Oostelijke specerijstruik

Met een naam als oostelijke specerijstruik (Calycanthus floridus) vraag je jezelf natuurlijk af of er ook een westelijke variant is. Dat klopt en die heet de westelijke specerijstruik (Calycanthus occidentalis). De oostelijke specerijstruik is inheems in de oostelijke delen van de Verenigde Staten, terwijl zijn westelijke broertje groeit en bloeit in het uiterste westen in de staat California. Beide versies houden van warmte en zon, al kunnen ze ook opgroeien in een wat vochtige ondergrond.
De oostelijke specerijstruik kan in de juiste omstandigheden wel zo'n drie meter hoog worden. De ovaalvormige blaadjes zijn donkergroen met een wat fletsere onderkant. De bloemen van deze soort variëren wat in kleur: ze kunnen donkerrood, roodbruin tot roodpaars zijn wanneer ze besluiten te gaan bloeien. De opvallende bloem heeft vele bloemblaadjes. Ze geuren heerlijk en dat is dan ook mede de reden dat deze exotische struik ook in ons land wordt aangeboden om je tuin te verfraaien, al is hij in ons klimaat niet winterhard.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Calycanthus, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar kálux (κάλυξ) 'kelk' betekende en ánthos (ἄνθος) 'bloem'. Het beschrijft de vorm van de bloem. Het tweede deel, floridus, is met flōs ('bloem') van Latijnse herkomst. Je ziet: de naamgever vond de bloem zo mooi dat hij de soort naar de bloem vernoemde.

De bast van de oostelijke specerijstruik is eetbaar en de Indianen gebruikten die bast volgens de overlevering als vervanger van kaneel. Dat lijkt me een vergezocht verhaal, want hoe kun je iets vervangen als je niet weet dat het bestaat? Indianen wisten natuurlijk niet van het bestaan van kaneel af, want die specerij groeide in Azië, waar ze geen enkel contact mee hadden. Wat overblijft is dat we een bast hebben die achteraf ietwat naar kaneel blijkt te smaken en door een aantal stammen werd gebruikt als specerij. Van de bloemblaadjes werd ook een kruidenthee gezet. Zowel de wortel als de bast werken als een sterk braakmiddel en plasmiddel die zouden kunnen helpen bij aandoeningen aan de nieren en blaas. De wat slijmerige substantie in de takken en stam kan worden ingezet als een desinfectiemiddel.

Overigens zou ik persoonlijk maar kaneel blijven gebruiken en niet de bast van de oostelijke specerijstruik in je tuin gaan schrapen. Het blijkt namelijk dat de plant zich tegen vraat (en oogst) probeert te beschermen door de aanmaak van een alkaloïde met de naam calycanthine die bij menselijke consumptie kan leiden tot hartritmestoornissen. Dat is overigens geen wonder, want de chemische structuur van calycanthine lijkt op die van strychnine.

Indische kralenboom

Al eerder hebben we met de blauwe olijf (Elaeocarpus serratus) een broertje van de Indische kralenboom (Elaeocarpus angustifolius) beschreven. Om direct aan alle nieuwsgierigheid een einde te maken kan ik melden dat ook deze soort blauwe vruchten voortbrengt. De vruchten zijn eetbaar, maar niet erg smakelijk.
De Indische kralenboom is een grote altijdgroene boom die van tropische temperaturen houdt. Hij komt voor van India tot noordelijk Australië. Hij heeft smalle bladeren en bloeit met crèmewitte bloemen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Elaeocarpus, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar élaion (ἔλαιον) 'olijf' betekende en karpós (καρπός) 'fruit'. Het beschrijft de gelijkenis van de bes met de olijf. Het tweede deel, angustifolius, is een combinatie woord uit het Latijn, waar angust ooit 'smal' betekende en folium 'blad'.

In India staan de schoongemaakte pitten van het fruit in het Hindi bekend als rudrākṣa, wat zoiets betekent als 'de tranen van Rudhra', waarbij Rudhra een oude Indiase godheid is die verband houdt met wind en storm. Die pitten worden gebruikt zoals kralen in een rozenkrans.
Honderden jaren geleden waren die pitten van de Indische kralenboom een zeer belangrijk handelsproduct en op de eilanden van Nederlands-Indië werden ze gretig verhandeld. Niet alle 'stenen' waren prijzig, maar de allerbeste waren klein van formaat en bruinig van kleur. Die pitten werden vaak 'verzameld' uit de poep van koeien, omdat ze pas na de lange reis door de ingewanden van een koe de gewenste kleur kregen. Minder eerlijke handelaren lieten ze een tijdje in zeewater weken om hetzelfde kleureffect te bereiken. Pitten die slechts op de grond hadden gelegen kregen een viesgrijze kleur.

Het verhaal gaat dat een Nederlandse handelaar van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) op Java een lading van bijna 1,500 kilo aan ongesorteerde pitten kon kopen voor slechts 30 zilveren Reaal. Hij zou vervolgens de mooiste, kleinste en bruinste pitten hebben behouden (en de rest weggegooid). Voor een handjevol pitten betaalden Arabische handelaren wel 10 zilveren Reaal. Die handelaren verkochten ze door aan Arabieren en Hindoes die de pitten gebruikten voor religieuze voorwerpen voor hun priesters. Er kon een klein gaatje in geboord worden en de pitten konden dan tot kettingen worden geregen, die op dezelfde manier om het lichaam werden gedragen als Europeanen doen met de kralen in rozenkransen. Vooral de hindoe-priesters waren klanten, maar ook islamitische imams gebruikten de kettingen als gebedskralen. De rijkste priesters (jawel, ook die konden behoorlijk ijdel zijn) zou na elke twee pitten een goudklompje rijgen.

Gewoon speenkruid

Gewoon speenkruid (Ficaria verna) heeft nauwe familiebanden met de boterbloemen (Ranunculaceae), dat is ook de reden dat zijn verouderde wetenschappelijke naam Ranunculus ficaria was. Deze soort is algemeen te bewonderen in heel Nederland op vochtige gronden, langs natte bosranden en slootkanten.
Dit is een tot maximaal dertig centimeter hoge voorjaarsbloeier met hartvormige bladeren. Zo vroeg bloeit hij dat hij gezien wordt als een voorbode van het komende voorjaar. De gele bloemen blijven bij bewolkt weer gesloten en onder invloed van zonlicht spreidt de bloem zich wijd open. De planten vormen als het ware een mat op de bodem en kunnen behoorlijk woekeren. De benaming speenkruid beschrijft het uiterlijk van een deel van de wortels, die ietwat knotsvormig zijn opgezwollen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ficaria, is afgeleid van de Latijnse benaming voor de vijg: Ficus. De vorm van de vijg lijkt nogal op de vorm van de knotsvormige wortels van het gewoon speenkruid. Een verouderde naam was dan ook 'vijgwortel'. Het tweede deel, verna, is ook terug te herleiden tot het Latijn, waar vēr 'lente' betekende.

Alle soorten binnen de familie der boterbloemen kunnen zichzelf beschermen met een giftig stofje dat de naam protoanemonine draagt. Dat stofje wordt pas tijdens de bloei aangemaakt. Wanneer de plant beschadigd raakt of aangevreten wordt zal het chemisch onstabiele glucoside ranunculine onder invloed van een enzym worden afgebroken tot glucose (suiker) en het giftige protoanemonine. Dat alles is natuurlijk door de natuur verzonnen om planteneters te leren om eens naar andere planten te kijken voor een voedzaam maaltje. Bij mensen kan protoanemonine ook voor klachten zorgen: jeuk, huiduitslag of blaarvorming op de huid of het slijmvlies veroorzaken.

Een papje van de bladeren werd ooit ingezet voor de behandeling van aambeien en wratten. Inname van die gifstof kan misselijkheid, braken, duizeligheid, spasmen of verlamming veroorzaken. In één geval kreeg een patiënt zelfs acute hepatitis en geelzucht bij het innemen van niet (goed) gedroogde extracten als kruidengeneesmiddel voor aambeien[1].

Want hier ontdekken we een probleem: als de bladeren wel op de juiste manier gedroogd worden zal het giftige protoanemoninetoxine afbreken tot het niet giftige anemonine. Koken van de planten zou de protoanemonine ook afbreken, al lijkt dat ook verzonnen te zijn door 'gelovigen'[2].

De bladeren van het gewoon speenkruid bevatten veel vitamine C. Vroeger werden de bladeren van deze soort dan ook gebruikt om de verschijnselen van scheurbuik tegen te gaan. Ze werden ook veel verwerkt in salades. Let wel op: de bladeren dienen dan voor de bloei worden geplukt, anders loopt je gezondheid meer problemen op dan alleen die scheurbeuk.

[1] Yilmaz et al: Lesser celandine (pilewort) induced acute toxic liver injury: The first case report worldwide in World Journal of Hepetology - 2015
[2] Kocak et al: A rare chemical burn due to Ranunculus arvensis: three case reports in Annals of Saudi Medicine - 2016

Hongaarse tijm

Hij is zo zeldzaam dat deze soort nog niet eens een Nederlandse naam heeft mogen ontvangen. Omdat hij in Engelstalige landen bekend staat als Hungarian thyme, zullen we hem (voorlopig) ook maar Hongaarse tijm noemen.
Hoe zeldzaam is de Hongaarse tijm, zo kun je je afvragen. Welnu, deze soort is slechts op twee plaatsen op Nederlandse bodem aangetroffen: één standplaats bevindt zich in Den Haag en een tweede op Schiermonnikoog. Dat die twee locaties zo ver van elkaar afliggen is vreemd, maar wellicht te verklaren door ontsnappingen uit (moes)tuintjes.

De Hongaarse tijm is een vaste houtige kruidachtige plant die inheems is in Centraal-Europa, Oost-Europa en delen van Rusland. In die contreien is deze soort te vinden op droge locaties, waaronder weilanden, glaslanden en rotsige omgevingen. Met andere woorden: de Hongaarse tijm bewoont ongeveer dezelfde locaties als zijn meer bekendere broertje, de wilde tijm (Thymus vulgaris), alleen heeft hij een ander deel van Europa als leefgebied uitgezocht. Deze soort bereikt een maximale hoogte van 20 centimeter.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Thymus, is afgeleid van het woord tumos (θυμός)), dat door de Griekse filosoof en botanicus Theophrastus (371-287 vC) aan de plant gegeven werd toen deze soort bij offerandes werd gebruikt. Dat woord is verder te herleiden tot Tuo (θυω), dat ‘wierook branden’ heeft betekend. De oervorm van dat woord was tuov (θυόω) 'parfumeren’. Het tweede deel, pannonicus, is afgeleid van het Latijnse Pannonia, wat ooit de naam was van een Romeinse provincie en zo ongeveer het westelijk deel van het huidige Hongarije besloeg, aangevuld met wat aanliggende regio's.

In Servië wordt het gedroogde kruid toegepast in een smakelijke en verfrissende kruidendrank met een ietwat aparte citroenachtige smaaksensatie. Verse blaadjes worden verwerkt in eigengemaakte jam en snoepjes. Traditioneel wordt een aftreksel in diverse landen in de Balkan ook gebruikt tegen hoesten en andere luchtwegklachten, alsmede voor maag- en darmproblemen.
Wetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat de naar citroen neigende smaak het gevolg is van de aanwezigheid van hoge concentraties aan thymol en p-cymene. Niet verwonderlijk is dat uit onderzoek ook is gebleken dat de concentraties van etherische oliën nogal kunnen variëren, afhankelijk van de groeiplaats, het klimaat en de hoeveelheid zonlicht.

Jawel, zoals te verwachten was heeft een aftreksel van de Hongaarse tijm een sterke antibacteriële werking. Ook schimmels en gisten zullen een behandeling met dat aftreksel niet overleven. Aan de andere kant is zo'n middel natuurlijk behoorlijk potent en zou het nooit in te sterke concentraties gebruikt moeten worden voor de behandeling van infecties.

Rattenstaart

In Engelstalige landen gaat de Cayenne vervain (Stachytarpheta cayennensis), gebukt onder vele namen. In Suriname wordt hij de rattenstaart genoemd. Deze soort is een tot twee meter hoog ietwat struikachtig kruid. De stengels zijn afgeplat tot vierkant. De tot 4.5 centimeter lange grof gezaagde bladeren zijn aan beide kanten behaard. De bloeiwijze is een eindstandige, tot 30 lange aar met buisvormige witte of lichtblauwe bloemen. De soort is te onderscheiden van zijn naaste verwant, de Jamaica vervain (Stachytarpheta jamaicensis), doordat die paarse bloemen heeft.
De rattenstaart is een tropisch onkruid. In Suriname komt de soort algemeen voor langs wegbermen, in tuinen en savannes. De rattenstaart is nog niet getemd, al laat men hem soms tijdens het wieden van onkruid wel staan.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Stachytarpheta, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar stákhus (στάχυς) 'aar' betekent en tárphos (τάρφος) 'struikgewas'. Het tweede deel, cayennensis, betekent '(uit) Cayenne', wat zowel de hoofdstad van Frans Guyana, het buurland van Suriname, is als de rivier waaraan die stad is gelegen.

Dit struikachtige kruid wordt in Suriname vooral voor kruidenbaden gebruikt. Bij allerhande pijntjes kookt men de twijgjes en laat men het afkooksel afkoelen om zich ermee te wassen. Een afkooksel van de plant wordt in het District Brokopondo veel gebruikt om baby’s in te baden om zo hun gezondheid te verbeteren. Het zou bij baby's werken tegen diarree, epilepsie, pijn, koorts, darmkrampen, verkoudheid, huiduitslag en ‘zuurte’. Bovendien zouden ze daardoor ze eerder beginnen te kruipen en lopen. De baby krijgt dan ook wat van het badwater te drinken.

Marronvrouwen koken de plant vaak voor genitale stoombaden. Zowel de thee als een bad van de bladeren zou helpen bij bloedarmoede, geelzucht en nierstenen. Het sap van gestampte bladeren in water doet dienst als oogdruppels. Opgewarmde of geplette bladeren worden op pijnlijke plaatsen en wonden gelegd. In het algemeen versterkt baden met een aftreksel van de rattenstaart de weerstand van het lichaam, zo menen de Marrons. Ook komt de plant terecht in magische kruidenbaden om geluk af te dwingen, kwade geesten te verdrijven en de gevolgen van fyofyo ongedaan te maken. Fyofyo is het boze oog dat onderdeel is van Winti, een traditionele Afro-Surinaamse religie. Takjes worden verbrand om gifslangen van het erf te verjagen.

Laboratoriumproeven, uitgevoerd op ratten, hebben uitgewezen dat de plant een pijnstillende, mild laxerende en maagzuurremmende werking heeft[1]. Helemaal ongelijk hadden ze daar in Suriname dus niet.

Verse planten zijn soms te koop in kruidenwinkels in de Randstad en op de markt in de Bijlmer.

[1] Mesia-Vela et al: Pharmacological study of Stachytarpheta cayennensis Vahl in rodents in Phytomedicine – 2004

Citroenverbena

Citroenverbena (Aloysia citriodora) is een heester of halfheester die tot een meter of drie hoog kan opgroeien, al doet deze soort dat alleen in zijn oorspronkelijke domein. Hij is namelijk inheems in tropische delen van Zuid-Amerika en zal dus in onze vaderlandse tuinen last hebben van de kou. De tot acht centimeter grote bladeren zijn ietwat ruw en verspreiden een sterke citroengeur wanneer deze gekneusd worden. Trossen met piepkleine witte of paarse bloemen sieren de citroenverbena.
[Image: Kurt Stüber - Citroenverbena]

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Aloysia, eert Maria Luisa Teresa de Parma (1751–1819), tijdens haar leven echtgenote van Koning Karel IV van Spanje. Het het Spaans wordt de citroenverbena daarom nog steeds hierba luisa ('kruid van Louisa') genoemd. Het tweede deel citriodora, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar kitron (κιτριά) zowel het fruit als de boom werd bedoeld. Dat wordt gevolgd door doron (δῶρον) 'geven'. De bedoeling was om de sterke citroengeur te beschrijven.

Zoals gemeld heeft de citroenverbena een sterke citroengeur en die is het gevolg van wel 65 verschillende componenten. Hoofdbestanddelen zijn geranial, neral, 6-methyl-5-hepteen-2-on, 1,8-cineol, limoneen, bèta-caryofylleen en caryofylleenoxide. De specifieke verhouding van die etherische olie hangt sterk af van bijvoorbeeld de samenstelling van de bodem of de temperaturen gedurende het groeiseizoen.

Gezien de sterke, frisse en fruitige citroengeur is het niet verwonderlijk dat de citroenverbena in de keukenkastjes van veel Zuid-Amerikaanse huishoudens niet zal ontbreken. De blaadjes van de citroenverbena worden veelvuldig ingezet om een fris accent te geven aan gerechten met vis of kip. Ook worden ze toegevoegd aan marinades, dressings, jams en marmelades, puddingen en limonades. In Zuid-Amerika wordt de citroenverbena ook voor allerhande kwaaltjes ingezet, waaronder diarree, flatulentie (het laten van winden), slapeloosheid en reumatiek.

Die opvallende geur van de citroenverbena was ook de reden dat de plant in de smaak viel bij Spaanse en Portugese veroveraars, al klinkt conquistadores een natuurlijk stuk romantischer. De eerste Europese botanicus die de citroenverbena officieel beschreef was Philibert Commerson (1727-1773), een Fransman. Hij 'ontdekte' de citroenverbena in Buenos Aires (Argentinië) op een markt. Commerson maakte een wereldreis om nieuwe plantensoorten voor de wetenschap te ontdekken. Dat liep niet goed af, want hij overleed tijdens die reis op Mauritius, slechts 45 jaar oud. Zijn uitgebreide collectie en de beschrijving daarvan werden weliswaar na zijn dood naar Parijs overgebracht, maar raakten in de vergetelheid. Tot op de dag van vandaag zijn de aantekeningen nimmer systematisch geordend.

In Nederland zijn wel zaadjes te koop, maar als keukenkruid is de citroenverbena nooit echt populair geworden. Het is het droeve lot van een geurig kruid.

Chinese bieslook

De Chinese bieslook (Allium tuberosum) is, volgens de boekwerken, van oorsprong inheems in (jawel) China en dan meer specifiek in de provincie Shanxi. In werkelijkheid is zijn domein een stuk groter en omvat een groot gebied dat de steppes van Noord-China, Mongolië en Zuid-Siberië met elkaar verbinden.
[Image: Kenpai - Chinese bieslook]

Natuurlijk behoort de Chinese bieslook tot de uitgebreide lookfamilie (Allium spp.) en daartoe behoren ook de ui, prei en knoflook. De geur en smaak van de Chinese bieslook heeft meer van knoflook dan van bieslook. In Engelstalige landen is men wat onzeker over de smaak, want hij wordt daar afwisselend garlic chives ('knoflookbieslook'), Oriental garlic ('Oriëntaalse knoflook'), Chinese chives (Chinese bieslook') of Chinese leek ('Chinese prei') genoemd.

De Chinese bieslook groeit vaak in dicht opeenstaande groepjes, waarbij de taaie, vezelige ui-vormige knollen samengeklonterd zijn. De soort produceert veel witte bloemen die in een rond scherm op stengels van maximaal 60 centimeter lengte staan.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Allium, is Latijns, waar het woord 'look' betekende. Het tweede deel, tuberosum, is ook al Latijn, waar men met het woord tūber een 'bult' of 'zwelling' beschreef. De betekenis werd later verbreed tot 'knol'.

De Chinese bieslook wordt in diens thuislanden al eeuwenlang geteeld vanwege de culinaire waarde. De platte bladeren, de stengels en onrijpe, ongeopende bloemknoppen worden ingezet als keukenkruid. De taaie, vezelige knollen laat men ongebruikt en dat betekent dat vanuit die bol de blaadjes blijven groeien. Men kan de blaadjes daardoor regelmatig oogsten.

Omdat medische zorg in die contreien niet direct beschikbaar is voor bewoners werd de Chinese bieslook ook ingezet voor de behandeling van allerlei huis-tuin-en-keukenkwaaltjes.

Pas veel later werd ook ingezien dat de Chinese bieslook er ook wel aardig uitziet. Het gevolg daarvan is dat je tegenwoordig overal wel zakjes zaad kunt kopen om dat leuke, uitbundig groeiende kruid in je eigen moestuin of tuin uit te zaaien. De plant is aan te planten op zonnige, hooguit iets beschaduwde, droge tot vochtige, goed doorlatende, vaak ruderale en stenige zand-, leem- en kleibodems. Je weet hoe het verhaal verder gaat, want intussen wordt de Chinese bieslook in Nederland regelmatig verwilderd aangetroffen.

Recent onderzoek heeft uitgewezen dat het regelmatig consumeren van verse Chinese bieslook het ontstaan van longontsteking kan tegengaan[1]. De wetenschappers suggereren dat de activatie van aangeboren lymfoïde cellen (innate lymphoid cells of ILC's) belemmert. Die ILC's zijn een recent ontdekt onderdeel van je aangeboren immuunsysteem. Moet je nu snel zo'n zakje zaad gaan bestellen? Dat mag, al is het genoemde onderzoek verricht op astmatische muizen.

[1] Zheng et al: Allium tuberosum alleviates pulmonary inflammation by inhibiting activation of innate lymphoid cells and modulating intestinal microbiota in asthmatic mice in Journal of Integrative Medicine – 2021

Borstelkrans

Borstelkrans (Clinopodium vulgare) is een inheemse meerjarige plant. In ons land is de soort zo zeldzaam dat hij beschermd moet worden om zijn voortbestaan te verzekeren. Het is een middelhoge, grijsharige soort met uitlopers en meestal opstijgende bloeistengels. De tot een halve meter hoge plant bloeit in kransjes rondom de stengel met fraaie lilaroze bloemetjes. Borstelkrans komt, enige ondersoorten meegerekend, verspreid over het noordelijk halfrond in de gematigde streken voor. Hij houdt van kalkhoudende grond en een van de weinige plaatsen in ons land waar hij stand weet te houden is op het terrein van een oude kalksteenfabriek.
[Image: Jacopo Werther - Borstelkruid]

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Clinopodium, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar klínē (κλίνη) 'bed' betekende en pódion (πόδιον) 'voetje' betekende. Samengeklonken is dat 'voetenbedje' en het verwijst naar de harige schutbladeren die een bankje voor de bloemen vormen. Het tweede deel, vulgare, is afgeleid uit het Latijns, waar vulgus in eerste instantie 'veelheid' en 'massa' betekende. Later verbreedde die betekenis zich naar 'groep (mensen)' en daarna werd het 'gewoon'. Denk aan het huidige Nederlandse woord 'vulgair'. De borstelkrans is dus de gewone en minst opvallende van zijn broertjes en zusjes.

In Engelstalige landen wordt de borstelkrans aangeduid met wild basil en het klopt dat deze soort thuishoort in de supergrote familie der Lamiaceae, waartoe ook andere geurige kruiden hun plekje hebben gekregen.

Omdat borstelkruid hier altijd zeldzaam is geweest wordt hij in ons land niet als keukenkruid gezien. De smaak van borstelkrans doet denken een subtiele combinatie van basilicum en tijm. In meer zuidelijke streken worden zowel de bloemen als de blaadjes gebruikt als kruidige smaakmakers. Zowel vers als gedroogd worden deze aan allerlei gerechten toegevoegd. Ook wordt er in het Middellandse Zeegebied een heerlijke kruidenthee van gezet. Die thee schijnt zelfs te helpen tegen wratten, aldus recent onderzoek[1]. Bovendien hebben de etherische oliën een antibacteriële werking, al is dat een mechanisme wat de meest familieleden van borstelkrans natuurlijk ook bezitten. Dat is dan ook de reden dat een aftreksel zou helpen bij het heelen van wonden: het zorgt dat een wond niet gaat ontsteken. De overlevering meldt verder dat het eten en drinken van deze plant een positieve invloed heeft op de spijsvertering en flatulentie (poepjes). In de Middeleeuwen werd de plant op de grond gestrooid. Als je er op liep kwam een heerlijk aroma vrij dat de kwalijke huiselijke geurtjes wat verdreef.

Verder is nog interessant dat de borstelkrans ooit werd gebruikt om een bruine of gele kleurstof uit te winnen.

[1] Dobrev: Treatment of numerous hand warts with Clinopodium vulgare tea in Wiener Medizinische Wochenschrift – 2021

Grote steekmossel

[Dit is alweer de 300ste column in deze serie]

De menselijke inventiviteit kent letterlijk geen grenzen. Als voorbeeld nemen we deze keer zijde, waarvan iedereen zal weten dat dit geproduceerd wordt door rupsen van enkele motvlinders om hun cocon te creëren. Er zijn een paar soorten motvlinders die zijde kunnen aanmaken, maar er is maar eentje die dat in een door de mens gecontroleerde omgeving kan presteren: de zijdevlinder (Bombix mori). Die rups is in staat om van één enkele draad een cocon te spinnen. Die ene draad is dan tussen de 300 en 900 meter lang en daarbij slechts 10 μm dik. Er zijn bijna 5,000 cocons nodig om 500 gram zijde te kunnen maken.
[Image: Hectonichus - Grote steekmossel]

Aha, zo zal de oplettende lezer nu opmerken, maar de titel van deze column gaat over de grote steekmossel en wat heeft dat nu te maken met zijde. Het antwoord is: Alles.

De grote steekmossel (Pinna nobilis) is een groot tweekleppig weekdier. Deze soort komt voor in de Middellandse Zee. De schelp heeft een langgerekte vorm, waarvan de binnenzijde bedekt is met een prachtige, heldere parelmoerglans. Die schelp kan wel 80 centimeter groot worden en hecht zich aan een stevige ondergrond met zogenaamde byssusdraden of filamentdraden. Stel je een tent voor op een winderig Waddeneiland die met scheerlijnen en tentharingen moet worden vastgezet.

Die byssusdraden worden 'geoogst' en vormden de bron van zeezijde, een extreem dunne stof, die ooit superzeldzaam was en daardoor extreem prijzig. De stof, die met die byssusdraden gemaakt kon worden, was nog dunner, lichter en fijner dan zijde. Bovendien was een kledingstuk, gemaakt van zeezijde, ook nog eens warm. Al moet je niet al te veel voorstellen van het formaat van die kledingstukken: het eindproduct was zo prijzig dat alleen extreem rijke notabelen vanaf de Griekse bronstijd het konden betalen en zelfs dan waren het slechts een paar dameshandschoenen of dameskousen.

Dat het spul zo duur was had natuurlijk zijn redenen, want de grote steekmossel liet zich een stuk lastiger cultiveren dan de zijdevlinder. Zo moest hij uit de soms diepe zee geplukt worden en zijn de byssusdraden maar maximaal zes centimeter lang.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Pinna, is een alternatieve vorm van het Latijnse penna, wat 'vleugel' of 'veer' betekent. Het verklaart de byssusdraden. Het tweede deel, nobilis, spreekt voor zichzelf. In het Latijn was de betekenis iets breder, waaronder 'bekend', 'beroemd', 'hooggeboren'. Het is uiteindelijk zelfs verwant aan het Engelse to know ('kennen' of 'weten').

Gelukkig is de grote steekmossel ook eetbaar en worden er in de schelp soms ook parels van een redelijke kwaliteit aangetroffen. Probleem is dat de grote steekmossel ondertussen vrijwel is uitgestorven.

Tixinda

Als een soort zijweg hebben we in deze uitgebreide serie columns over kruiden en specerijen het af en toe gehad over zeeslakken waar men op verschillende plaatsen op de wereld kostbare kleurstoffen uit wist te creëren. Zo konden we de pigmentproductie terugvinden in het Middellandse Zeegebied, rondom de Noordzee tot zelfs in Japan. Maar de inventiviteit van de mens heeft geen grenzen en ook in Midden-Amerika ontdekten de Mixtec al rond het jaar 1200 nChr dat uit een locale zeeslak, de tixinda (Plicopurpura pansa), een purperkleurig pigment kon worden gewonnen.
Eerst even een korte uitleg: de term Mixtec (Mixteco in het Spaans) is afkomstig uit het regionale dialect het Nahuatl, waar het 'wolkenvolk' betekende. De Mixtec betaalden 'belasting' aan de Azteken en stonden bekend om hun vaardigheid om goud en edelstenen te bewerken.

Al generatieslang reizen tintoreros (kleurders) vanuit hun woonplaatsen soms wel 300 kilometer naar de kust, waar ze handmatig de schelpen vanaf de rotsen oogsten. Ze trotseren daarbij de woeste golven van de Stille Oceaan. In Oaxacan, een provincie aan de zuidwestelijke Mexicaanse kust, kunnen hele volksstammen samen tot wel 2.5 liter kleurstof per week bemachtigen. Per zeeslak kan maximaal enkele milliliters worden gewonnen en dan kun je je nauwelijks voorstellen hoeveel zeeslakken daarvoor benodigd zijn.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Plicopurpura, is een combinatiewoord, waar het Latijnse plicō en plicāre '(op)vouwen betekent' en gekoppeld is aan het Oudgriekse porphúra (πορφύρα) 'purper(kleurige) vis'. De naamgever wilde hiermee zowel de vorm als het doel van dit geslacht beschrijven. Het tweede deel, pansa, is afgeleid van het Latijnse pandus: 'uitspreiden'. Het beschrijft het uitsmeren van de vloeistof.

De tixinda heeft zich na verloop van generaties aangepast aan de ondergrond in een poging zich te camoufleren. Daardoor varieert de kleur van de schelp van deze zeeslak van donkergrijs tot vrijwel zwart.

Net zoals zijn familieleden produceert ook de tixinda in een piepklein kliertje een witte vloeistof. In tegenstelling tot alle andere zeeslakken hoeft de tixinda niet 'geslacht' te worden, want hij kan 'gemolken' worden. De tintoreros wrijven zachtjes over de buik van de zeeslak en die scheidt vervolgens de vloeistof uit. Dat betekent dat hij daarna weer kan worden teruggeplaatst in zijn waterige domein. De aldus gewonnen bijna microscopisch kleine hoeveelheid 'melk' wordt direct op draden gesmeerd. Onder invloed van zonlicht verandert de witte vloeistof, via groen naar een intense purperen kleur.
Dan keren de mannen terug naar hun dorpen, waar de vrouwen vervolgens de gekleurde draden verwerken tot prachtige kleurrijke kledingstukken. Het is een traditie die nog steeds in ere wordt gehouden.

Roze maagdenpalm

De roze maagdenpalm (Catharanthus roseus) is endemisch op Madagaskar, het eiland dat je in het Zuidoosten van Afrika in de Indische Oceaan op een kaart terug kunt vinden. Endemisch betekent dat het alleen op dat eiland inheems is en nergens anders.
[Image: Biswarup Gangulyb - Roze maagdenpalm]

Deze soort is een wat kruidachtig gewas van maximaal een meter hoog. De ovale bladeren zijn glanzend groen. Bloeien doet de roze maagdenpalm met witte tot donkerroze bloemen die een nog dieper gekleurd hart hebben. Je snapt dat dit een leuk plantje is voor op de vensterbank en daardoor wordt de roze maagdenpalm overal gekweekt en bestaan er intussen vele cultivars met rode, paarse, donkerroze of zelfs tweekleurige bloemen. Elders op de aardbol, waar zo'n beetje dezelfde klimatologische omstandigheden heersen als op Madagaskar is de roze maagdenpalm aangeplant om tuinen te verfraaien. Daaruit is hij natuurlijk ontsnapt en is in Midden-Amerika en Australië verwilderd.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Catharanthus, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar katharós (καθαρός) 'schoon' of 'puur' betekende en ánthos (ἄνθος) 'bloem'. Het verklaart de prachtige bloemen van dit geslacht. Het tweede deel, roseus, is afgeleid van het Oudgriekse rhódon (ῥόδον), wat 'roos' betekent, maar hier in de zin van 'rooskleurig'.

De roze maagdenpalm werd al millennia geleden toegepast als medicijn. De eerste meldingen vinden we terug in het spijkerschrift in wat men toen Mesopotamië ('tussen de rivieren') noemde, maar nu Irak is. In het oude China werd de plant voor vele kwalen voorgeschreven. Ook de Ayurveda, de Indiase kwakzalversgeneeskunst, maakt nog steeds dankbaar gebruik van de roze maagdenpalm.

Bewijs, zo hoor ik je vragen, waar is het bewijs voor de werkzaamheid. Welnu, dat vroegen onderzoekers zich ook al jaren geleden af en legden de roze maagdenpalm op de pijnbank van een wetenschappelijke onderzoek naar diabetes. Ze ontdekten inderdaad een alkaloïde, vincoline, die (in een muis) de insuline afscheiding stimuleerde. Maar tot hun verbazing isoleerden ze ook een aantal alkaloïden uit de roze maagdenpalm, waaronder vinblastine en vincristine. Die stofjes bleken onwerkzaam te zijn bij de behandeling van diabetes, maar een potente werkzaamheid te hebben bij diverse kankersoorten. Intussen worden beide alkaloïden ingezet bij chemokuren ter behandeling van diverse soorten vergevorderde kanker.

Maar, omdat het zulke krachtige alkaloïden zijn, hoeft een roze maagdenpalm er maar een zeer kleine hoeveelheid van aan te maken om de vraatzucht van planteneters te beteugelen. Het gevolg daarvan is duidelijk: op Madagaskar is deze extreem giftige plant met uitsterven bedreigd. De wetenschap is intussen druk doende om die stofjes verder te verbeteren door ze in een laboratorium na te maken.

Ananassalie

Het geslacht Salie (Salvia spp.) is behoorlijk uitgebreid met bijna 1,000 familieleden. Het zou dus vreemd zijn dat er maar een paar dienst doen als keukenkruid. Zouden we naast de (gewone) salie  (Salvia officinalis) en sinds kort rozemarijn (Salvia rosmarinus) misschien nog een soort kunnen vinden die een plekje op ons kruidenrekje verdient?
[Image: Eric Hunt - Ananassalie]

De ananassalie (Salvia elegans) is een struikje dat inheems is in Mexico, waar het eikenbossen bevolkt op een hoogte van maximaal 3,000 meter. Daarboven wordt het hem te koud. In het wild kan de struik een hoogte bereiken van een meter, maar getemd doet hij er nog 50 procent bovenop.

De ananasalie bloeit, afhankelijk van de breedtegraad (hoe noordelijker, hoe korter de dag) vanaf de zomer tot de late herfst met prachtige scharlakenrode bloemen die veel worden bezocht door insecten en kolibries. De fletse geelgroene behaarde blaadjes ruiken heerlijk naar ananas.

Die aparte geur is het gevolg van de aanwezigheid van essentiële oliën, (voornamelijk) cafeïnezuur en diens derivaten, zoals rozemarijnzuur, salvianolzuur en wat flavonen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Salvia, is te herleiden tot het Latijnse woord salvere (‘redden’), een woord dat zelfs nu nog in het Engels te herkennen is als save. Het tweede deel, elegans, is afgeleid vanuit het Latijns, waar ēligēns het voltooid deelwoord was van ēligo ('kiezen'). Het probeert de aantrekkingskracht voor insecten en kolibries te beschrijven.

De blaadjes en bloemen van de ananassalie zijn eetbaar. In de Mexicaanse traditionele geneeskunst wordt een aftreksel van de hele plant ingezet als middel tegen angsten en depressies.

Nu denken wij in de westerse wereld al snel dat die Mexicanen dit soort geneeskrachtige effecten wat verzonnen of aangedikt hebben, omdat ze niet altijd toegang hebben gehad tot dure westerse geneesmiddelen. Wetenschappers hebben de ananasalie maar eens onderzocht. Je weet namelijk maar nooit. Het bleek dat een extract wel degelijk positieve effecten op de stemming had[1]. De werking bleek zelfs zo goed dat de onderzoekers tot de conclusie kwamen dat de werkzame stoffen van de ananasalie de effecten van reguliere medicatie kan verstoren of versterken. Denk aan moderne antidepressiva als de Selective Serotonin Re-Uptake Inhibitors (SSRIs). Serotonine is een stofje in je brein dat prikkels van de ene naar de andere zenuwcel stuurt. Een SSRI remt de heropname. Hierdoor is serotonine langer aanwezig buiten de zenuwcel en langer werkzaam. Niemand weet precies hoe het werkt, maar men denkt dat hierdoor uiteindelijk depressieve klachten verminderen. Maar een teveel is ook niet goed. Gebruik dus óf je medicatie óf een extract van ananassalie.

[1] Martínez-Hernández et al: Antidepressant and anxiolytic compounds isolated from Salvia elegans interact with serotonergic drugs in Archives of Pharmacology – 2021.

Blauwe olijf

Huh, een blauwe olijf? Zo zal je eerste reactie zijn bij het lezen van de titel van deze column. Welnu het antwoord is dat ze wel bestaan, maar tegelijkertijd ook niet bestaan. De verklaring is dat deze soort wel blauwe olijf (Elaeocarpus serratus) genoemd wordt, maar in het geheel geen familie is van de olijf (Olea europaea). De naam is slechts gekozen, omdat de blauwe vrucht de vorm van een olijf heeft.
De blauwe olijf is een middelgrote, altijdgroene boom die een wat verbrokkeld voorkomen heeft. Hij groeit in Sri Lanka en zuidelijk India, dan een heel stuk niets en vervolgens zie je hem weer verschijnen in noordelijk India, Assam en Bangladesh. De bleekgroene bloemen hangen als rafelige lampekapjes aan de takken. De bloemen openen zich pas in de late namiddag tot hun maximale grootte en zijn dus aangepast aan nachtelijke bestuivers, waaronder motten. Uiteindelijk ontstaan er gladde, eivormige blauwgroene tot blauwe vruchten ter grootte van ongeveer 2,5 centimeter. De kleur is afhankelijk van de variëteit.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam Elaeocarpus, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar élaion (ἔλαιον) 'olijf' betekende en karpós (καρπός) 'fruit'. Het beschrijft de gelijkenis van de bes met de olijf. Het tweede deel, serratus, is van Latijnse herkomst. Daar betekende serra zoiets als 'sluiten'. Het poogt de bloem te beschrijven die overdag gesloten is.

Terwijl de groene variant van deze soort er net zo uitziet als de gewone groene olijf, is de blauwe olijf bijna perfect bolvormig met een helderblauwe eetbare schil. Hoe smaakt blauwe olijf? De blauwe olijf heeft stevig groen vruchtvlees met een pasteuze, avocado-achtige textuur. Hij is zuur als hij onrijp is en licht zuur als hij rijp is. Natuurlijk wordt de blauwe olijf op een heel andere manier ingezet als de Mediterrane olijf.
Op Sri Lanka wordt de blauwe olijf ingelegd in het zuur en zijn daar populair als snack in marktstalletjes te koop. In India werd lang gedacht dat het fruit boze geesten kon afweren, tot dat men begreep dat die boze geesten in je eigen hoofd verstopt zaten. Wel is men verschillende delen van de blauwe olijf blijven gebruiken als middel tegen een groot aantal kwalen. Sap, getrokken van de bast, wordt in Nepal gedronken als middel tegen geelzucht, terwijl een pasta van het zaad weer ingezet wordt tegen ziektebeelden als longontsteking en leverkwalen.

Voor mensen, die direct geloven dat de blauwe olijf wel een superfood moet zijn, even de werkelijkheid: de bessen hebben hoge waarden aan zetmeel en suiker, maar er zitten maar weinig koolhydraten in verstopt.

Kaneelappel

De kaneelappel (Annona squamosa) is inheems in tropische delen van het Amerikaanse continent plus wat eilanden die in de Caribische Zee liggen. Waar precies de wortels voor het eerst in de bodem hebben gestaan is echter onbekend. Wel was snel duidelijk dat de kaneelappel een interessant gewas was, want in 1590 werden zaden overgebracht naar Zuidoost-Azië door schepen van 'onze' beroemde (en beruchte) Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). In 'onze' voormalige kolonie Suriname werd de kaneelappel al in 1755 gekweekt, aangezien de Zweedse bioloog Daniel Rolander (1722-1793) in zijn dagboek toen melding maakte van een ‘caneel-apfel’, die vrij zeldzaam was in het bos, maar algemeen in groentetuinen te vinden was. Deze boom wordt hier en daar in Suriname en omliggende landen aangeplant vanwege de naar kaneel smakende vrucht.
[Kaneelappel - Image: Muhammad Mahdi Karim]

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Annona, is geleend uit het oude Romeinse geloof, waar Annona de goodelijke verpersoonlijking was van de aanvoer van graan naar de stad Rome. Kun je nagaan hoe belangrijk die aanvoer was. De naam is afgeleid van het Latijnse woord annōna, wat 'graan' of 'middelen van bestaan' heeft betekend. We herkennen in annōna nog het woord annus ('jaar'), wat de jaarlijkse cyclus van planten en oogsten inhoudt. Het tweede deel, squamosa, is ook al Latijns: squālus betekent 'vies' of 'smerig'. Het probeert het melige mondgevoel van de kaneelappel te beschrijven.

De kaneelappel] presenteert zich als een kleine boom die tot zeven meter hoog kan opgroeien. Jonge takken zijn asgrauw en schaars behaard. De kaneelappel bloeit met langwerpige geelgroene bloemen. De vrucht, de eigenlijke kaneelappel, is bol tot eivormig met zeegroene tot geelgroene, vlezige schubben en is vijf tot tien centimeter in diameter. Rijpe vruchten barsten open aan de boom, waardoor het witte vruchtvlees zichtbaar wordt. Daarin zitten talrijke, donkerbruine tot zwarte zaden.

Men breekt de niet niet rijpe vrucht open, trekt het vruchtvlees uit elkaar en zuigt het van de zaden af. De melige vrucht werd door de lokale bevolking gegeten, maar zou dysenterie veroorzaken bij overmatig gebruik, aldus de eerder genoemde heer Rolander. Een handvol bast en bladeren van de kaneelappel, soms samen met die van de zuurzak (Annona muricata), wordt in kokend water getrokken en ’s avonds gedronken tegen slaapstoornissen en nervositeit. De thee schijnt ook te helpen tegen verkoudheid, hoestaanvallen, diarree, maagaandoeningen, een slechte spijsvertering en hartproblemen.

De wetenschap heeft zich intussen op de kaneelappel gestort en het lijkt dat deze allerlei stofjes bevat die potentieel werkzaam kunnen zijn tegen infecties, tumoren, diabetes, parasieten, etc[1]. Hadden de Surinamers toch gelijk.

[1] Arruda, Pastore: Araticum (Annona crassiflora Mart.) as a source of nutrients and bioactive compounds for food and non-food purposes: A comprehensive review in Food Research International - 2019. Zie hier.

Bron: Tinde van Andel en Sofie Ruysschaert: Medicinale en Rituele Planten van Suriname - 2011

Geaderde stekelhoren

Purper was ooit zo prijzig dat alleen hoogwaardigheidsbekleders als koning, keizer, shogun en de aristocratie kledingstukken met die kleur konden betalen. Soms zelfs werden er wetten uitgevaardigd om te zorgen dat het rijke onderdanen verboden werd om purperkleurige gewaden te dragen. De productie van purper was dan ook een ingewikkeld en tijdrovend proces, waarbij zeeslakken moesten worden geoogst, gekraakt en een piepklein kliertje worden verwijderd. Er waren tienduizenden zeeslakken nodig om een gram kleurstof te kunnen verkrijgen.
In de landen rondom de Middellandse Zee waren de brandhoren (Bolinus brandaris) en de gestreepte zeeslak (Hexaplex trunculus) de zeeslakken waaruit men uiteindelijk die extreem prijzige kleurstoffen werden geproduceerd, terwijl in Noordwest-Europa de purperslak (Nucella lapillus) voor hetzelfde doel werd gebruikt.

Ook in Japan smachtte de toplaag van de samenleving naar kledingstukken die ingekleurd waren met purper. In die streng gereguleerde samenleving was het gebruik van purper slechts toegestaan voor ceremoniële kleding. Al in het jaar 603 vaardigde prins Shōtoku een edict uit, waarin de (onderlinge) rang van regerende functionarissen werd aangeduid. Alleen de hoogste rang mocht het purper dragen, gevolgd door een rang die slechts lichtpaars mocht dragen. Overtredingen van dit gebod werden met een gruwelijke dood bestraft.

In Japan is Yoshinogari een enorm archeologisch complex dat wel 50 hectare omvat. Het gebied bevat diverse dorpjes die gedateerd kunnen worden op 400 vChr. In 1989 werden daar tijdens opgravingen resten van purperen kleding gevonden. Intussen is duidelijk geworden dat men ook in Japan in staat was purper te produceren en daarvoor gebruikte men de geaderde stekelhoren (Rapana venosa).
Deze zeeslak heeft een huisje dat kan doorgroeien tot bijna twee centimeter. De kleur kan variëren van gebroken wit of bruin met donkerbruine, vaak onderbroken streepjes op de spiraalkoorden. De top van het huis is vaak iets lichter van kleur. De mondopening is vaak helder oranje. Het is een ietwat bolle, stevige schelp met grote lichaamswinding. De geaderde stekelhoren is een roofzuchtige vleeseter. Deze soort is ruwweg inheems in de wateren van de Gele Zee tussen China en Japan.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Rapana, is te herleiden tot de taal van de Azteken, waar tlapāna zoiets betekent als 'gespleten'. Het benoemt de aderen die deze soort kenmerken. Het tweede deel, venosa, is Latijns waar vēna 'bloedvat' of 'ader' betekent.

Als gevolg van de moderne internationale scheepvaart, waar ballastwater in de ene haven wordt ingeladen en een halve aardbol verder weer gelost wordt, hoeven wij ons niet te verbazen dat de geaderde stekelhoren intussen ook in Nederlandse wateren is aangetroffen.

Indigo

In de grijze oudheid was blauw een gewilde kleur en overal zocht men naar een plant of dier die deze kleur kon opleveren. We hebben al eerder diverse andere bronnen van blauw beschreven: wede (Isatis tinctoria) in West-Europa, de gestreepte zeeslak (Hexaplex trunculus) in het Middellandse Zeegebied en Anil (Indigofera suffruticosa) in Zuid-Amerika.
De meest bekende variant is echter de (echte) indigo (Indigofera tinctoria) die pas ietwat in de vergetelheid raakte na de introductie van synthetische kleurstoffen. Indigo is een plantensoort die tot de familie der erwten en bonen (Fabaceae) behoort. Omdat hij zo waardevol was als bron van indigo is deze soort al eeuwen geleden overal aangeplant. Daardoor weten biologen niet meer waar indigo ooit precies inheems was, maar ik gok op India. Indigo is struikje van een meter of twee hoog die, afhankelijk van de omstandigheden, eenjarig, tweejarig of meerjarig kan zijn. Hij heeft lichtgroene, geveerde bladeren en, als familie van de erwt, heeft ook prachtige tuilen van paarse tot roze bloemen. De indigo wordt tegenwoordig veel aangeplant om de bodem te verbeteren, maar de uit indigo gewonnen kleurstof wordt steeds meer verkocht, vanwege de toenemende hang of dwang van 'terug naar de natuur'.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Indigofera, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar indikós (Ἰνδῐκός) '(kleurstof uit) India' betekende en fera via fero (Φερω) 'dragend'. Het tweede deel, tinctoria, betekent uiteraard 'geverfd' in het Latijn.

De kleurstof indigo zit verstopt in de bladeren van de indigo en ook hier is een tijdrovend proces nodig om die kleurstof aan de plant te ontfutselen. De bladeren worden eerst langdurig geweekt in heet water, waardoor fermentatie optreedt. Daardoor wordt een glycoside met de naam indican omgezet in indoxyl. Deze laatste stof heeft een gelige kleur en moet nog een laatste chemische reactie ondergaan met zuurstof (oxidatie) voordat de blauwe kleurstof indigotin ontstaat.
[Indigokoek - Image: David Stroe]

Vervolgens wordt het bezinksel gezuiverd en tot koeken gedroogd. Na droging worden die in blokjes gesneden en tot poeder vermalen. Dit poeder is echter niet oplosbaar in water (en dus nog onbruikbaar om kleding te kleuren) Daardoor moet de zuurstof weer uit het poeder worden verwijderd door middel van een tweede gisting met bacteriën. Tot slot wordt er een loog (traditioneel ureum uit urine) doorheen gemengd. Deze reageert met een zuur (de zuurstof) en pas dan is de kleurstof geschikt om zich te binden aan textiel. Dat verven gebeurt in zogenaamde 'urinekuipen'.

Het was de bekende Venetiaanse ontdekkingsreiziger en koopman Marco Polo (1254-1324) die het productieproces voor het allereerst voor Europese lezers wist te beschrijven.

Wilde Zwarte Pruim

De wilde zwarte pruim (Vitex doniana) is het Afrikaanse broertje van de monnikspeper (Vitex agnus-castus), die voornamelijk Europa bewoont. Als we meer precies zijn, dan is de wilde zwarte pruim inheems in tropische delen van wat men de sub-Sahara noemt en dan speciaal de bossen en savannes. Hij heeft de potentie om tot een belangrijk cultuurgewas uit te groeien, al weerstaat de soort nog steeds de domesticatie.
De wilde zwarte pruim is een kleine tot middelgrote boom die maximaal 25 meter hoog kan worden. De zoete, zwarte en eetbare vruchten ter grootte van een olijf zijn erg populair in Afrika en worden vaak gevonden op lokale markten. De wilde pruim heeft een zoete smaak met een hint van chocolade. Van het sap kan jam worden gemaakt, maar dat sap kan ook gefermenteerd worden tot een wijn met een behoorlijk alcoholgehalte.

Vrouwen blijken niet zo veel zin te hebben om de wilde zwarte pruim te verzorgen in een gecontroleerde omgeving. Ze weten dat het maken van jam weliswaar positieve effecten zal opleveren, maar ook dat hun mannen liever de wijn zullen willen drinken. Mannen, die veel wijn drinken, zijn meestal niet de meest productieve zullen we maar zeggen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Vitex, wordt in verband gebracht met het Latijnse woord vieo, wat 'weven' betekent. Het verklaart het gebruik van de twijgen van enkele van de soorten om manden mee te vlechten. Het tweede deel, doniana, is afgeleid van het Latijnse woord donus, wat 'cadeau' of 'gift' betekent. Het probeert de eetbare bes te verklaren.

Tijdens periodes van schaarste worden de bessen onderdeel van het dagelijkse dieet. Vaak worden ze dan gekookt voordat ze op tafel komen en wordt het dus een soort warme moes. Ook worden de jonge scheuten met de eerste bladeren geplukt, gekruid, gekookt en gegeten als spinazie.

Dat gebruik zorgt er ook voor dat de wilde zwarte pruim het lastig heeft. Bovendien zijn ze in Afrika soms ietwat gemakzuchtig en kappen een boom liever om dan dat men er in zal klimmen om de pruimen te plukken. De wilde zwarte pruim wordt daardoor steeds zeldzamer.
Onderzoek onder twee troepen olijfbavianen (Papio hamadryas anubis) in Nigeria toonde aan dat er bij de vrouwtjes grote variaties in de niveaus van het vrouwelijke geslachtshormoon progesteron bestonden[1]. Voedingsgegevens toonden aan dat beide troepen slechts één voedselsoort consumeerden op het moment van die waargenomen progestageenpieken: de wilde zwarte pruim. De wilde zwarte pruim lijkt dus in te werken op de cyclus van vrouwtjes.

Partnerschap en copulatie-activiteit vinden bij bavianen bijna uitsluitend plaats in de aanwezigheid van een seksuele zwelling. Eten van wilde zwarte pruimen werkt dus zowel als een fysiologisch anticonceptivum (het simuleren van zwangerschap op een vergelijkbare manier als sommige vormen van de menselijke anticonceptiepil) en een sociaal anticonceptivum (voorkomen van seksuele zwelling, waardoor associatie en copulatie met mannetjes wordt verminderd).

[1] Higham et al: Reduced reproductive function in wild baboons (Papio hamadryas anubis) related to natural consumption of the African black plum (Vitex doniana) in Hormones and Behaviour – 2007

Boomkatoen

Boomkatoen (Gossypium arboreum) is vooral inheems in delen van India, Pakistan en Bangladesh, al komt hij ook wel sporadisch voor in andere tropische en subtropische gebieden van Azië.
Boomkatoen vormt een struik die maximaal twee meter hoog kan worden. Hij bloeit met paarse bloemen. Na de bloei ontstaan de zaden die door katoenen vezels worden beschermd.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Gossypium, komt via het oud-Griekse gossúpion (γοσσύπιον), uiteindelijk uit het Sanskriet, waar karpasa (कर्पास) 'katoen' betekende. Het is verwant met kapṛā (कपड़ा), waarmee men in het Hindi een 'doek' of 'kledingstuk' beschreef. Het tweede deel, arboreum, is te herleiden tot het Latijnse arbor en is te vertalen als 'boom'.

Een lokaal geteelde variëteit met de naam Phuti karpas (Gossypium arboreum neglecta) werd al rond 4,000 jaar geleden voor het eerst gecultiveerd en werd verbouwd langs de rivieroevers van de heilige rivier de Brahmaputra. Het was de bron van mousseline. Dat was een vorm van een handgeweven stof, gemaakt met de fijnste handgesponnen garens.

Mousseline of het Engelstalige muslin leidt ons naar de Noord-Iraakse stad Mosul, waarvan men ooit dacht dat daar de stof vandaan kwam. Het was maar een beetje fout, want de stad was in het verleden een belangrijk kruispunt aan de beroemde zijderoute. Het mousseline kwam echter voornamelijk uit Dhaka, de hoofdstad van wat nu Bangladesh is.

Het productieproces van mousseline doorliep 16 stappen en was dus behoorlijk 'langdradig'. Omdat alle processen handmatig waren, waren bij de productie veel ambachtslieden betrokken voor het spinnen en weven van garen. Voor het verwijderen van zaden, afval en het schoonmaken en kammen van de vezels en het parallel spinklaar maken werd de bovenkaak van een kannibalistische zoetwatermeerval gebruikt. Het spinnen en weven werd tijdens het regenseizoen gedaan, omdat de vochtigheid zorgde voor extra elasticiteit van de garens, waardoor breuken werden voorkomen. Het hele proces verliep zo traag dat het meer dan vijf maanden kon duren om een stuk mousseline te weven, waardoor het peperduur werd. Omgerekend naar de huidige maatstaven kon een koning, keizer of admimiraal een meter mousseline kopen voor wel €70,000. En dan moest er nog een jurk van gemaakt worden.

De beste kwaliteit, Dhaka muslin, was superdun, delicaat en vederlicht. Het was zo doorzichtig dat de superrijken van de oudheid hun vrouwen graag in gewaden van mousseline lieten rondlopen. Dat was gebruikelijk in India en in het Romeinse Rijk.
De Romeinse consul en schrijver Gaius Petronius Arbiter (27 nChr-66 nChr) beschreef de doorschijnende eigenschap van mousseline als volgt: 'De bruid had zichzelf net zo goed kunnen kleden met de wind, want ze staat publiekelijk naakt onder haar wolken van mousseline'.

De preutse Victoriaanse tijd in Engeland bleek de doodsteek voor de mousseline. Het was not done om je zo schaamteloos te kleden.

Schellak

In India en omringende landen leeft een insect, een boomluis met de naam de kleine lakschildluis (Coccus lacca). In het larvenstadium 'prikt' het insect een gaatje in de takken van de waardplant om zo bij het floëem te komen. Dat floëem moet je zien als de voedingsstoffen die door de bloedvaten van een plant vloeien. Dat insect produceert een natuurlijke afscheiding, een was, bedoeld om dat gaatje in de tak weer af te dichten.
Dat harsachtige afscheidingsproduct noemt men schellak en het heeft nog commerciële waarde ook. Daarom wordt de schellak zorgvuldig van de boomtakken geschraapt en gedroogd. Eventueel wordt het gefilterd door het te verwarmen en door een doek van bijvoorbeeld jute te laten lekken. Schellak wordt verhandeld in tabletten of schilfers in verschillende kleurgradaties van donker (ongezuiverd) tot blond (gezuiverd).

Schellak is een thermoplastisch materiaal, wat betekent dat het zacht wordt bij verwarming. In gesmolten toestand kan schellak vermengd worden met een vulmateriaal en, onder invloed van druk en temperatuur, in een vorm geperst worden. Daar ontdekken we de eerste gebruiksmogelijkheid: de vuurrode lakzegels die vanaf de zestiende eeuw gebruikt werden om documenten te verzegelen. Omdat het de Portugezen waren die als eerste de schellak in Europa invoerden, werd het – heel logisch – ook Spaanse was genoemd. Vóór die tijd werden zegels namelijk bijna altijd vervaardigd van bijenwas. Ook werd het gebruikt in politoer, een oplossing van schellak in alcohol, dat wordt gebruikt voor het aanbrengen van een beschermende, glanzende en heldere laag op houten meubels.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Coccus, heeft een Oudgriekse herkomst: kókkos (κόκκος) betekent 'graankorrel' of 'zaadje'. Het tweede deel, lacca, komt uit het Latijn, waar lacche 'vernis' en 'lak' betekent.
[Lakschildluizen op tak - Image Jeffrey W. Lot]

Een lakschildluis op de juiste plek kan behoorlijk geld opleveren, maar besluit de soort eens naar een andere boomsoort te verhuizen dan kan dit de oogst van bepaalde vruchten behoorlijk schaden. Van prima tot pest is maar een kleine stap.

We denken hier in Europa dat schellak wel tot het verleden zal behoren. Lakzegels worden niet meer gebruikt en onze meubels worden niet meer onderhouden, maar ingeleverd bij de kringloopwinkel. In India is de productie van schellak echter nog steeds zeer belangrijk en miljoenen mensen zijn betrokken bij de oogst van de schellak. De wereldproductie bedraagt jaarlijks zo'n 40,000 ton en dat is dus de afscheiding van miljarden lakschildluizen.

Deze soort produceert ook een sterke rode kleurstof die ooit voor het inkleuren van wol en zijde werd gebruikt. De kleurstof is eigenlijk het hemolymph, het equivalent van bloed bij insecten.

Heilige Basilicum

De heilige basilicum (Ocimum tenuiflorum) is een aromatische vaste plant in de grote lipbloemenfamilie (Lamiaceae), waartoe ook keukenkruiden als tijm, munt, marjolein, salie en rozemarijn behoren. Deze soort is inheems in India, maar wordt overal in tropisch Zuidoost-Azië geteeld.
Heilige basilicum is een rechtopstaande, veel vertakte struik met harige stengels. In hoogte varieert hij van 30 tot 60 centimeter. De licht getande ovale bladeren zijn tot vijf centimeter lang en zijn groen of paars van kleur. Die bladeren zijn sterk geurend. De paarsachtige bloemen vormen langwerpige trossen.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Ocimum, is afkomstig van het Oudgriekse woord ósdō (ὄσδω) dat 'geuren' of 'rieken' betekent en duidt op een serie aromatische planten (zoals munt) die zich tot deze familie kunnen rekenen. Het tweede deel, tenuiflorum, is een combinatiewoord van het Oudgriekse teínō (τείνω), wat 'uitgerekt' betekent en phúllon (φύλλον), wat 'bloem' of 'bloesem' betekent. Het beschrijft de langgerekte bloemvorm van deze soort.

In diens thuislanden wordt de heilige basilicum tulsi genoemd en wordt ingezet voor zowel culinaire, medicinale als religieuze doeleinden. Tulsi is zelfs een heilige plant voor de Hindoes en wordt aanbeden als de avatar van de god Lakshmi. Dat is de vorm die deze god aanneemt als hij op aarde verschijnt. Als gevolg van dit geloof wordt de heilige basilicum veel in tuinen van Hindoestanen aangeplant. Niemand kan toch bezwaar maken tegen die heerlijk geurende planten in een tuin?

In het kwakzalversgeloof Ayurveda wordt de heilige basilicum uiteraard ook ingezet tegen allerhande kwalen. Een 'onderzoek' in het Indiase 'vakblad' Journal of Ayurveda and Integrative Medicine komt ruimte tekort om de kwalen te benoemen waartegen de heilige basilicum werkzaam zou zijn[1]. Zo zou het plantje organen en weefsels beschermen tegen chemische stress door industriële verontreinigende stoffen en zware metalen, helpen tegen fysieke stress door langdurige fysieke inspanning, ischemie (onvoldoende doorbloeding), en blootstelling aan kou en overmatig lawaai. Een thee van bladeren van de heilige basilicum schijnt zo rustgevend te zijn de de onderzoekers het kwalificeren als 'vloeibare yoga'.

Goedgelovige mensen in het westen willen de heilige basilicum nog wel eens inzetten voor een detox, al vergeten die mensen altijd gemakshalve dat we daar al een heel orgaan voor bezitten: een lever.

Dat de essentiële olie van de heilige basilicum wat potente stofjes bevat is niet te ontkennen, want de gedroogde blaadjes worden in Zuidoost-Azië ingezet als insectenwerend middel.

[1] Cohen: Tulsi – Ocimum sanctum: A herb for all reasons in Journal of Ayurveda and Integrative Medicine – 2014. Zie hier.

Elfenbloem

De naam Elfenbloem (Epimedium grandiflorum) is een vondst van de marketingsafdeling van de bloemenbranche. In de Engelstalige wereld noemt men deze soort the large flowered barrenwort ('grootbloemige dorwortel'), waarbij 'dor' begrepen moet worden als 'onvruchtbaar'. Het beschrijft de omstandigheid dat vrouwen geen kinderen kunnen krijgen. Lees het als een 'dorre baarmoeder' en je snapt direct dat die naam niet past bij een leuke plant.
[Image: Sphl. Enfenbloem]

De hele familie, Epimedium, gaat in Engelstalige landen door het leven als horny goats weed ('geil geitenkruid') of rowdy lamb herb ('opstandig lammetjeskruid'). Je snapt: deze kruidachtigen hebben allemaal iets met (on)vruchtbaarheid te maken, maar daarover later meer.

De elfenbloem is een vaste plant die tot 30 centimeter hoog kan worden. Hij is inheems in landen als China, Japan en Korea Deze soort is getooid met felrode stengels en groene hartvormige bladeren die aan de onderkant licht behaard zijn. In het voorjaar produceert hij roze, witte, gele of paarse bloemen met lange sporen. Sommigen denken dat die bloemen wat lijken op een bisschopshoed, vandaar dat bishop's hat een alternatieve Engelse naam voor de soort is. Nee, niet de mijter (de mitre) en ook niet het rode keppeltje (de zuchetto), maar de ceremoniële rode muts met drie kanten (de biretta).

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Epimedium, werd al door de Griekse geneesheer Pedanius Dioscorides (40–90 nChr) genoemd in zijn boek 'De materia medica' ('Over medische materialen'). Het is een samentrekking van het Oudgriekse epí (ἐπί) 'bovenop' en mesos (μέσος) 'midden'. Het tweede deel, grandiflorum, is een combinatiewoord uit het Latijn, waar grandis 'groot' betekent en florum 'bloem'.

We zijn op het punt aanbeland waar we eens gaan kijken naar de veronderstelde werking of bijwerking van deze plant. Zou hij écht kunnen werken bij problemen bij het zwanger raken? De Chinezen denken in ieder geval van wel, want daar geloven ze al eeuwenlang dat het een afrodisiacum is dat een potente werking heeft bij impotentie.

Kan een aftreksel van de elfenbloem geiten, lammetjes en mensen echt geiler maken? Het ietwat verrassende antwoord is: jawel, maar...

De reden hiervoor is de aanwezigheid van een stofje met de naam icariïne, een flavonoïde. In het lichaam gedraagt die icariïne zich als een phosphodiesterase type-5 (PDE5) remmer. Dat zegt de lezer natuurlijk niets, maar we kennen vermoedelijk allemaal wel een andere PDE5-remmer en dat is sildenafil, dat verkocht wordt onder de naam Viagra.

Het probleem is dat Viagra is wel 100 keer krachtiger is dan een aftreksel van de elfenbloem, al kun je de laatste zonder recept op internet bestellen.

Guacamole

Tot een paar jaar geleden was guacamole in ons land volstrekt onbekend, maar tijden veranderen en vrijwel iedereen weet intussen dat het een beroemde en zeer smakelijke saus is.
Guacamole is oorspronkelijk afkomstig uit Mexico en wordt nu veel gebruikt bij de zogenaamde TexMex gerechten. TexMex is een woord waarvan iedereen denkt dat het ontstaan is omdat er in de Amerikaanse staat Texas en het aangrenzende Mexico een gemeenschappelijke keuken bestaat. Dat is niet het geval. Deze keuken is ontstaan bij de Tejanos, Texanen van Mexicaanse origine. Het was van oorsprong een mengeling van Mexicaanse en Spaanse gerechten toen Texas nog deel uitmaakte van Nieuw Spanje (1521 tot 1821) en later van Mexico (1821 tot 1836). Toen Texas eindelijk bij de USA werd gevoegd, bleven de bewoners en hun gerechten op hun plek.

Guacamole wordt traditioneel gemaakt door uit zijn velletje geschept vruchtvlees van een avocado met wat zout te vermalen met een stamper in een vijzel, al klinkt dat keukengerei in het Spaans natuurlijk een stuk exotischer: een molcajete y tejolote. Aan de avocadomoes wordt vervolgens limoensap, cilantro (de Zuid-Amerikaanse variant van koriander) en soms uien en chilipepers toegevoegd. Het recept varieert tussen regio's, families en de beschikbare ingrediënten.

Avocado's werden al zo'n 10,000 jaar geleden voor het eerst gedomesticeerd in het Midden van zuidelijk Mexico. De populariteit van de avocado verspreidde zich later snel over het hele rijk van de Maya's. Het was een van de basisvoedingsmiddelen van de plaatselijke bevolking. Daarbuiten was de vrucht lange tijd volstrekt onbekend. Rond het jaar 1900 stond de avocado in de Verenigde Staten bekend als de alligator pear.

De naam Guacamole stamt uit het Nahuatl, een oude taal die al door de Azteken werd gesproken en nu nog steeds door hun afstammelingen in ere wordt gehouden. Daar betekende āhuacamōlli letterlijk 'avocadosaus', van āhuacatl 'avocado' en mōlli 'saus'.

Waarom zou je guacamole gaan gebruiken als dipsaus of als broodbeleg? Welnu, een avocado wordt gezien als een zeer gezonde vrucht met allerhande vitamines en mineralen. Verder zitten er verzadigde vetten, enkelvoudig onverzadigde vetten en plantensterolen in verborgen. Die plantensterolen – in dit geval beta-sitosterol – worden in verband gebracht met een positief effect bij mensen met een iets te hoog cholesterol. Het is dus een soort medicijn in een vrucht. Vandaar ook dat Becel voor zijn ProActiv smeersels met plantensterolen behoorlijk hoge prijzen durft te vragen.

In Mexico wordt de avocado ook ingezet als een botervervanger onder de naam mantequilla de pobre ('armelui's boter'). Het is een mix van avocado, tomaat, zonnebloemolie en citroensap. Ach, je moet toch wat.

Dorrigo peper

De Dorrigo peper (Tasmannia stipitata) wordt ook wel northern pepperbush genoemd. Het is een struikje dat alleen groeit in de bossen in het gematigde klimaat van de Australische deelstaat New South Wales.
De geurige langwerpige bladeren zijn 8 tot 12 centimeter lang. Na de bloei ontstaan donkerblauwe tot paarse bessen aan vrouwelijke struiken. De soort is namelijk tweeslachtig met mannelijke en vrouwelijke bloemen op aparte planten.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Tasmannia, benoemt het feit dat de meeste soorten van dit geslacht op het ten zuiden van Australië gelegen eiland Tasmanië worden aangetroffen. Tasmanië zelf is natuurlijk vernoemd naar de Nederlandse zeevaarder Abel Tasman (1603-1659), al had hij die eer zelf aan iemand ander gegund. Hij doopte het door hem gevonden eiland Antonie van Diemensland. Het tweede deel, stipitata, is Latijns en afgeleid van stīpes, wat 'een steel (bezittend)' betekent.

De culinaire mogelijkheden van de Dorrigo peper werden, zo gaat het verhaal, pas voor het eerst in de jaren tachtig van de vorige eeuw herkend door Peter Hardwick, een tuinman, die de peper zijn moderne naam gaf. Dorrigo is namelijk een plaats in New South Wales. Nu weet ik zeker dat Hardwick de werkelijkheid geweld aandeed, want het waren natuurlijk de oorspronkelijke bewoners van Australië, de Aboriginals, die al eeuwen eerder deze specerij gebruikten. Dat feit wordt onderstreept door het bestaan van de veel oudere alternatieve naam, de northern pepperbush. Maar goed, de commercie is een krachtig middel om de geschiedenis te herschrijven en om 'inboorlingen' weg te schrijven als een voetnoot in een geschiedenisboek.

De volgende stap in deze kwalijke historie werd gezet door Jean-Paul Bruneteau, toen chefkok van Rowntrees Restaurant in Sydney. Hij verwerkte de Dorrigo peper in diverse gerechten en maakte de specerij daardoor bekend bij de Australische nouveau riche, de nieuwe rijken. Mensen met teveel geld en te weinig smaak.

De Dorrigo peper heeft een wat houtige, naar kaneel neigende smaak met een peperachtige pittigheid in zowel de bladeren als de zaden. De hete pepersmaak is het gevolg van de aanwezigheid van een stofje dat men de naam polygodial heeft gegeven. Het komt voor in de meeste van de familieleden in het geslacht Tasmannia.
Aangezien Moeder Natuur nooit voor één gat te vangen is heeft ze diezelfde pittige stof ook in andere soorten gestopt. Vreemd genoeg komt polygodial ook voor in een Mediterrane zeeslak (Dendrodoris limbata), die in Engelstalige landen de naam Mottled Doris ('gevlekte Doris') draagt. In deze zeeslak werkt het stofje als middel tegen parasieten. Wetenschappelijk onderzoek heeft inmiddels aangetoond dat polygodial ook een sterke antibacteriële werking heeft[1].

[1] Cimino et al: Dorid nudibranch elaborates its own chemical defense in Science - 1983

Massooischors

De Massooiboom (Cryptocarya massoia) is een altijdgroene boom die van zo'n 15 tot 30 meter hoog kan worden. Het is verre familie van de laurier en zijn familieleden groeien wereldwijd in tropische bossen. Deze soort is inheems in een beperkt deel van Zuidoost-Azië, van oostelijk Indonesië tot Papoea Nieuw-Guinea.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Cryptocarya, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar kruptós (κρυπτός) 'verborgen' of 'geheim' betekent en káruon (κάρυον) 'noot'. Samen is dat dus 'verborgen noot'. Het tweede deel, massoia, is afgeleid van de van oorsprong inheemse namen op Papoea: massoy of massoi. Overigens werd de boom in 'onze' Indische koloniale periode lawangboom genoemd.

Uit de schors van de massooiboom kon een 'welriekende olie' worden bereid. Het werd vanouds in Nederlands-Indië (en later) Indonesië als medicijn gebruikt. Sinds de 19e eeuw werd het in Europa verwerkt bij zeep-, parfum- en likeurfabricage. Het grote probleem is echter dat de boom dood gaat als de schors wordt verwijderd en bovendien slecht uit zaad kan opgroeien. Het gevolg is dus dat de soort steeds zeldzamer is geworden vanwege overproductie.

Massooi is in ieder geval op Java een essentieel ingrediënt in diverse medicinale kruidenmengsels. Het wordt daar ingezet voor een veelheid aan aandoeningen, waaronder het voorkomen van krampen tijdens de zwangerschap, om het herstel te bevorderen van het vrouwenlichaam na de bevalling, om 'vrouwelijke geurtjes' te verdoezelen na de zwangerschap en als middel om spasmes te voorkomen.

Van de bast kan ook een alkyllacton gedestilleerd worden. Dat lijkt iets heel speciaals, maar datzelfde stofje kan ook gewonnen worden uit suikerrietmelasse en tabak. Tegenwoordig is de chemische route echter veel sneller, beter en bovendien stukken goedkoper. Alkyllacton heeft wat wat crèmige, melkachtige geur, wat direct de naam verklaart: het Latijnse woord lactis is namelijk 'melk'. Weet je ook direct waar het woord galaxy ('melkweg') vandaan komt.

De alkyllacton uit de massooiboom is uiteraard geen zuivere stof, want daar is de natuur veel te wispelturig voor. Het is een mengsel van wat gerelateerde stofjes. Daardoor heeft het een hele aparte geur die in de wereld van de parfumerie met nogal wat poeha wordt omschreven als 'een boeket van melkachtige noten, vermengd met leerachtige, kokosachtige, houtachtige en romige akkoorden'.

In de 18de en 19de eeuw werd de uit de bast gewonnen essentiële olie wijdverspreid ingezet om gerechten op een natuurlijke manier de geur van kokos te geven. De tot poeder vermalen bast werd in Indonesië en Papoea Nieuw-Guinea gebruikt als smaakmaker in currygerechten en heel soms als vervanger van kaneel.

Purperslak

Na mijn columns over de brandhoren (Bolinus brandaris) en de gestreepte zeeslak (Hexaplex trunculus), waaruit in een ver verleden aan de kusten van de Middellandse Zee extreem prijzige kleurstoffen werden geproduceerd, kan ik me voorstellen dat je verzucht: waarom konden wij dat hier in Noordwest-Europa niet? Ik kan de lezer geruststellen, want onze voorouders konden het wel degelijk en de bron van die kleurstof was de purperslak (Nucella lapillus) Het is een in zee levend slakje dat voorkomt in de Noordzee en de noordelijke Atlantische Oceaan. Het diertje is een geduchte jager. Hij raspt met zijn tong een gaatje in de schelp van een ander weekdier en spuit een 'oplosmiddel' naar binnen, waardoor de prooi oplost. Het slachtoffer 'drinkt' hij op.
Purperslakken kunnen zo'n 45 millimeter groot en tot zes jaar oud worden. De kleur van zijn huis kan variëren van wit, geel tot donkerbruin. Soms is de schelp getooid met twee of drie brede kleurbanden of meerdere veel smallere kleurstrepen tussen de spiraalgroeven. De soort leeft op een harde ondergrond, zoals stenen of mosselbanken, in het getijdezone tot vlak onder de laagwaterlijn. Regelmatig spoelt er eentje aan op Nederlandse stranden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Nucellus, is een onregelmatig verkleinwoord van het Latijnse nux ('noot'). Het verklaart de vorm van de schelp. Het tweede deel, lapillus, is ook al van Latijnse herkomst, waar lapis 'steen' betekent en de favoriete ondergrond van dit zeeslakje beschrijft.

Precies zoals zijn Mediterrane soortgenoten kan ook de purperslak ingezet worden voor de productie van roodpaarse en violette kleurstoffen. De Engelse monnik Bede (672-735) schreef in zijn 'Ecclesiastical History of the English People' (732) al dat 'whelks are abundant, and a beautiful scarlet dye is extracted from them which remains unfaded by sunshine or rain; indeed, the older the cloth, the more beautiful its colour'. Op diverse plaatsen in het Verenigd Koninkrijk, Ierland en de Atlantische kusten van Frankrijk zijn bergen kapotte schelpen van de purperslak gevonden, een aanwijzing dat zich daar productielocaties voor de kleurstof moeten hebben bevonden.

Ook de purperslak heeft een kliertje dat een heldere vloeistof afscheidt dat, wanneer het aan zonlicht wordt blootgesteld, eerst tot lichtgroen verkleurt, dan diep grasgroen, vervolgens blauw om uiteindelijk een roodpaarse kleur te krijgen. De kleur werd daarop met citroensap (of een ander zuur) gefixeerd. De kleurstof kon zelfs direct op de kleding worden aangebracht. Het grote probleem was dat de drager van die peperdure purperkleurige mantel altijd omringd werd door een extreem vissige geur.

Maar in de Middeleeuwen was persoonlijke hygiëne nog niet een belangrijk punt en dus riekte iedereen extreem onfris. Een sterke visgeur viel vermoedelijk in het niet bij de rest van de onaangename lichaamsgeuren.