hebben een licht stimulerende werking. Het is een vast onderdeel van de cultuur van vele landen waar de betelpalm wordt aangetroffen. Het helpt je de nare ervaringen van alledag wat vergeten en geeft je weer nieuwe energie. De werkzame stofjes in de betelnoot lijken ook een wat anti-depressieve werking te hebben. Bij ratten[1].

Nu klinkt het bovenstaande nog redelijk positief, maar er kleven ook behoorlijk wat negatieve aspecten aan het pruimen van de betelnoot. De alkaloïden, zoals arecaidine en arecoline, werken verslavend. De betelnoot heeft verder een verwoestende uitwerking op je gebit en op de langere termijn is het gebruik kankerverwekkend. Vooral kankers in de mond komen veel voor na langdurig gebruik[2].
Ook de dieprode kleurstof, die de noot uitscheidt tijdens het kauwen, is niet direct esthetisch aantrekkelijk. De rode tanden doen mij denken aan Dracula die zojuist zijn laatste slachtoffer in haar nek heeft gebeten.

[1] Abbas et al: Potential antidepressant activity of Areca catechu nut via elevation of serotonin and noradrenaline in the hippocampus of rats in Phytotherapeutical Research – 2013
[2] Gupta et al: Rising incidence of oral cancer in Ahmedabad city in Indian Journal of Cancer – 2014

Geel nagelkruid

Geel nagelkruid (Geum urbanum) wordt ook wel gewoon nagelkruid genoemd. Het is een overblijvende plant met een hoogte die varieert tussen de 20 en 60 centimeter. Geel nagelkruid houdt van schaduw en daarom kun je hem in zo'n beetje heel Europa aantreffen in bosranden en hoog opgroeiende bosschages. De enige standplaats waar geel nagelkruid buiten de beschutting van bos of bosschages voorkomt wordt gevormd door noordhelingen van kalkrijke duinen. De stengels en kelkbladeren zijn lichtgroen en hij bloeit van mei tot augustus met kleine citroengele bloemen. Uiteindelijk ontstaan dopvruchtjes die borstelig behaard zijn.
De wortel ruikt en smaakt sterk naar kruidnagel (met een hint van kaneel) en dat is de verklaring voor de soortnaam 'nagelkruid'.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Geum, is afkomstig uit het oud-Grieks, waar geuo (γευω) zoiets als 'smaak' betekende en de geur en smaak van kruidnagel verklaarde. Het tweede deel, urbanum, is Latijns en betekent 'van de stad' is uiteindelijk afgeleid van urbis, wat 'stad' betekende. De soortnaam is dus eigenlijk foutief, want geel nagelkruid houdt helemaal niet van stedelijke omgevingen.

De jonge bladeren van geel nagelkruid hebben een vrij neutrale smaak en kunnen toegevoegd worden aan salades of stoofpotjes. Ze kunnen ook gefrituurd worden, bollen daardoor wat op en lijken dan op kroepoek. De wortel dient na wassen gedroogd te worden omdat de geur en smaak van kruidnagel toeneemt tijdens het (in)drogen. De gedroogde wortel werd ooit gebruikt als specerij in soepen, stoofschotels, etc. en zelfs als een smaakmaker in bier. In tijden dat exotische specerijen voor de gewone man nog onbereikbaar waren was geel nagelkruid een ideale vervanger van kruidnagel.

Nog niet zo heel lang geleden waste men zich niet iedere dag en men bezat ook niet veel kleding. De ingedroogde wortel werd daarom gebruikt om de stank uit de kleding en van het lichaam te maskeren. Ook werd de wortel gebruikt om motten te weren.

Van geel nagelkruid werd ooit gedacht dat het werkzaam zou zijn bij allerhande vergiftigingen. De oude heelmeester Paracelsus (1493-1541) meende dat het kruid gebruikt werd bij de behandeling van leverziekten, slijmvliesontstekingen en maagproblemen. Oostenrijkse kruidenvrouwtjes gebruikten geel nagelkruid ooit als thee (of liever: tisane) bij de behandeling van reumatiek, jicht, infecties en koorts.

Nagelkruiden bevatten allemaal behoorlijk wat tannines die bekend staan om hun bitterheid. Tannines worden door planten aangemaakt om aanvraat van planteneters tegen te gaan. Tannines hebben een samentrekkende (adstingerende) werking, omdat het zich bindt aan eiwitten. Een slok sterke thee laat de mond stroever aanvoelen doordat de eiwitten van het wangslijmvlies in de mondholte licht gefixeerd worden. Op die samentrekkende werking van tannines berust het gebruik van geel nagelkruid in de kruidengeneeskunst.

Yerba santa (of Bergbalsamien)

De yerba santa (Eriodictyon californicum) staat in zijn thuisland ook bekend als mountain balm (bergbalsem of bergbalsamien), consumptive's weed (teringkruid) and bear weed (berenkruid). Dit plantje behoort tot de familie der Hydrophylloideae, een onderfamilie van de grote familie der ruwbladigen (Boraginaceae). De yerba santa heeft nog een achttal familieleden en ze wonen allemaal in de wat drogere delen van de Verenigde Staten met hier en daar een uitloper naar Mexico.
[Image: pete @eastbaywilds.com]
Yerba santa ('heilig kruid' in het Spaans) is een struik die tot drie meter hoog kan opgroeien. De kleinere takken en bladeren zijn omhuld met een kleverige hars en bovendien vaak bedekt met een zwarte schimmel, Heterosporium californicum. De lansvormige bladeren kunnen tot 15 centimeter lang worden. Ze verspreiden een onaangename geur en smaken enorm bitter. Het is dus niet verwonderlijk dat deze niet al te appetijtelijke struik slechts in tijden van schaarste door planteneters wordt aangevreten. Om het wat goed te maken siert de yerba santa zich met mooie witte of lilakleurige trompetvormige bloemen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Eriodictyon, is een combinatiewoord uit het Grieks. Erion (ἔριον) betekent 'wol' en diktyon (δίκτυον) is 'net' of 'web'. Het beschrijft de onderzijde van het blad. Het tweede deel, californicum, betekent '(uit) Californië'.

De bladeren van de yerba santa werden ooit ingezet als middel om astma, luchtweginfecties en neusverkoudheid (rhinitis) te behandelen. Andere Indianenstammen gebruikten het om een papje van te maken voor de behandeling van wonden, insectenbeten, gebroken botten en zweren. Ook in een stoombad had het zijn nut: het werkte tegen aambeien. Als kruidenthee (of liever tisane om het woord 'thee' helemaal te vermijden) werkt het vochtafdrijvend en verhoogt het dus de urineproductie.

De yerba santa is in Nederland (nog) niet op de markt verschenen, al kun je hem vast wel via internet ergens bestellen. Maar waarom wordt de soort dan hier beschreven, zo kun je je terecht afvragen. Welnu, er wordt wetenschappelijk onderzoek naar de inhoudsstoffen van de yerba santa gedaan en de eerste resultaten lijken er op te wijzen dat eentje daarvan, sterubin, een potentieel effect heeft op dementie[1].

Sterubin heeft namelijk een sterke ontstekingsremmende werking op hersencellen die bekend staan als microglia. Het bleek ook effectief ijzer te kunnen verwijderen en dat is interessant omdat ijzer kan bijdragen aan schade aan zenuwen tijdens verouderingsprocessen en neurodegeneratieve ziekten, zoals dementie en de Ziekte van Alzheimer.

Het zal echter nog vele jaren duren voordat zo'n ontdekking als pil bij je apotheek verkrijg baar is. Zolang moet je maar proberen zo gezond mogelijk te leven, bijvoorbeeld via het Mediterrane dieet.

[1] Native California medicinal plant may hold promise for treating Alzheimer's in Science Daily - 2019. Zie hier.

Javaanse gember

We hebben er met z'n allen voor gezorgd dat Javaanse gember (Curcuma zanthorrhiza) een soort identiteitscrisis heeft. Javaanse gember is namelijk helemaal geen gember, maar een geelwortel (kurkuma of koenjit). Uiteraard is het wel familie van de gember. Vervolgens schrijft iedereen elkaar weer na op internet (lees: onnozele gezondheidssites die zo graag willen dat je hun handelwaar koopt) en wordt de wetenschappelijke naam van deze specerij vaak foutief als Curcuma xanthorrhiza opgeschreven.

Die 'x' is dus fout en het gebruik in xanthorrhiza wordt door mensen, die wat hebben doorgeleerd, een 'orthographical error' genoemd. Het is een type- of taalfout die ooit per ongeluk in een wetenschappelijk document terecht is gekomen.
Terug naar de Javaanse gember, die onder mensen met Indische voorouders wellicht beter bekend is als temoe lawak (in het Javaans) of koneng gede (in het Soendanees). In Suriname noemt men hem gele gember. De plant is inderdaad oorspronkelijk afkomstig van het Indonesische eiland Java, maar heeft zich al eeuwen geleden verspreid over omliggende gebieden. Tegenwoordig wordt de Javaanse gember in bijna heel Zuidoost-Azië verbouwd voor diens smakelijke wortelstok.

De Javaanse gember houdt van een tropisch klimaat en gedijt het best op hoogtes van 1500 meter boven zeeniveau.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Curcuma, is afgeleid van het Arabische kurkum, wat uiteraard 'geelwortel' betekent. Dan lijkt het spoor dood te lopen, maar via het oud-Grieks komen we uit bij het woord krokotos (κροκωτος) wat 'geelbruin' betekent en tevens de bron is van de woorden krokus en krokodil. Het tweede deel, zanthorrhiza, is een combinatiewoord uit het Grieks, waar xanthos (ξανθος) 'geel' en rhiza (ριζα) 'wortel' betekent. Samen is dat dus 'geelwortel' en dan blijkt direct hoe die taalfout is ontstaan.

Behalve curcumine zit er wat etherische oliën in de Javaanse gember. Verder bevat de Javaanse gember xanthorrhizol, wat een lichte oestrogene werking lijkt te hebben. Verder wordt deze specerij in Indonesië als geneeskrachtig kruid ingezet tegen uiteenlopende kwalen als leverschade, hoge bloeddruk, diabetes en kanker. Voorlopig wetenschappelijk onderzoek lijkt aan te tonen dat xanthorrhizol, een stofje in de Javaanse gember, een behoorlijk potent effect heeft[1]. Maar, zoals altijd, is er een probleem hoe je de werkzame stoffen op de juiste plaats in het lichaam krijgt. Want slik je teveel dan blijkt datzelfde stofje weer behoorlijk giftig te zijn. Zo giftig zelfs dat het als middel tegen luizen en mijten wordt ingezet.

Nee, mijn advies is om Javaanse gember te gebruiken als smaakmaker en kleurgever in enkele die vele heerlijke Indische gerechten die waar wij zo van kunnen smullen.

[1] Oon et al: Xanthorrhizol: a review of its pharmacological activities and anticancer properties in Cancer Cell International - 2015. Zie hier.

Piccalilly

Piccalilly is een soort tussenvorm van een saus en een groente. Het is een van oorsprong Engelse interpretatie van diverse recepten van ingemaakte groente uit Zuidoost-Azië. De Britse versie bestaat uit verschillende gesneden groenten, waaronder bloemkool, ui en augurk, op smaak (en kleur) gebracht door mosterd en geelwortel (kurkuma of koenjit). De Nederlandse vorm lijkt veel op de Engelse.
De oorsprong van het woord 'piccalilly' is obscuur. De eerste keer dat het woord en het recept ergens in een kookboek verscheen was rond 1694 toen Anne Blencowe's kookboek 'Receipt Book' op de markt kwam. Daarin was een recept opgenomen voor "To Pickle Lila, an Indian Pickle". In 1769 werd de saus piccalillo genoemd en pas rond 1860 verscheen de huidige naam op flesjes en potjes. Het kan zijn dat het een samenvoeging is van pickle ('augurk') en chili ('chilipeper'). Dan zou het ooit 'pickled chili' (zeg het vijf keer snel achter elkaar) geweest zijn, maar dat er onderweg iets is foutgegaan met het woord.

Piccalilly bestaat aan de overkant van de Noordzee in een tweetal varianten: een grofgesneden variant, die wij ook in ons land kunnen kopen in iedere supermarkt, en een fijngesneden variant. De eerste wordt gebruikt als smaakmaker voor worst, bacon, eieren, toast, kaas en tomaten, terwijl de tweede meer als broodbeleg wordt ingezet.

In het noordoosten van de Verenigde Staten meenden ze de traditionele piccalilly te moeten 'verbeteren' door de groenten en geelwortel weg te laten en te vervangen door zoete paprika's en tomaten. Daardoor is de gele kleur verdwenen en is de Amerikaanse piccalilly donkerrood of diepgroen van kleur. Ze eten het bij hamburgers en hotdogs en dat is eigenlijk geen slecht idee. In het Amerikaanse Midwest wordt piccalilly weer gemaakt van fijngehakte augurken en dat maakt 'm heldergroen van kleur. Daardoor noemen ze deze saus 'neon relish'. In het zuiden van dat grote land kennen ze piccalilly eigenlijk niet, maar hebben een vervangende saus met de naam chow-chow op basis van onrijpe groene tomaten, aangevuld met ui, paprika, bloemkool, groene bonen en andere groenten. Om het helemaal ingewikkeld te maken noemt men piccalilly in de US soms chow-chow. En andersom.

In onze voormalige kolonie Suriname hebben ze de piccalilly een pittige draai gegeven door de traditionele Nederlandse versie aan te vullen met een sambal op basis van Madame Jeanette chilipepers en knoflook. Dát is een versie die in Nederlandse supermarkten niet zou mogen ontbreken.

Cubebpeper

Ook de cubebpeper (Piper cubeba) is lid van de zeer uitgebreide peperfamilie, die afhankelijk van welke boeken je doorbladert 1,000 tot 2,000 soorten bevat. De cubebpeper is inheems op de de Indonesische eilanden Borneo, Java, Celebes en Sumatra, maar wordt ook op bescheiden schaal geteeld in Maleisië en op Sri Lanka.
Gedurende de Chinese Tangynastie (618–907 nCr) werd de handel in cubebpepertjes gedomineerd door de Chinesche handelaren. Ze werden in zulke grote getalen vanaf het (huidige) Indonesische eiland Sumatra ingevoerd en weer via de zijderoute uitgevoerd dat men op een bepaald ogenblik dacht dat de cubebpeper in China inheems moest zijn. Chinese artsen schreven cubebpeper voor om eetlust te bevorderen en om 'duivelsdampen' te genezen. Duivelsdamp heeft verschillende betekenissen. Soms betekent het zelfs de 'damp van uien die je ogen doen tranen', maar om nu met cubebpeper in je ogen te gaan wrijven lijkt me ook geen goed idee. Vreemd genoeg zijn er geen historische bronnen die melden dat cubebpeper als specerij werd ingezet.

Hoewel de zwarte peper (Piper nigrum) al sedert in de Romeinse tijd in Europa bekend was, verdrong hij de cubebpeper pas definitief in de 18de eeuw. Pilipe III, Koning van Portugal, verbood namelijk in 1640 de handel in cubebpepers omdat hij met zwarte peper nog meer winst kon maken. Tegenwoordig wordt deze specerij vooral medicinaal toegepast in diens 'thuislanden'.

De besjes worden geoogst voordat ze rijp zijn. Dan worden ze zorgvuldig gedroogd in de zon. Doordat men de steeltjes aan de gedroogd besjes laat zitten wordt deze specerij in het Engels soms ook de tailed pepper ('peper met een staart') genoemd. De kleur variëert van grijsbruin tot zwart. Het zaadje is hard, wit van kleur en olie-achtig. De geur van de lange peper wordt beschreven als als aangenaam en aromatisch. De smaak is scherp, zurig, ietwat bitter en lang aanhoudend. Deze specerij wordt op precies dezelfde wijze in gerechten toegepast als zijn beroemdere broertje, de zwarte peper.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Piper, is via het Grieks en het Perzisch terug te voeren op een oeroud woord uit het Sanskriet, pippali betekende ‘lange peper’. Het tweede deel, cubeba, is de Latijnse vorm van het Arabische kabāba (كبابة‎) en daar loopt het spoor bij iedereen dood. In het Javaans wordt deze pepersoort echter kukumus genoemd. De door mij geraadpleegde taalkundige (@siwaratrikalpa) meent dat kabāba een zeer ongebruikelijke mutatie is van het woord kukumus.

In diverse vormen van volksgeneeskunst werden de effecten van het consumeren van cubebpepers aanbevolen. Het zal de wat nadenkende mens niet verbazen dat na wetenschappelijk onderzoek weinig overbleef van die veronderstelde effectiviteit. Toch hadden de aanwezige etherische oliën wel degelijk enig nut: rond 1815 bestonden diverse tincturen en pastilles waarin oleum cubebae ('cubebolie') was verwerkt. Het zou werken teggen urineweginfecties. keelklachten en bronchitis. Dat kan kloppen, want die etherische oliën had inderdaad een ontsmettende en antibacteriële werking.

Shiso

Shiso (Perilla frutescens var. Acuta) is een variëteit van het hier al eerder beschreven keukenkruid perilla (Perilla frutescens). Beide behoren tot de uitgebreide familie van de munten (Lamiaceae). Shiso bestaat uit (minimaal) twee versies, eentje met paarsgekleurde bladeren en eentje met groengekleurde bladeren. Men denkt dat shiso ooit ontstaan is in bergachtige gebieden van China en Japan. Rond het jaar 500 nCr werd al druk gebruik gemaakt van su (蘇), zoals het plantje toen in China werd genoemd.
Shiso kan, afhankelijk van klimaat en ondergrond, een hoogte bereiken van 40 tot 100 centimeter. De aparte smaak is het gevolg van het aanwezige perillaldehyde, een stofje dat slechts in beperkte mate in zijn broertje perilla zit.

Shiso heeft een unieke smaak. Het is zowel pittig als grassig. Omdat shiso familie van de munt is bezit het de sterke geur en smaak van pepermunt en basilicum. De smaak van de paarsbladige versie doet daarnaast ook wat denken aan die van anijs, terwijl de groenbladige wat meer naar kaneel neigt.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Perilla, is volgens vele kenners afgeleid uit een obscuur Hindoestaans woord, maar ikzelf denk dat het van het Griekse pera πήρα ('buidel') is gevormd en daarmee de vorm van de bloem beschrijft. Het tweede deel, frutescens, is geleend uit het Latijn, waar frutex 'struik' betekent. Het derde deel, Acuta, is afgeleid van het Latijnse acutus, wat 'scherp' of 'scherp maken' betekent. Het beschrijft de scherp getande vorm van het blad.

De groene blaadjes worden heel vaak in de Japanse keuken gebruikt. Ze worden in koude noedelgerechten gebruikt om deze op smaak te brengen. Ze doen ook dienst als 'onderlegger' voor een pittig wasabihapje. Sushi wordt vaak in de groene shisoblaadjes gewikkeld. Snij een blad een in fijne reepjes en sprenkel deze over een frisse salade. Heerlijk. De paarse blaadjes worden gebruikt om ingelegde pruimen een prachtige rode kleur te geven. De azijn reageert met de kleurstof en het geheel wordt dan prachtig rood. De zaadjes worden gezouten, blijven daardoor langer goed en doen dan later weer dienst als specerij.

Shiso produceert ook perilloxin dat hetzelfde enzym remt als ontstekingsremmers als aspirine en ibuprofen. Het al genoemde perillaldehyde kan chemisch zo aangepast worden dat .een zoetstof met de naam perillartine ontstaat die 2,000 keer zoeter is als sucrose, de 'gewone' suiker. Het wordt gezien als een broertje van stevioside uit stevia.

Black-eyed Susan

Ik hoor je denken: Black-eyed Susan? We zijn hier in Nederland en ik verwacht toch zeker een Nederlandse naam voor een plant. Mocht je de Nederlandse taal (en flora) liefhebben dan moet ik je teleurstellen, want Black-eyed Susan (Rudbeckia hirta) is wel degelijk de geaccepteerde naam voor een inburgerende exotische soort. Of liever: soorten, want diezelfde naam wordt gebruikt voor een aantal sterk op elkaar lijkende familieleden. Het is een broertje van de Rode zonnehoed (Echinacea purpurea) en dus zou een naam als gele zonnehoed een aanvaardbaar alternatief kunnen zijn voor de black-eyed Susan, ware het niet dat er al zo'n soort met die naam bestaat: de yellow coneflower (Echinacea paradoxa).
Black-eyed Susan is een kruidachtig plantje dat inheems is in grote delen van Noord-Amerika. Deze soort is gerelateerd aan de zonnebloem en de familiegelijkenissen zijn natuurlijk duidelijk. Anders dan de zonnebloem is hij bescheiden van formaat en zal hij maximaal 90 centimeter hoog worden. Hij bloeit met prachtige gele bloemen met een zwarte harige kegel in het midden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Rudbeckia, vernoemt de Zweedse onderzoeker en plant- en vogelkundige Olof Rudbeck de Jongere (die zich in de geest van de tijd Olaus Rudbeckius d.y. noemde (1660-1740). Het tweede deel, hirta, is afgeleid van het oud-Ierse Ier en daar betekent het 'west', wat enige logica in zich bergt omdat Noord-Amerika ten westen van Europa ligt.

In ons land wordt de black-eyed Susan graag aangeplant omdat ze zo goed bijen en vlinders aantrekken. Maar ook deze Susan houdt er niet van om gevangen te zitten en ontsnapt regelmatig uit tuintjes.

In diens thuislanden worden de wortels en de bloemen van de black-eyed Susan door een aantal indianenstammen ingezet als medicinaal kruid. Het zou, volgens hen, werkzaam zijn tegen verkoudheid, griep, infecties, zwellingen en (als papje aangebracht) slangenbeten.

Op diverse websites wordt gemeld dat uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat black-eyed Susan positieve effecten op de gezondheid kan hebben, maar de resultaten van die onderzoeken moeten wel met een hele roze bril gelezen worden. Jawel, er zitten antioxidanten en daarvan wordt inderdaad alom gemeld dat die gezond zijn. Maar iedereen vergeet altijd te vermelden dat er véél meer antioxidanten in groente en fruit zit dan in een wortel of blad van een exotisch plantje.

Hetzelfde probleem heeft de rode zonnehoed en daarom stopt (ex-Dr) Vogel tegenwoordig ook vitamine C in hun tabletjes Echinacea forte. Want van vitamine C is wél bewezen dat het gezond is en dus kunnen ze claimen dat Echinacea met vitamine C de weerstand verhoogt.

Schorrenzoutgras

Schorrenzoutgras (Triglochin maritima) is een kruidachtige, meerjarige en zoutmiddende plant. De soort is gebonden aan vochtige tot natte standplaatsen die variëren van zilt tot brak. De plant heeft rechtopgaande stengels, die scheef uit de grond komen. De bladeren hebben geen bladsteel, zijn grondstandig, lijn- tot lintvormig, spits aan de top en gaafrandig. De plant bloeit tussen mei en augustus met een aarvormige tros. Oudere planten vormen vaak heksenkringen. Doordat ze naar buiten toe uitdijen en in het midden afsterven. Schorrezoutgras is inheems in de koude en gematigde zones van het noordelijk halfrond, maar is ook in hetzelfde klimaat in Zuid-Amerika aan te treffen.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Triglochin, is een combinatiewoord uit het Grieks: tri (Τρι) betekent 'drie' en glochis (γλωχις) betekent 'hoek'. Samen beschijft het de driekantige vorm van de vruchtjes. Het tweede deel, maritima, Het tweede deel, maritima, is Latijns en betekent '(van de) zee'.

Schorrenzoutgras verspreidt na kneuzing een sterke, wat zurige geur die volgens sommige doet denken aan de geur van frituur. Anderen menen weer dat het na kneuzing geurt naar chloor. Niet al te prettige geuren, zo kun je denken, maar er zijn mensen die vinden dat de geur van schorrenzoutgras een bijna perfecte imitatie is van die van koriander. Dat er ook nog een zilte component aan de smaaksensatie zit, betekent dat schorrenzoutgras een perfect kruid is om zeevisgerechten extra smaak te geven. Inderdaad zijn er creatieve koks die graag gebruik maken van dit zeer aparte kruid.

Maar schorrengraskruid heeft ook een duister kantje: het produceert namelijk waterstofcyanide (HCN) en dat is beter bekend als het potentieel dodelijke blauwzuur. De geschiedenis leert echter dat het vooral in gedroogde toestand zijn potentieel fatale werking heeft en dat betekent dat koeien en schapen daarvan het slachtoffer kunnen zijn. Verschillende onderzoeken hebben uitgewezen dat de waarden aan waterstofcyanide nogal kunnen variëren.

Intussen is bekend dat er geen tot nauwelijks blauwzuur in de verse, bijna kleurloze steel zit. Denk dan aan het stukje van de wortel tot het punt waar de bladeren aan de steel ontspringen. Ook blijkt het belangrijk te zijn dat je een plantje zoekt dat in het groeiseizoen niet eerder is geoogst. Schorrenzoutgras kan namelijk goed tegen 'begrazing' door mensen en dier, maar de wraak is dan zoet. Hij groeit opnieuw uit, maar mét extra blauwzuur.

Nu bestaan er veel meer kruiden en specerijen die potentieel behoorlijk giftig kunnen zijn in grotere hoeveelheden. Ook schorrenzoutgras zou voor mensen onplezierige gevolgen kunnen hebben als je het in grotere hoeveelheden zou consumeren. Maar dat doet dus niemand, want een kruid of specerij dient altijd met mate te worden ingezet.

IJslands mos

De natuur is ons weer eens te slim afgeweest, want IJslands mos (Cetraria islandica) is helemaal geen mos. Het lijkt er alleen maar op. IJslands mos is namelijk een korstmos. Dat is een samenwerkingsverband, een symbiose, tussen twee verschillende soorten. In dit geval een alg en een schimmel. De alg verzorgt de fotosynthese, terwijl de schimmel zorgt voor bescherming omdat deze om de alg heengegroeid is. Het Ijslands mos heeft een vorm van een gaffelvormig vertakt groen, bruingroen, grijswit tot rossig gekleurd 'gewei', wat men in de biologie een thallus noemt.
IJslands mos is inheems op in rotsachtige gebieden in noordelijk Europa, maar komt voornamelijk voor op IJsland, Schotland, Groenland en Spitsbergen. Ook in de arctische delen van Noord-Amerika is ijsland mos aan te treffen. Deze soort is extreem gevoelig voor milieuvervuiling en het lukt 'm alleen te overleven in omgevingen die superschoon zijn. In ons land komt de soort dus niet voor. De ramp met de kerncentrale van Chernobyl is een behoorlijke aanslag op het bestaan van ijslands mos geweest.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Cetraria, is een afgeleide van het Latijnse woord Caetra, een cirkelvormig schild dat door Iberische strijders, bewoners van het Iberisch schiereiland werd gebruikt. Het probeert de vorm van het korstmos te beschrijven. Het tweede deel, islandica, is Latijns en betekent 'IJslands'.

Op IJsland menen de bewoners dat ijslands mos een soort manna is. Ze claimen dat de hemel ze een brood(vervanger) heeft gezonden die op de rotsen groeit. Inderdaad heeft ijslands mos enige voedingswaarde. In de zomer heeft het een slijmerig, rubberachtig mondgevoel, maar in de winter droogt het uit. Even water bijvoegen en het is weer net zo vies als in de zomerperiode. Maar honger maakt rauwe bonen zoet en dit voedingsmiddel heeft menig leven gered in tijden van schaarste.
[IJslandse hellingen bedekt met IJslands mos]
IJslandse mos wordt toegepast bij de behandeling van ontstekingen in de mond en keel, verlies van eetlust, verkoudheid, droge hoest, bronchitis, indigestie, koorts, longziekte en nier- en blaasklachten. Soms wordt ijslands mos direct op slecht genezende wonden gelegd. Onderzoek heeft uitgewezen dat ijslands mos een stofje met de naam protolichesterinisch zuur bevat[1]. Daarvan is bekend dat het een sterke antibacteriële werking heeft.

Toch moet je oppassen, want ijslands mos heeft de neiging om zware metalen, zoals lood, op te nemen. Die verontreiniging kan eenvoudig in je bloedbaan worden opgenomen en je lichaam heeft de neiging op dat in het vetweefsel op te slaan.

[1] Ingolfsdottir et al: In vitro susceptibility of Helicobacter pylori to protolichesterinic acid from the lichen Cetraria islandica in Antimicrobial Agents and Chemotherapy – 1997. Zie hier.

Lavas (of Maggiplant)

Lavas (Levisticum officinale) is een vaste plant uit de schermbloemenfamilie (Umbelliferae) die wel 2,5 meter hoog kan worden. Dit kruid staat ook wel bekend onder de naam maggiplant, omdat de sterke geur ervan overeenkomt met die van Maggi Aroma. Om het ingewikkeld te maken zit er uiteraard geen lavas in Maggi Aroma. De gekneusde steel en bladeren ruiken sterk naar selderij. Lavas bloeit vanaf de late lente met gele tot groengele bloemen.
Lavas is een kruidachtige plant die afkomstig is uit Zuid-Europa. Het is een vroege kosmopoliet, een cultuurvolger, want de Romeinen verspreidden het kruid al met hun veroveringstochten door Europa. Momenteel is de soort te vinden in heel Europa en Noord-Amerika.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Levisticum, is afgeleid van het Latijnse werkwoord levis, wat '(ver)lichten)' betekende. Het tweede deel, officinale, is al veel vaker besproken en duidt op het medische gebruik van deze soort.

De verse bladeren kunnen worden gebruikt in stoofpotten, salades en sauzen. Verder kunnen ze toegepast worden als zoutarme groente in soepen en bouillons. De wortels kunnen gekookt en geraspt worden gegeten als knolgroente, maar ook om salades wat body te geven. De smaak en geur kunnen worden omschreven als een mix van selderij en peterselie, maar met een hogere intensiteit van beide smaken. De zaden kunnen als specerij worden gebruikt, vergelijkbaar met venkelzaden. Zo wordt brood soms gekruid met lavas.

In het Verenigd Koninkrijk bestaat een alcoholisch likeurtje waar lavas wordt gemengd met cognac. Lovage - Old English Alcoholic Cordial wordt traditioneel gedronken in de winterperiode om jezelf weer wat op te warmen. Het is - uiteraard - een geheim recept uit het Engelse Bristol.

In de volksgeneeskunst wordt lavas ingezet als 'irrigatietherapie' voor pijn en zwelling (lees: ontsteking) van de lagere urinewegen, ter preventie van nierstenen en om de urinestroom te verhogen wanneer urineweginfecties of vochtretentie aanwezig is. Wetenschappelijk onderzoek heeft echter geen enkel bewijs voor deze therapie kunnen ontdekken. Ook voor spijsverteringsproblemen, een ander veelgehoord probleem waartegen lavas zou kunnen helpen, is het kruid nutteloos gebleken. Met andere woorden: het is een waardevol keukenkruid, maar je hoeft het niet in je medicijnkastje te bewaren.

Een populair oud-Romeins recept voor oestersaus luidt: in ostreis: piper ligusticum oui uitellum acetum liquamen oleum et uinum. Si uolueris et mel addes. Vertaald is dat 'in oesters: peper, lavas, een eidooier, azijn, vissaus, olie en wijn. Als je wilt kun je honing toevoegen'.

Vetiver

Vetiver of vetivergras (Chrysopogon zizanioides) is een overblijvende grassoort die inheems is in India en de meeste landen in Zuidoost-Azië. Qua familieleden is deze grassoort het meest verwant aan sorghum ofwel kafferkoren (Sorghum bicolor), maar hij deelt veel karakteristieken met andere geurige en niet direct verwante grassoorten, zoals citroengras (Cymbopogon citratus), citronella (Cymbopogon nardus) en palmarosa (Cymbopogon martinii).
Vetiver groeit minimaal uit tot een hoogte van anderhalve meter en vormt klompen die ook anderhalve meter in doorsnede kunnen zijn. Het wortelstelsel van de vetiver kan wel twee meter diep reiken en de plant wordt daardoor ook succesvol ingezet om zand op zijn plaats te houden en zo erosie te voorkomen. De grassprieten zijn lang, dun en behoorlijk stevig. De plant bloeit men bruinpaarse bloemen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Chrysopogon, heeft uiteraard een Griekse oorsprong: het is een combinatiewoord van khrūsós (χρῡσός), wat 'goud' betekent en pógon (πώγων) wat 'baard' is. Samen is dat dus 'gouden baard'. Het verklaart de goudgele pluimen van de rijpe grassen. Het tweede deel, zizanioides, is ook al oud-Grieks. Daar betekende het woord zizanion (ζιζάνιον) 'tarwe'. Vetiver lijkt dus een beetje op tarwe. Het woord 'vetiver' zelf komt uit de oud Zuid-Indiase Tamil: vettiver (வெட்டிவேர்) is 'citroengras'.

Het aanplanten van vetiver zorgt mede voor dat allerhande soorten onkruid zich niet kunnen vestigen. Bovendien heeft het positieve eigenschappen voor de gezondheid van grazend vee. De essentiële olie wordt veelvuldig ingezet in de parfumindustrie, waar de heerlijke houtige geur als een typisch mannelijke geur wordt gezien. Geen wonder dus dat je een man als Johnny Depp Dior's Eau Sauvage ('Wild Water') ziet promoten.
Vetiver wordt in India khus genoemd en daar wordt het als een smaakmaker gebruikt in de zogenaamde khussiroop, zeg maar een Karvan Cevitam met een exotisch smaakje. Het wordt gemaakt door essence van khus toe te voegen aan suikerwater en citroensiroop. Khusessence wordt gemaakt van de wortels van de vetiver. Die donkergroene khussiroop wordt vervolgens gebruikt om milkshakes, ijs en yoghurt een aparte kleur en smaak te geven. Er bestaan zelfs recepten waar khussiroop aan bekende cocktails als Shirley Temple worden toegevoegd.

Uiteraard heeft men in de Ayurvedische geneeskunst (geen: geneeskunde) ook gedacht dat vetivergras zou kunnen helpen tegen allerlei ongerelateerde klachten. Het zou koortswerend zijn en je weer geestelijk in balans kunnen brengen. Omdat men gelooft dat vetiver een lichte oestrogeenachtige werking heeft, zou het (let op, dames) een goed middel zijn om je borsten in perfecte conditie te houden.

Hyssop

Hyssop (Hyssopus officinalis) is een kruid dat zich bijzonder thuisvoelt aan de warme kusten van de Middellandse Zee, met een uitloper naar de Kaspische Zee. Het is een kruid dat al sinds onheuglijke tijden bekend staat voor diens medicinale en ontsmettende werking. Zelfs zonden zouden met de hyssop kunnen worden weggevaagd, aldus de Statenbijbel: 'Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw'. Het probleem is echter dat bijbelvorsers het niet helemaal eens zijn of voor dat doel ooit hyssop of vergelijkbare planten als majoraan zijn gebruikt.
Afhankelijk van de ondergrond en klimatologische omstandigheden varieert de hoogte van het struikje van 30 tot 60 centimeter. De donkergroene bladeren zijn lansvormig. In de zomer bloeit hyssop uitbundig met roze, blauwe of (veel zeldzamer) witte bloemen. De plant verspreid dan een heerlijke kruidige geur.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Hyssop, is in eerste instantie een transcriptie van de Griekse naam, hyssopos (ὕσσωπος). In het Hebreeuws vinden we het vergelijkbare ezov, esov of esob (אזוב), maar die taal heeft het weer geleend uit het Aramees: 'ezobā. Het tweede deel, officinalis, beschrijft zijn geneeskundige eigenschappen.

Hyssop bereikte in de tiende eeuw via Benedictijnse en Kartuizer monniken West-Europa. Die wisten wel wat lekker was en stopten hyssop als één van de belangrijkste ingrediënten in hun bekende Franse likeurs Bénédictine en Chartreuse. Het aromatische kruid werd in de Middeleeuwen een zeer populair keukenkruid. Het heeft in verse toestand een licht bittere muntachtige smaak en kamferachtige geur. Hyssop past in salades, soepen, sauzen, vlees- en visgerechten, en ragoûts. Vette gerechten worden met hysop lichter verteerbaar. Het probleem is echter dat het maar weinig etherische olie bevat dat ook nog eens bij het drogen van het kruid grotendeels verloren gaat. Het heeft daardoor dus maar een beperkte toegevoegde waarde.

Omdat hyssop bekend staat om zijn desinfecterende werking, werd het vroeger als ontstekingsremmer ingezet bij allerhande kwalen. Verder wordt gemeld dat het de maag versterkt, gasvorming tegengaat, de menstruatie stimuleert, de spijsvertering bevordert, overmatig transpireren tegengaat en het afweersysteem van het lichaam stimuleert.

De werking zou berusten op de etherische oliën. Die bevatten, onder andere, de chemische stofjes thujone en phenol, die het de antiseptische eigenschappen geven. De hoge concentraties thujone en andere chemische stofjes, waaronder pinocamphone en cineole, stimuleren het centrale zenuwstelsel en kunnen epileptische reacties uitlokken. Een paar druppels hyssopolie kunnen al stuiptrekkingen bij kinderen veroorzaken. Met andere woorden: afblijven. Mocht je toch geloven dat hyssop gezond is dan staat hieronder een recept met hyssop tegen domheid.
Zowel in de keuken als in het medicijnkastje kan hyssop eenvoudig worden vervangen door salie of rozemarijn.

Zilverschildzaad

Zilverschildzaad (Lobularia maritima) is een eenjarige plant, tenzij de winter zo zacht is gebleken dat hij er nog een jaartje aan vastknoopt. Deze bodembedekker kan een hoogte bereiken van zo'n 20 centimeter. Zilverschildzaad behoort tot de Brassicaceae en behoort daarmee tot de kool- en mosterdfamilie. De plant is inheems in het Middellandse Zeegebied, de Canarische Eilanden en de Azoren en de Baai van Biscaje. Hij kan daardoor met recht een kustbewoner worden genoemd.
Afhankelijk van de variëteit bloeit zilverschildzaad met vele witte, roze, paarse of mauve bloemen. De kroonbladen zijn wit of iets paars. Die bloemen zijn maar vijf milimeter in doorsnede en ruiken heerlijk naar honing. De blaadjes zijn bedekt met zilverkleurige haartjes.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Lobularia, is afkomstig uit het klassiek-Grieks, waar lobos (λοβος) zowel 'peul' als '(oor)lel' of 'lever' betekende. Als je er even over nadenkt hebben ze allemaal ongeveer dezelfde vorm. Lobularia is een verkleinwoord en we kunnen het dus vertalen als 'peultje'. Het tweede deel, maritima, is Latijns en betekent '(van de) zee''.

Zilverschildzaad komen we af en toe tegen op Terschelling, maar ik vrees dat het Waddengebied niet tot een nieuw domein van deze maritieme plant gerekend mag worden. Zilverschildzaad staat namelijk bekend als een zeer populaire plant, die geschikt is voor de zijkant van borders, rotstuinen en bloembakken. Hij vult die vervelende lege plekken zo leuk en snel op. In tuincentra en catalogi worden daarom vele variteiten aangeboden met uitermate creatieve namen als 'carpet of snow' of 'easter bonnet violet'. Dat deze soort overal kan worden aangeplant betekent ook dat hij graag wil ontsnappen om de vrijheid te proeven.

Maar zoals zoveel van zijn directe familieleden is ook zilverschildzaad gewoon eetbaar, al staan ze daar niet direct bekend om. Ze hebben een ietsjes zoetige en tegelijkertijd pittige naar mosterd neigende smaak. Hij zit vol met vitamine C en in Spanje stond hij ooit op het menu om scheurbuik tegen te gaan. Ook dacht men daar dat een aftreksel zou werken tegen de geslachtsziekte gonorroe. In Italië meende men dat zilverschildzaad zou helpen tegen maag- en darmpijnen plus verkoudheden[1].

In Engelstalige landen wordt hij ook madwort ('kwaadheidswortel') genoemd omdat de zo zoete geur alle kwaadheid uit je lijf en geest zou verwijderen. Ooit werd hij ook als amulet gedragen om je te beschermen tegen heksen.

[1] Savo et al: Folk phytotherapy of the Amalfi Coast (Campania, Southern Italy) in Journal of Ethnopharmacology - 2011

Molukse nootmuskaat

De bij ons zo bekende nootmuskaat (Myristica fragrans) groeit slechts op een paar Indonesische eilandjes, de Banda-eilanden. Die eilandengroep behoort tot wat grotere Molukken. Alle eilanden kun je op de kaart vinden tussen het Indonesische eiland Sulawesi en het door Indonesië ingepikte westelijke deel van Nieuw-Guinea.
Nootmuskaat en foelie waren ooit peperduur en de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) wilde graag het monopolie hebben (en behouden) op die twee specerijen. Het bedrijf verbood de inwoners van de Banda-eilanden om de specerijen aan anderen te verkopen, maar die sloegen dat – ahum – verzoek natuurlijk in de wind. Ze verkochten af en toe ook wat aan de Engelse en Portugese concurrenten. Door die voortdurende ongehoorzaamheid ontstak gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen (1587-1629) in grote woede en in 1619 werd besloten om de totale bevolking van de Banda-eilanden te doden. Van de ongeveer 15.000 bewoners overleefden er maar een paar honderd, die werden afgevoerd naar Batavia.

Er is dus nogal wat bloed gevloeid op de Banda-eilanden en de vraag is of dat allemaal wel nodig was. Op de rest van de Molukken groeide namelijk een broertje van de nootmuskaat, de Molukse nootmuskaat (Myristica succedanea). Het is een altijdgroene boom die een hoogte kan bereiken van zo'n 20 meter. In het Indonesisch noemen ze hem pala patani en de Engelsen noemden hem Halmahera nutmeg, één van de Molukse eilanden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Myristica, stamt af van het Griekse woord myron, dat ‘balsem’ of ‘smeersel’ betekent. Dat Griekse woord kan weer geleend zijn uit het Semitisch en kan daardoor een broertje van het Hebreeuwse woord mor (‘mirre’) zijn. Het tweede deel, succedanea, is afgeleid van het Latijnse succulentus wat 'sap hebbend' of 'sappig' betekent. Uiteindelijk stamt het af van succus 'sap'.

De Molukse nootmuskaatboom produceert nootmuskaatnoten, nootmuskaat en foelie die lijken op die van zijn Bandarese broertje. De noot is echter iets kleiner van formaat. Men meent echter dat de smaak een stuk minder is. Dat heeft de plaatselijke bevolking er echter niet van weerhouden om deze specerijen op precies dezelfde manier te gebruiken als de Bandarese nootmuskaat en foelie. Zelfs nu wordt hij nog op kleine schaal verbouwd.

Dat de Molukse nootmuskaat slechts van een beetje mindere kwaliteit is zou de VOC niet tegengehouden moeten hebben om er goede handel in te zien. Een beetje mindere kwaliteit zorgt immers maar voor een beetje minder winst. Soms is dat iets om tevreden mee te zijn, maar niet de VOC. Die mengde de Molukse nootmuskaat gewoon door de Bandarese nootmuskaat om zo toch nog de maximale winst te genereren.

Alsemambrosia

Ambrosia is een plantengeslacht waarvan we enkele soorten als adventiefplanten in Nederland aantreffen. Ze worden voortdurend aangevoerd vanaf de Noord-Amerikaanse prairiegebieden, maar slagen er toch maar niet in om aan het inburgeringsexamen te voldoen. Maar veel scheelt dat niet. De ambrosia is een plant, die tot wel 120 centimeter hoog kan worden. In Nederland komen een drietal soorten steeds vaker voor: de hieronder besproken alsemambrosia (Ambrosia artemisiifolia), de driedelige Ambrosia (Ambrosia trifida) en de zandambrosia (Ambrosia psilostachya). Vroeger had een plant als de alsemambrosia geen enkele kans om zich hier blijvend te vestigen, maar klimaatveranderingen zorgen voor warmere omstandigheden en dat maakt het verschil tussen op visite zijn en blijven.
[Foto: Cees Veerman]
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, ambrosia, herinnert aan de Griekse godenspijs ambrosia. Het Griekse woord ambrosios is een combinatiewoord van a (‘niet’) en mbrotos (‘sterfelijk’). Dat laatste is weer gerelateerd aan mortos dat in het Nederlands nog herkenbaar is in het woord ‘moord’. Samengevoegd betekent het ‘onsterfelijk’. Wat het verband is tussen die onsterfelijkheid en de plant, blijft raadselachtig. De planten zijn zeker niet onsterfelijk omdat veel soorten eenjarig zijn. Het tweede deel, artemisiifolia, is een combiwoord uit het Latijn waar folio ‘blad’ is en artemis ‘alsem’. Samen is dat dus ‘(met een) blad (dat lijkt op dat van de) alsem’.

Het allergrootste probleem van de alsemambrosia is het feit dat tijdens de bloei grote hoeveelheden pollen vrijkomen. Deze pollen zijn zeer sterk allergeen wat betekent dat ze snel hooikoortsklachten veroorzaken. De plant bloeit daarbij laat, vanaf eind augustus tot en met oktober, waardoor het huidige hooikoortsseizoen wel met twee maanden verlengd kan worden. Dat is beslist geen goed nieuws voor mensen die toch al snel last hebben van een (pollen)allergie.

De plant scheidt de sesquiterpene lactone coronopiline uit, die de oorzaak is van de allergie, maar oorspronkelijk tot doel had om de groei van andere planten in de omgeving van de alsemambrosia te belemmeren. Een slimme manier van chemische oorlogvoering om de strijd om het bestaan met inheemse planten te winnen.

Omdat de alsemambrosia niet inheems is wordt hij hier uiteraard niet voor culinaire of medische doeleinden gebruikt. De indianen gebruikten hem voor infecties en insektenbeten. Een thee werd ingezet als middel tegen koorts en menstruatiepijnen.

Maar wat te doen aan die invasieve alsemambrosia? Als zoveel mensen last van allergie krijgen doen moet er toch daadkrachtig worden ingegrepen? Dat wordt nu eindelijk gedaan: de regering is in overleg met zaadhandelaren of die misschien alsjeblieft willen letten op de aanwezigheid van zaden van alsemambrosia in de door hen geïmporteerde zaadmengels. En de Voedsel en Warenautoriteit stelt je in hier staat om een waarneming te melden. Dát is pas krachtig ingrijpen om de volksgezondheid van de Nederlanders te beschermen.

Monnikspeper

De monnikspeper (Vitex agnus-castus) is verspreid in het hele Middellandse Zeegebied en Centraal Azië, waar hij kusten en rivieroevers bewoont. Het is een tot vijf meter hoge struik of kleine boom. Deze soort wordt veel aangeplant vanwege diens aantrekkelijke en geurige bloemen. De blauwviolette, rozekleurige of witte bloemvorm doen denken aan die van de vlinderstruik. Uiteindelijk vormt de monnikspeper kleine, donkerbruine vruchten die verworden tot vierzadige steenbessen. De hele plant heeft een peperachtige geur en smaak. De gedroogde bessen kunnen dan ook gebruikt worden als vervanger van zwarte peper.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Vitex, wordt in verband gebracht met het Latijnse woord vieo, wat 'weven' betekent. Het verklaart het gebruik van de twijgen van de monnikspeper om manden mee te vlechten. Het tweede deel, agnus-castus, is een vreemde woordverdubbeling: agnus is afgeleid van het oud-Griekse agnos (ἄγνος) en castus is geleend uit het Latijn. Beide woorden hebben dezelfde betekenis, namelijk 'kuis'. Het verklaart het gebruik van deze plant.

Zoals diverse planten een lustverhogend effect lijken te hebben en afrodisiacum genoemd worden, geloofd men al sinds onheuglijke tijden dat de monnikspeper een omgekeerd effect heeft. Het is een lustverlager ofwel een anaphrodisiacum.

De bladeren, bloemen en rijpende zaden worden geoogst voor alternatieve medicinale doeleinden. De besjes worden in een tonicum verwerkt die werkzaam is op zowel het mannelijke als vrouwelijke voortplantingssysteem. In zijn boekwerk 'Historia Naturalis' schreef de Romeinse historicus Plinius de Oudere over de monnikspeper: bladeren en bloemen werden over het het bed van vrouwen gestrooid om de 'hitte van de lust te koelen'. Zo bleven de vrouwen kuis tijdens de achtdaagse Thesmophoriën, een vruchtbaarheidsfeest om de Griekse godin Demeter te eren.

In de Middeleeuwen werden in kloosters de vruchten van de struik als vervanging van peper voor het onderdrukken van de 'vleselijke lusten' van monniken gebruikt. De monniken strooiden takken van de monnikspeper op hun bedden en de gewoonte om voor de novicen de wegen naar de kloosters met monnikspeperbloemen te bestrooien zou in Italië tot de dag van vandaag nog gebruikelijk zijn.

Monnikspeper werd vroeger als geneesmiddel ingezet bij verwondingen, onderbuikaandoeningen, oedeem, hypochondrie en leverziektes. Als we naar het heden overstappen dan blijkt dat monnikspeper inderdaad enig effect heeft op menstruatiecyclus. Onderzoek toont verder aan dat het een mogelijk positief effect heeft bij het Premenstrueel Syndroom (maandelijks terugkerende klachten tijdens de tweede helft van de menstruatiecyclus) en de Premenstruele Dysfore Stoornis (een ernstige vorm van het Premenstrueel Syndroom met vooral klachten van psychische aard).

Herderstasje

Er zullen maar weinig planten zijn die zo herkenbaar zijn als het herderstasje (Capsella bursa-pastoris). Het is een plant uit de kruisbloemenfamilie (Brassicaceae) en is daarmee dus een direct familielid van diverse koolsoorten. Het herderstasje is afkomstig uit het Middellandse Zeegebied en is cultuurvolger. De hele wereld is intussen zijn domein, al willen zeurpieten toch genoemd hebben dat deze soort niet voorkomt op Antarctica en enkele eilanden in de Stille Oceaan.
Herderstasje is een één- of tweejarige plant die van 5 tot 50 centimeter hoog kan opgroeien. Dat verschil in grootte is het gevolg van betreding of dichtheid van de bodem. Zijn naam dankt hij uiteraard aan de zo kenmerkende vorm van zijn hauw.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Capsella, is terug te voeren op het Latijn, waar capsella een verkleinwoord is van 'koffer' of 'houder' en dus 'koffertje' of of 'houdertje' betekent. Het tweede deel bursa-pastoris betekent in het Latijn – en je voelt hem al aankomen – ook 'herderstas'.

Het lijkt erop dat er tot de Middeleeuwen geen (opgeschreven) medicinale toepassingen zijn geweest, maar tijdens die periode werd het als papje rond de polsen van baby's met geelzucht geplaatst. Nicolas Culpeper schrijft in zijn 'Complete Herbal: A Book of Natural Remedies for Ancient Ills' (1653): “...the juice being dropped into the ears, heals the pains noise and mutterings thereof." Herderstasje werd gebruikt als ontstekingsremmer en als middel tegen Sint Antoniusvuur, het potentieel dodelijke gevolg van een vergiftiging door moederkoren.

Traditioneel wordt de plant geassocieerd met bloedingen, vooral na de bevalling. Ingenomen als een thee (technisch gezien is het dan een tisane) zou het bloedvatvernauwend werken en wetenschappelijk onderzoek lijkt dat effect aan te tonen[1][2], al moet het vakblad waarin die positieve resultaten gepubliceerd werden niet al te serieus worden genomen. Bij afwezigheid van andere werkzame kruiden werd het herderstasje ook ingezet als middel tegen malaria.

Jonge rozetblaadjes kunnen gebruikt worden in salades of gesmoord in soepen. In China staat de plant bekend als jìcài (荠菜; 薺菜). In de omgeving van Shanghai wordt het gewokt met andere ingredienten als vulling voor mini-loempia's (wontons). In Japan is het herderstasje een van de ingredienten voor een speciaal gerecht, zevenkruidenrijstpap, tijdens het Festival van de Zeven Kruiden ofwel Nanakusa no sekku (七草の節句) op 7 januari (Jinjitsu). Als we overstappen naar Korea dan staat het herderstasje als groente op het menu in het karakteristieke Koreaanse gerecht namul (verse peulen en wilde groenten).

[1] Ghalandari et al: Effect of Hydroalcoholic Extract of Capsella bursa pastoris on Early Postpartum Hemorrhage: A Clinical Trial Study in Journal of Alternative and Complementary Medicine – 2017
[2] Naafe et al: Effect of Hydroalcoholic Extracts of Capsella Bursa-Pastoris on Heavy Menstrual Bleeding: A Randomized Clinical Trial in Journal of Alternative and Complementary Medicine – 2018

Iriswortel

Ah, die prachtige irissen met hun elegante bloemen die in elke tuin en in elk boeket niet misstaan. Irissen behoren tot een geslacht met wel 300 verschillende soorten die de hele wereld als hun domein hebben. Wij beperken ons hier tot de baardirissen, een subgeslacht, waartoe de inheemse blauwe lis of Duitse lis (Iris germanica) en de wat exotischer Florentijnse lis (Iris pallida) behoren.
[Duitse lis en Florentijnse lis]
Irissen hebben een forse, kruipende en zich vertakkende wortelstok. De wat blauwgroene, zwaardvormige bladeren reiken ongeveer even hoog als de bloemen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Iris, vernoemt de personificatie en godin van de regenboog en boodschapper van de goden in de klassieke Griekse mythologie. Het Griekse ιρις betekent dus ook 'regenboog'. Het (eerste) tweede deel, Germanica, betekent natuurlijk 'Duitsland'. Het woord werd het eerst gebruikt door Julius Ceasar die daarmee de stammen ten oosten van de Rijn bedoelde. De betekenis van het woord is volstrekt onduidelijk, maar het zou mij niet verbazen als de man daarmee 'barbaren' bedoelde. Het (tweede) tweede deel, pallida, is afgeleid van het Latijnse woord pallere, wat 'bleek (worden)' betekent. Hij is inderdaad wat fletser van kleur. En jawel: het Engelse woord pale stamt inderdaad af van het woord pallere.

Van beide irissoorten worden de wortels gebruikt in de werelden van parfumerie, medicijnen en drankstokerijen. Daar staan ze bekend als orris root, wat een onverklaarde verbastering is van 'iris'.

Een iriswortel wordt geoogst, gedroogd en dan wel vijf jaar bewaard om te rijpen. Gedurende deze periode zullen de plantaardige vetten en oliën afbreken en oxideren. Daardoor ontstaan nieuwe stofjes die waardevol zijn bij het samenstellen van dure parfums. De 'verouderde' wortels ondergaan een stoomdestillatie en daardoor ontstaat een olie-achtige substantie die men irisboter of orris oil noemt. Je zult snappen dat het een uiterst kostbaar proces is en een kilo irisboter kost al snel rond de €100,000. De geur doet dan denken aan die van viooltjes, maar dieper en geraffineerder.

Vroeger werd aan baby's, die last van hun doorkomende tandjes hadden, een stuk iriswortel gegeven om op te kauwen. Het zou de klachten verminderen en licht verdovend werken. In de Middeleeuwen verwerkte men iriswortel in medicijnen tegen bronchitis, oedeem en leverkwalen. Ook werd de wortel tot poeder gemalen en in een zakje op het lichaam gedragen. De edelen in de 18e eeuw strooiden geurig iris wortelpoeder op hun pruiken.
Ook menig merk gin krijgt tegenwoordig nog zijn specifieke geur en smaak door het toevoegen van iriswortel. Denk aan het bekende Bombay Sapphire in de blauwe fles, maar ook de vaderlandse Dry Gin van Rutte maakt gebruikt van orris root.

Geelwortel (Kurkuma of Koenjit)

De geelwortel (Curcuma longa) staat ook bekend als kurkuma (bij Surinamers) of koenjit (bij Nederlands-Indiërs). De gedroogde wortel van deze plant wordt toegepast als specerij om verschillende gerechten een gele kleur te geven. Kerrie en kerriemengsels danken er hun wat oranjegele kleur aan. Het heeft echter ook een specifiek aroma en dat wordt ook in vele Aziatische gerechten als onmisbaar beschouwd.
Men denkt dat geelwortel ooit min of meer per ongeluk is ontstaan als een hybride tussen de wilde geelwortel (Curcuma aromatica), inheems in India, Sri Lanka en oostelijke hellingen van de Himalaya's, en enkele andere zeer nauw verwante soorten. Het is een steriele plant en produceert daardoor geen zaad. De enige manier van vermeerdering is dus via verspreiding van de wortels.

Geelwortel (Kurkuma of Koenjit) wordt al genoemd in de werken van de Venetiaanse ontdekkingsreiziger Marco Polo (1254-1324), die rond het jaar 1290 met deze specerij in aanraking kwam tijdens zijn reizen door India en China. Al verkreeg hij de roem als de man, die geelwortel naar het westen bracht, het waren in werkelijkheid Arabische handelaren die al in de dertiende eeuw deze specerij naar Europa vervoerden.

Daarna deed de Portugese zeevaarder Vasco da Gama (1460-1524) gedurende de vijftiende eeuw tijdens zijn vele zeereizen het Indiase subcontinent een aantal keren aan en bracht geelwortel (kurkuma of koenjit) en vele andere specerijen al eerste direct van de Oost naar de West, de Arabische tussenhandelaren buitenspel zettend.

Het was pas tijdens de heerschappij van de handelsondernemingen de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) uit Nederland en de East India Company (EIC) uit Groot-Brittannië dat vele soorten specerijen in behoorlijke hoeveelheden in West-Europese landen aangevoerd werden. Toen gingen ook de prijzen van deze goederen zover naar beneden dat veel meer mensen er van konden genieten.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Curcuma, is afgeleid van het Arabische kurkum, wat uiteraard 'geelwortel' betekent. Dan lijkt het spoor dood te lopen, maar via het oud-Grieks komen we uit bij het woord krokotos (κροκωτος) wat 'geelbruin' betekent en tevens de bron is van de woorden krokus en krokodil. Het tweede deel, longa, is Latijns en betekent 'lang'.
Sinds een paar jaar staat curcumine, de werkzame stof in de geelwortel, in de belangstelling. Het zou werkzaam zijn tegen allerhande kwalen en het werd dus tijd dat de wetenschap zich ermee ging bezighouden.

Curcumine heeft een chemisch profiel dat aan aspirine doet denken. Na de reageerbuis (in vitro) werd het onderzoek uitgebreid naar het menselijk lichaam (in vivo). Maar toen merkten onderzoekers dat er een probleem was. Het farmacokinetisch gedrag toonde aan dat toepassing vrijwel onmogelijk is: curcumine wordt zeer slecht uit de darm opgenomen en buitengewoon snel en intensief gemetaboliseerd; bloedspiegels waren navenant laag en namen snel af. Ze slaagden er nimmer in analoga te identificeren met een beter ‘profiel’ dan curcumine. De conclusie was: curcumine is interessant, maar haar eigenschappen laten toepassing als therapeuticum niet toe[1].

De conclusies van een samenvattend onderzoek zijn duidelijk: er zijn meer dan 120 klinische onderzoeken gepubliceerd, maar ‘No double blinded, placebo controled clinical trial of curcumin has been succesfull’. Over preklinisch onderzoek: '… curcumin is an unstable, reactive, nonbioavailable compound and, therefore, a highly improbable lead'[2].

[1] Henk Timmerman: Curcumine kan geen geneesmiddel zijn in Medisch Contact - 2017. Zie hier
[2] Nelson et al: The Essential Medicinal Chemistry of Curcumin in Nature - 2017

Tijgerlelieknoppen

Zo af en toe vraag ik me af hoe mensen ooit tot de ontdekking zijn gekomen dat bepaalde planten of plantendelen geschikt zijn als specerij of kruid. Was het armoede die soms dwong tot noodsprongen of is het gewoon onze ingebouwde drang om te experimenteren?

Een prachtig voorbeeld zijn tijgerlelieknoppen die 'geoogst' worden van de citroendaglelie (Hemerocallis citrina). Botanisch gezien wordt deze plant nu citroendaglelie genoemd, maar als specerij bleef diens oude naam bestaan. Deze specerij wordt op alle markten in China vers of gedroogd verkocht onder de namen jīn zhēn (金针) of gele bloemen groente (huáng huā cài ofwel 黃花菜).
De citroendaglelie is een vaste plant en kan een hoogte bereiken van 120 centimeter. Deze soort is in het bezit van heldergroene, rechte bladeren van ongeveer 40 centimeter lang. De prachtige en bijzonder geurige bloemen zijn trompetvormig en citroengeel van kleur. Deze soort is inheems in delen van Oost-Azië en China. Een nauw verwant broertje, de gele daglelie (Hemerocallis lilioasphodelus) wordt sporadisch in ons land waargenomen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Hemerocallis, is een combinatiewoord uit het klassiek Grieks, waar emerho (ημερο) 'getemd' of 'gecultiveerd' betekent en kalos (καλος) 'prachtig'. Samen is dat dus '(een) prachtige (bloem die) gecultiveerd (wordt). Het tweede deel is eenvoudiger: citrina is afgeleid van citrus, de citroenboom. Het verklaart de kleur van deze soort.

Gedroogd zijn de tijgerlelieknoppen van lichtbruin bruin van kleur. De smaak en geur zijn heel apart, wat zoetig en kruidig. De bite is ietwat knapperig.
De gedroogde knoppen van de bloem van de tijgerlelie worden gebruikt in de Chinese keuken bij diverse stoofschotels en roerbakschotels. Ook worden ze vaak toegevoegd aan bepaalde versies van zoetzure soepen en dagleliesoep. Het in Noord-China populaire moo shu (木须肉) bestaat uit in plakjes gesneden varkenshaas, komkommer en roerei. Die worden in arachideolie geroerbakt, samen met hapklare stukken eetbare paddestoelen. Het gerecht wordt op smaak gebracht met tijgerlelieknoppem, fijngehakte gember, knoflook, wat lente-uitjes, sojasaus en rijstwijn.

De nog gesloten tijgerlelieknoppen zijn rauw een perfecte aanvulling in salades. Gekookt worden ze ook nog eens gebruikt als een delicate groente. Een andere toepassing zijn tijgerlelieknoppen in het zuur, een oude manier om de zo noodzakelijke vitamines ook in de wintermaanden beschikbaar te hebben.

In vrijwel heel Oost-Azië wordt de tijgerlelie verbouwd. In het wild kun je hem in bosranden en bosschages aantreffen.

Klimmende winde

De klimmende winde (Ipomoea tricolor) heeft wereldwijd ongeveer zestienhonderd familieleden. In Nederland treffen we in het wild als verwanten de haagwinde (Calystegia sepium), de zeewinde (Calystegia soldanella) en de akkerwinde (Convolvulus arvensis) aan. Allemaal zijn ze vaak tot enige meters hoog klimmende planten. Naast windende (vandaar de naam), niet of weinig vertakte stengels, vormen ze uitlopers, die zich sterk vertakken en over de grond kruipen tot ze een stevig genoeg voorwerp tegenkomen. Dan duiken ze de grond in, verdikken, vormen wortels die de scheut de grond intrekken, en zenden weer windende stengels omhoog. Dat kan dus niet anders dan een vervelend onkruid zijn, zo zult u opmerken.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ipomoea, is een combinatiewoord uit het Grieks: ipos betekent ‘worm’ en homoios betekent ‘lijkend op’. Samen zegt het dus iets over de manier van groeien waar de kronkelende stengels, lijkend op wormen, over de bodem groeien. Het tweede deel, tricolor, betekent ‘driekleurig’ en verklaart de kleur van de bloemen.

De klimmende winde heeft in zijn thuisland Mexico een lange geschiedenis als hallucinogeen middel om in contact te treden met de goden. Het bevat ergine (ook bekend als d-lysergic acid amide ofwel LSA), een psychoactief broertje van lysergic acid diethylamide ofwel LSD. Het gebruik van planten(delen) met psychoactieve bestanddelen (zoals ergine) in gedistilleerde drank is niet geheel ongebruikelijk. Het bekendste voorbeeld daarvan is thujone uit alsem in Absinth.

Tijdens onze vakantie op het Griekse eiland Rhodos vertelde de gids ons dat de bloemen van de winde gebruikt werden om parfeit d'amour te kleuren. Op de niet altijd betrouwbare Wikipedia wordt gemeld dat deze likeur gekleurd wordt met viooltjes. Het kán natuurlijk dat beide bloemen gebruikt worden in diverse recepten omdat ze beide zo'n beetje dezelfde paarse kleur hebben.

Waar kun je deze vraag beter stellen dan aan de bron: De Kuyper Royal Distilleries, sinds 1695 een wereldwijd bekende destillateur. Al snel kreeg ik antwoord en de woordvoerder meldde dat De Kuyper Parfait Amour helaas NIET met violenblaadjes wordt gestookt. Wikipedia zit er dus naast. Men kon tot 1948 terugzoeken en het recept is al die tijd eigenlijk nauwelijks veranderd. Het product bevat twee distillaten, citroen en curacao, aangevuld met vanille-extract. Omdat eigenlijk alle likeuren van De Kuyper vooral in cocktails gebruikt worden en dat een stabiele kleur van de likeur daarvoor van belang kan zijn, is al zeker sinds 1948 de kleur afkomstig van een synthetische kleurstof.
Volgens wikipedia, bestaat de blauwe kleur van de winde uit anthocyanen. Dat is de zelfde kleurstof als in rood fruit, rode kool en rode biet. Die kleurstof is erg gevoelig voor schommelingen in pH.  Al met al kán het dus prima zo zijn dat er lokaal gebruik wordt gemaakt van deze winde om de likeur te kleuren.

Kruipend zenegroen

Kruipend zenegroen (Ajuga reptans) behoort tot de grote familie van de munt en is een lage plant die in de tweede helft van de lente groeit. Hij wacht dus kennelijk tot de vorst echt uit het land is verdwenen. Deze zenegroensoort breidt uit via bebladerde, kruipende, bovenaardse uitlopers. Geen wonder dat men hem vaak groepsgewijs aantreft. Kruipend zenegroen komt voor in heel Europa met uitzondering van de meest noordelijk en meest zuidwestelijke delen. Ook vindt je deze soort in het Marokkaanse Atlasgebergte. In ons land is hij vrij algemeen, maar op de Waddeneilanden vindt kruipend zenegroen uiteraard de uiterste grens van zijn domein. Kruipend zenegroen bereikt een hoogte van 15 centimeter en bloeit met prachtige blauwe bloemen die in een toorts zijn verzameld.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ajuga, is een verbasterde vorm van het Latijnse woord abigo, wat 'wegdrijven' of 'afdrijven' betekent en het gebruik van het plantengeslacht beschreef. Het werd namelijk ooit toegepast om een abortus op te wekken. Het tweede deel, reptans, is ook al van Latijnse herkomst en betekent 'kruipend'.

Kruipend zenegroen was tijdens de Middeleeuwen enorm populair in zo'n beetje heel Europa en werd voornamelijk toegepast als middel tegen verwondingen die het gevolg waren van veldslagen. De beroemde Engelse herbalist (en arts) Nicolas Culpeper (1616-1654) schreef in The English Physician (Enlarged) ‘The docoction of the leaves and flowers made in wine and taken dissolveth the congealed blood in those that are inwardly bruised by fall, or otherwise, and is very effectual for any inward wounds, thrusts or stabs in the body or bowels’.

De kruidendoktoren (m/v) geloofden dat kruipend zenegroen in staat was om diverse uiteenlopende gezondheidsproblemen op te lossen. Denk aan gangreen, zweren, verstuikingen, fistels, netelroos, gezwollen levers, katers en kaalheid. Bovendien heeft het een milde narcotiserende werking.

In de Victoriaanse tijd, ruwweg de tijd waarin Koningin Victoria in Engeland op de troon zat (1837 tot 1901), werd het nog in sanatoria gebruikt om tuberculose te behandelen en bloedingen te stelpen.

Inderdaad hebben onderzoekers diverse actieve ingrediënten aangetroffen toen ze die plant eens gingen onderzoeken. De meeste van die ingrediënten zijn echter giftig en daarom is kruipend zenegroen wat in de vergetelheid geraakt. Wel duidelijk was dat kruipend zenegroen inderdaad antibacteriële en bloedstelpende effecten bezit.

Onbevestigde geruchten melden dat een enkele geneesmiddelenfabrikant nog wel wat onderzoek laat verrichten aan kruipend zenegroen. Ze hopen er een middeltje aan te onttrekken dat kan werken tegen kaalheid. Oude verwachtingen blijken maar een trage dood te sterven.

Lange peper

Lange peper (Piper longum) wordt soms de Indian long pepper of pippali genoemd. De eerste alternatieve naam verklaart zijn thuishaven en de tweede de oorspronkelijke naam in het Sanskriet, de oeroude Indiase taal die al meer dan 3500 jaar geleden gesproken werd. De lange peper bereikte Griekenland al in de vijfde of zesde eeuw voor onze jaartelling, al dacht men toen eerst nog dat je het beter als medicijn dan als specerij kon toepassen. Tot het moment dat de Europese ontdekkingsreizigers het Amerikaanse continent ontdekten was lange peper een belangrijke specerij.
Het was gedurende de Middeleeuwen de zelfs meest toegepaste pepersoort in Europa. Hoewel de zwarte peper (Piper nigrum) al in de Romeinse tijd bekend was, verdrong hij de lange peper pas definitief in de 18de eeuw. De Koning van Portugal verbood namelijk in 1640 de handel in lange pepers omdat hij met zwarte peper nog meer winst kon maken. Tegenwoordig is het gebruik van deze specerij beperkt tot de landen waar hij van nature voorkomt.

Het fruit van de liaan, want ook deze pepersoort zoekt zijn weg naar het zonlicht door zich via andere bosbewoners omhoog te werken, bestaat uit vele, minuscule vruchtjes van het formaat maanzaad. Die vruchtjes zitten samen op het oppervlak van de bloemsteel en het geheel lijkt op de katjes van de hazelaar. Deze 'katjes' worden geplukt en, zoals zwarte peper, gedroogd. De pittigheid dankt ook deze peper aan de alkaloïde piperine.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Piper, is via het Grieks en het Perzisch terug te voeren op een oeroud woord uit het Sanskriet: pippali betekende ‘lange peper’. Het tweede deel, longum, is Latijns: longus betekent 'lang' en het verklaart de vorm van de vruchten.
Zoals gezegd werd de lange peper tot de Middeleeuwen veel gebruikt in de diverse regionale keukens. Hij maakte deel uit van specerijenmengsels als het Italiaanse specie forte ('sterk poeder') waarin 100 gram peper, 100 gram kaneel, 100 gram gember, 12.5 gram kruidnagel en 12.5 gram saffraan werd gemengd (Toi una onza de pevere e una de cinamo e una de zenzevro e mezo quarto de garofali e uno quarto de zaferanno).

Deze specerij wordt nog steeds toegepast in de keukens van Maleisische en Indonesische huisvrouwen. In India en Nepal wordt de lange peper gebruikt om ingelegde groenten extra pit te geven. Het is onderdeel van sommige Noord-Afrikaanse specerijenmengsels. Het is de belangrijkste specerij in nihari, een van oorsprong Pakistaans gerecht met stoofvlees dat nu vooral door Indische moslims wordt gegeten.

Er bestaat echter nóg een pepersoort die de naam lange peper draagt. Het is de Piper retrofractum die inheems is op het Indonesische eiland Java en hij lijkt zoveel op chilipepers dat men hem daarmee soms verwart. Laten we deze pepersoort vanaf nu dus maar Javaanse lange peper gaan noemen.

Selimpeper

Ik geef toe dat het lastig was om een acceptabele Nederlandse naam te vinden voor deze specerij. In het Engels wordt hij meestal grains of Selim genoemd, maar het is zeker geen graansoort. In het Duits en Engels wordt deze specerij ook Mohrenpfeffer, Negerpfeffer, Moor pepper of Negro pepper genoemd. Om allerhande lange tenen te beschermen zullen we hem Selimpeper (Xylopia aethiopica) noemen. Voor de duidelijkheid: de Selimpeper wordt ook gewonnen uit een aantal zeer verwante bomen, maar we gaan het niet moeilijker maken dan het al is.
De selimpeperboom is een boom die een hoogte kan bereiken van wel 30 meter. Hij groeit in de tropische laaglanden van Afrika, in de vochtiger savannagebieden van Afrika en in het regenwoud. Het hout van de boom is termietbestendig en wordt veel gebruikt als constructiehout. De bast wordt gebruikt in de meubelmakerij en om een infusie van te trekken tegen bronchitis.

De boom wordt vermeerderd uit zaad. De eerste drie jaar maakt de boom een sterke groei door, daarna neemt hij gas terug. In West-Afrika bloeit de bloem twee maal per jaar, van maart tot juli en van oktober tot december. De peulen worden onrijp aan de steel als bosje geoogs. Na het oogsten worden de nog geboste peulen enkele dagen in de zon gedroogd en pas daarna van de steel geplukt, maar ze worden in Afrika ook in bosjes verkocht.

De vruchten zijn tot vijf centimeter en hebben een twist. Tijdens het drogen kleuren ze donkerbruin. Elk peul bevat 5 tot 8 zaden van zo'n 5 millimeter groot.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Xylopia, is een combinatiewoord uit het Grieks, waar xylon (ξύλον) 'bitter' betekent en pikron (πικρόν) 'hout'. Samen is dat dus 'bitter hout'. Het tweede deel, aethiopica, is uiteraard '(uit) Ethiopië'.

Nu zou je verwachten dat het de zaden zijn die peperachtig smaken, maar dat is niet het geval. Het zijn de peulen die de pittigheid in zich dragen. De gebruikers doen echter geen moeite om die zaden uit die peulen te halen en vermalen alles. Men omschrijft de smaaksensatie als een mix van cubeb peper en nootmuskaat met een en wat harsige nasmaak. Deze specerij wordt vaak gerookt gedurende het droogproces en dat resulteert in een heerlijke wat rokerige en pittige smaak. Ze worden of vermalen of in zijn geheel toegevoegd aan soepen of stoofpotjes. In het tweede geval worden de Selimpepers verwijderd als het gerecht klaar is.

Dat de natuur volstrekt onvoorspelbaar is, blijkt wel uit het feit dat een broertje van de Selimpeper in Zuid-Amerika woont. De burro peper (Xylopia aromatica) wordt op precies dezelfde manier gebruikt door de inheemse bevolking als die in Afrika.