Rode pimpernel (of Guichelheil)

In 1905 verscheen een boek dat Barones Orczy beroemd zou maken, ‘De Rode Pimpernel’. Het boek beschreef over de avonturen van een aristocratische Engelse spion, Sir Percy Blakeney, die in de tijd van de Franse revolutie (1789–1799) edellieden uit handen van het muitende Franse gepeupel probeerde te houden. Maar de rode pimpernel is ook een plant en het is één van de weinige planten in Noord-Europa met scharlakenrode bloemen.
De rode pimpernel (Anagallis arvensis) staat in Nederland ook bekend is onder de prachtige naam guichelheil. Het verouderde woord 'guichelen' is een broertje van goochelen ('waan') en huichelen ('valse schijn wekken'). Het tweede deel ‘heil’ is uiteraard ‘genezing’. Samen levert dat de betekenis ‘waangenezer’ op. De plant werd inderdaad ooit toegepast als geneesmiddel tegen zenuwziekten en melancholie.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Anagallis, is een combinatiewoord van twee oud-Griekse woorden: ana betekent ‘opnieuw’ en agallein betekent ‘genieten’. Samen zegt het iets over het feit dat de bloemetjes zich iedere keer openen als de zonnestralen de plant beroeren en waaraan het zijn faam als barometer te danken heeft. In Engeland wordt hij om diezelfde reden ook wel poor-man’s weatherglass ('armelui’s weerglas') en shepherd’s sundial ('herder’s zonnewijzer') genoemd. Het tweede deel van zijn wetenschappelijke naam, arvensis, is Latijns en betekent ‘van het veld’.

Sinds onnoemelijke tijden is de guichelheil met meer of minder succes gebruikt als medicijn om een scala aan problemen te behandelen. De plant is ingezet tegen kuchelen, huidinfecties, stoornissen in de lever en galblaas, en zelfs hondsdolheid. Tegenwoordig weten we dat de hele plant behoorlijk giftig is door de aanwezigheid van een aantal plantengiften, waaronder saponinen en cucurbitacines. Deze stoffen zorgen voor huiveringen, spiertrillingen en veelvuldig urineren. Bovendien treden maag- en darmkanaalontstekingen plus bloedklonteringen op met als uiteindelijk gevolg de dood.

De geruchten gaan dat de guichelheil ook als voedsel werd gebruikt door de bladeren als salade of als gestoomde groente te serveren. Maar de mensen, die dit hebben opgeschreven (of nageschreven) hebben die bladeren zelf waarschijnlijk nog nooit geproefd. Die bladeren hebben namelijk door de cucurbitacines een brandende en intens bittere smaak. Cucurbitacines hebben namelijk de twijfelachtige eer om bekend te staan als de meest bittere stoffen op aarde. De in guichelheil aanwezige cucurbitacines worden ook aangetroffen in komkommerachtigen, maar in de hedendaagse eetbare varianten zijn die bittere stoffen er gelukkig uit gekweekt.

De oorsprong van de naam pimpernel heeft men ook weten te verklaren: deze is afgeleid van het oud-Franse piperinus dat in de Middeleeuwen zoiets als ‘peperachtig’ betekende omdat de vruchten op peperkorrels lijken.

Waterpeper

Waterpeper (Persicaria hydropiper) is een kruidachtige plant die groeit op vochtige plekjes en ondiep water. Het is dus een moerasplant. Deze soort komt algemeen voor in zo'n beetje alle gematigde klimatologische zones van het noordelijk halfrond. Dus ook in ons eigen land, zo zul je ietwat verwonderd opmerken? Jawel, ook in ons land is dat plantje algemeen aan te treffen in een wat vochtige habitat en daar hebben we in Nederland genoeg van. In Friesland noemen ze hem bitterblêd, in Drente bitterplant, in Groningen bittertong en in Limburg waterreuts.
Waterpeper heeft een zachte rechtopstaande stengel met grote groene lancetvormige bladen met een gegolfde rand bezitten. De plant wordt 20 tot 60 centimeter hoog. Hij bloeit van juli tot september met slanke onopvallende witte bloempjes met een groenachtige schijn aan losse aren die uit oksels van de bovenste bladen groeien. De vrucht is een dopvrucht met een donkerbruin tot zwart ovaal zaadje.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, persicaria, lijkt afgeleid van het Latijnse woord persicum, wat 'perzik' betekent. De bladeren van dit geslacht lijken namelijk op die van de perzikboom. De verklaring van het tweede deel, hydropiper, voel je waarschijnlijk al aankomen: het klassiek-Griekse hudor (ὕδωρ) is 'water' en het Latijnse piper is 'peper'.

In Japan worden de bladeren van deze plant gebruikt als groente. Ze gebruiken daar in dat Oriëntaalse land echter niet de wilde versie, maar een cultivar die een veel scherpere smaak bezit. Jonge rode nét opgekomen plantjes worden gebruikt als een sashimi-garnituur en staan bekend als beni-tade (紅 蓼, rode waterpeper). De zaden van de waterpeper worden soms aan wasabi toegevoegd.

Het is natuurlijk geen échte familie van de zwarte peper en de waterpeper heeft dan ook andere actieve ingrediënten. De belangrijkste daarvan is een stofje met de naam waburganal en dat blijkt verantwoordelijk te zijn voor de pittige smaak. Ook maakt de plant rutine aan, wat zorgt voor een bittere smaakimpressie. Het is hetzelfde stofje dat wijnruit (Ruta graveolens) zo bitter laat smaken.

Waterpepersaus staat in Japan bekend als tade-zu (蓼酢, waterpeperazijn), is een saus die traditioneel gemaakt wordt van fijngehakte waterpeper en die verder op smaak wordt gebracht met wat azijn. Het wordt geserveerd met een beetje gestoomde rijst. Deze saus wordt in diverse Japanse keukens gebruikt bij gegrillde zoetwatervis. De combinatie met de wat zoutere zeevis smaakt een stuk minder goed.

Eigenlijk is het wachten op een Nederlandse entrepeneur die brood ziet in het verwerken van waterpeper tot een potje pittige saus.

Marinarasaus

Marinarasaus is een saus, die gewoonlijk gemaakt wordt met tomaten, knoflook, kruiden en uien. De precieze samenstelling varieert per plaats of zelfs familie. Daardoor bestaan er ook versies met kappertjes, olijven, specerijen en een scheut rode wijn.
Deze saus wordt veel gebruikt in de keukens van Amerikanen die oorspronkelijk uit Italië afkomstig zijn. Zoals te verwachten was wijkt de Amerikaanse versie nogal af van de originele Italiaanse versie. Vreemd, zo zou je kunnen opmerken, want als iets je weemoedig terug zou moeten laten denken aan het land van je voorouders, dan is het wel een veelgebruikte saus.

In Italië wordt met alla marinara een saus bedoeld die bestaat uit tomaten, basilicum, oregano en soms olijven, kappertjes en zoute ansjovis. De term Alla marinara is natuurlijk Italiaans en betekent '(op de manier van) zeelieden'. Deze saus is bestemd voor spaghetti, maar er bestaan ook recepten met vlees en vis waar deze saus ook bijzonder op zijn plaats is. In Italië wordt een pasta met vis en saus echter veel vaker alla pescatore, ofwel '(op de manier van) vissers', genoemd.

De oorsprong van de marinarasaus is gehuld in nevelen, maar hij kan natuurlijk niet ouder zijn dan 1492 nC, omdat de van oorsprong Italiaanse zeevaarder Christopher Columbus pas in dat jaar voor het eerst voet zette op het Amerikaanse continent. Veel nu zo bekende producten, waaronder tomaten, aardappels en chilipepers, waren inheems op dat continent en konden dus niet vóór die datum in Europese recepten verwerkt worden.

Eén versie van de ontstaansgeschiedenis verhaalt dat de echtgenotes van Napolitaanse zeelieden als eerste de culinaire mogelijkheden van de tomaat onderkenden. In eerste instantie werden door artsen en monniken medische toepassingen gezocht voor al die exotische groenten, vruchten en knolgewassen, maar ik kan me voorstellen dat zeelieden tomatenzaadjes meesmokkelden op hun reizen naar de West en in hun eigen tuin plantten.

Het eerste Italiaanse kookboek dat de marinarasaus noemde was 'Lo Scalco alla Moderna' ('De Moderne Bediende'), geschreven door Antonio Latini en in twee delen gepubliceerd in 1692 en 1694. Het Italiaanse woord scalco is afgeleid van het Latijnse woord scalcus, waarin het tweede deel van het Nederlandse woord 'maarschalk' ('bediende of verzorger van paarden') nog herkenbaar is.

Iedereen, die gelooft dat marinarasaus niet al te veel verschilt van de tomatensaus die je bij je plaatselijke supermarkt kunt kopen, heeft natuurlijk een beetje gelijk. 

Vogelnestjes

Soms denk je: hoe is het mogelijk dat inventieve mensen ooit een bepaalde plant of substantie hebben ontdekt en hebben uitgevonden dat het als smaakmakend ingrediënt kon worden gebruikt. Hoe wist men bijvoorbeeld dat sommige uiterst giftige planten als medicijn tegen een bepaalde kwaal kon worden gebruikt. Gewoon uitproberen als een vorm van trial and error?
Vogelnestjes zijn ook zoiets. Ik weet natuurlijk dat vogelnestjes niet tot kruiden of specerijen gerekend horen te worden. Toch bespreken we ze hier, omdat ze wel degelijk als een vorm van kruid of specerij gebruikt worden.

Eetbare vogelnestjes worden gemaakt door de mannetjes van een paar soorten gierzwaluw (Aerodramus spp). Die gebruiken speeksel om piepkleine nesten te bouwen. Die nesten zitten tegen de want aangeplakt van soms vrijwel onbereikbare grotten. Mannen zonder vrees (en geld) klimmen met bamboestokken tientallen meters naar boven om vervolgens die vogelnesten te 'oogsten'.

Eetbare vogelnestjes zijn gewoonlijk gebroken wit van kleur, al is er een roodgekleurde versie die men een 'bloednest' noemt. Indonesië is de grootste 'producent' van eetbare vogelnestjes en exporteert jaarlijks zo'n 2,000 ton, gevolgd door Maleisië met 600 ton en Thailand met 400 ton. De Filippijnen zijn de kleinste leverancier met vijf ton.

Dat er voor het bemachtigen van eetbare vogelnestjes zoveel risico moet worden genomen, betekent dus ook dat het tegelijkertijd één van de meest prijzige producten van dierlijke oorsprong is op je bord kan verschijnen. De beste kwaliteit nesten gaan over de toonbank voor zo'n €7,000 per kilo. De totale waarde van deze handel bedraagt circa €5 miljard.

De oudste recepten zijn meer dan 400 jaar oud. Chinezen geloven dat de vogelnestjes goed zijn voor je gezondheid en de gevolgen van veroudering vertragen. Het zal je verbazen dat wetenschappelijk onderzoek toch regelmatig weet aan te tonen dat het consumeren van vogelnestjes positieve effecten kan hebben. Vooral in ratten. Dat dan wel weer.

In China staan de vogelnestjes bekend als yàn wō (燕窝): 燕 wordt uitgesproken als yàn en betekent 'zwaluw' en 窝 wordt uitgesproken als en betekent 'nest'.

In de Chinese keukens worden vogelnestjes gebruikt voor de bekende vogelnestjessoep. Wanneer de vogelnestjes opgelost worden in water krijgen een wat gelachtige structuur. Het speeksel lost dus weer op. Die structuur geeft daardoor wat body aan de soep.
Naast het gebruik in soep, kunnen eetbare vogelnesten worden gebruikt als ingrediënt in andere gerechten. Ze kunnen worden gekookt met rijst om een soort vogelnestrijstepap te maken. Ze kunnen bovendien worden toegevoegd aan eiertaartjes (een soort custardtaartje) en andere oosterse desserts. Een gelei van een vogelnest kan worden gemaakt door het nest van de vogel in een houder te plaatsen met een beetje water en suiker (of zout) en vervolgens dubbel te stomen.

Zoethout

De wat ouderen onder ons zullen met enige weemoed terugdenken aan zoethout (Glycyrrhiza glabra), de versnapering die voor een paar cent gekocht kon worden.
Voor zoethout worden de wortels gebruikt van een kruidachtige vaste plant. In zijn thuislanden, zuidelijk Europa en delen van Azië, bereikt hij een hoogte van een meter. In bloei heeft zoethout tere paarsige tot fletse witte tot blauw neigende bloemen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Glycyrrhiza, is weer eens een combinatiewoord uit het Grieks, waar glukos 'zoet' betekende (denk: glucose) en rhiza 'wortel' (denk: radijs). Samen betekent het dus zoete wortel. Het tweede deel, glabra, is afkomstig van het Latijnse woord glaber, dat 'glad' of 'kaal' betekent. Het probeert de wat open structuur van de plant te beschrijven.

De aparte smaak komt van een anetool met de onuitspreekbare naam trans-1-methoxy-4-(prop-1-enyl)benzene. Het is chemisch gezien een broertje van de smaakstoffen in anijs en venkel. De zoete smaak in zoethout is afkomstig van glycyrrhizine, een stof die tot 50 keer zoeter is dan suiker en dus als gezonde en natuurlijke suikervervanger toegepast kan worden. Te prijzig, verzuchten fabrikanten als antwoord opde vraag waarom ze deze zoetstof niet vaker gebruiken.

Van zoethout zijn ons vele geneeskrachtige eigenschappen overgeleverd. Zoethout is ontstekingsremmend, pijnstillend, verzachtend en helend bij problemen met het maagslijmvlies. Daardoor kan het bij een maagzweer (gastritis) probleemoplossende effecten hebben. Het zoete glycyrrhizine remt beschadigingen aan de lever en wordt in landen als Japan zelfs als officieel medicijn gebruikt bij de behandeling van chronische hepatitis (leverontsteking) en cirrose (omzetting van leverweefsel in littekenweefsel). Ook remt het de groei van verschillende virussen, inactiveert onomkeerbaar het herpes simplex virus (koortsblaasjes op de lip of genitale herpes). Overigens is de glycyrrhizine structureel verwant is aan corticosteroïden, die ook in hormoonzalfjes toegepast worden. In China wordt het als middeltje gebruikt om de ziekte van Addison te behandelen. Da's een probleem wanneer je bijnieren onvoldoende cortisol en aldosteron aan kan maken.

Maar bij al die positieve zaken hoort natuurlijk een keerzijde. In hoge doseringen kan zoethout wat vervelende bijwerkingen tot gevolg hebben. Genoemd kunnen worden hoge bloeddruk (hypertensie), vasthouden van vocht (oedeem), hoofdpijn en kortademigheid. Ook is er kan op een aandoening die hypokaliemie genoemd wordt en dat zijn problemen die ontstaan als gevolg van een abnormaal tekort aan kalium in het bloed.
De zoethoutwortels hebben echter in diverse Aziatische keuken een plekje gevonden. In theeën, siropen, sauzen en zelfs pap wordt zoethout meegekookt, waardoor de anijsachtige smaak in de producten trekt. Diverse kipgerechten krijgen een extra dimensie door het gebruik van zoethout. Zie bijvoorbeeld hier en hier.

Kruidnagelbast

De kruidnagelboom (Syzygium aromaticum) groeide en bloeide in het verleden slechts op een paar verdwaalde Molukse eilanden. Al gedurende de Chinese Han-dynastie (206 vChr tot 220 nChr) werden kruidnagelen verhandeld. Arabische handelslieden brachten deze specerij richting Europa, waar deze al rond het jaar 100 het Romeinse Rijk bereikte.
De kruidnagel was één van de belangrijkste redenen dat diverse koloniale machten bleven strijden om het bezit van de Molukken. In de zeventiende eeuw lukte het de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) eindelijk om de Molukken tot Nederlands bezit te maken.

De VOC probeerde een monopolie te creëren voor de handel in kruidnagelen. Dat hadden ze al voor elkaar bij de handel in nootmuskaat en foelie al voor elkaar gekregen, maar die specerijen hadden het voordeel dat ze maar op een paar piepkleine eilandjes, de Banda Eilanden bleken te groeien. Omdat de kruidnagel op wat meer eilanden groeide, bleek het vestigen van een monopolie een stuk weerbarstiger. De Hollanders vernietigden alle overschotten en dreven zo de prijzen op. Bovendien werden veel kruidnagelplantages van de plaatselijke bevolking vernietigd. De jonge aanplanting van de Nederlandse handelscompagnie werden streng bewaakt, onder andere door een twaalftal forten. Wie ervan werd verdacht het monopolie op kruidnagels te verbreken kon op een marteling rekenen.

Het was dus elders op Indië (thans natuurlijk Indonesië) bijzonder lastig voor de plaatselijke bevolking om aan kruidnagelen te komen voor de bereiding van hun traditionele gerechten. Maar het tropisch regenwoud, geassisteerd door de evolutie, is altijd in staat om een alternatief te genereren. Zo ook voor de kruidnagel, want op diezelfde Molukken groeide onder de neus van de Hollandse kolonisten een boom die in het Maleis en Indonesisch kulit lawang (Cinnamomum culitlawan) wordt genoemd en op de Molukken salakat. Deze soort is familie van de kaneel (Cinnamomum zeylanicum).

De bast ruikt precies naar kruidnagel en wordt daarom voor dezelfde gerechten als specerij ingezet. De bast en de daaruit gewonnen olie worden gebruikt als een medicijn bij de behandeling van cholera.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Cinnamomum, heeft natuurlijk dezelfde oorsprong als het Engelse woord voor kaneel, cinnamon. Uiteindelijk zou het verwant zijn aan het hedendaagse Indonesische kaya manis (‘zoet hout’). Het tweede deel, culitlawan, is de plaatselijke benaming voor de boom, kulit lawan, wat uiteraard 'kruidnagelbast' betekent.

De boom is zelfs nu nog een zeldzame verschijning. Met het verdwijnen van het monopolie worden kruidnagelbomen weer vrijelijk aangeplant en is het gebruik van de culit lawan wat in de vergetelheid geraakt.

Gembertoorts

De gembertoorts (Etlingera elatior) heeft nogal wat verschillende toepassingen. Omdat hij zeer decoratief oogt kom je hem soms op de vensterbank tegen. Maar in zijn thuislanden wordt aan zijn uiterlijk minder aandacht geschonken en oogst men hem als kruid of specerij (doorhalen wat niet van toepassing is).
De gembertoorts staat ook bekend als de laksabloem, rode gemberlelie, wilde gember en rose de porcelaine (of porcelain rose). In Maleisië staat de plant bekend als bunga kantan, in Indonesië – afhankelijk van het eiland - kecombrang, kincung, kincuang en sambuang (Minangkabau). Deze plant groeit in grote delen van Zuidoost-Azië. Het is een vaste tropische plant met smalle lancetvormige bladeren van 80 centimeter op bladstengels. De plant groeit vanuit een ondergronds, horizontaal wortelstelsel, rhizoom genoemd. Op bloemstelen van anderhalve meter staan prachtige roze, rode of witte wasachtige bloemen met schutbladeren die in de vorm van dennenappels het hart van de bloem vormen, waaruit later de vrucht wordt gevormd.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Etlingera, vernoemt de Duitse arts en botanicus Andreas Ernst Etlinger (1756-1785) en schrijver van 'De Salvia: dissertatio inauguralis' (1777). Het tweede deel, elatior, is Latijns en betekent 'toorts'.

De bloemen worden daar gebruikt voor allerhande bloemstukken en wordt dan in het Maleis bunga kecombrang ('bloemstukken') genoemd. Maar veel belangrijker is dat de plant een belangrijk ingrediënt is in vele Aziatische keukens. Op Noord-Sumatra worden de bloemen verwerkt in een stoofschotel met vis onder de naam arsik ikan mas, een recept (zie hier) dat vertaald kan worden als 'karper op een rustieke manier' (ikan mas betekent eigenlijk 'goudvis' en arsik is gepikt uit het Sanskriet, waar het iets minderwaardigs betekent). Het is een smakelijk gerecht met Andaliman (Zanthoxylum acanthopodium), een broertje van de sechuanpeper (Zanthoxylum piperitum) met een smaak die iets meer neigt naar die van citroengras en pandanblad, maar dezelfde tongverdovende effecten heeft.
Op Bali gebruiken de bewoners het witte deel van de onderkant van de steel om een sambal te creëren met de naam sambal bonkot, terwijl ze de bloemen gebruiken voor een variant met de naam sambal kicikang.

De Karo, een volk dat delen van Noord-Sumatra bevolkt, staat de gembertoorts bekend als asam cekela. Daar zijn de bloemknoppen, maar nog belangrijker, de rijpe zaaddozen, die barstensvol zitten met kleine zwarte zaden, een essentieel ingrediënt van de Karo-versie van sayur asam ('zure groente' ofwel 'groenten in het zuur') en zijn bijzonder geschikt voor het koken van verse vis. De vruchten worden gebruikt als smaakmaker (zuur), op soortgelijke wijze als tamarinde.

Alkanna

Alkanna (Alkanna tinctoria) wordt in ons land soms ossentongwortel genoemd en is familie van het komkommerkruid (Borago officinalis). Het tot 20 centimeter hoge plantje is in het bezit van bloemen met dezelfde blauwe kleur als het komkommerkruid. Het kruid is inheems aan de kusten van het Middellandse Zeegebied. Zijn bekendheid dankt dit plantje aan het feit dat zijn wortels gebruikt worden als een rode kleurstof.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Alkanna, heeft een Arabische herkomst, waar al-hinna zoiets betekende als '(kleurstof van de) henna'. De bladeren van de henna (Lawsonia inermis) waren een bron van een rode kleurstof. Het woord 'henna' is oeroud en stamt uit de Midden-Perzische taal (450 vChr tot 650 nChr), waar hannāy 'insmeren' of 'zalven' betekende. Het tweede deel, tinctoria, is een afleiding uit het Latijn, waar tingere 'kleuren' betekent. We herkennen daarin nog ons woord 'tinctuur'.

Alkanna heeft een donkerrode wortel die diep donkerpaars aan de buitenkant is. Die wortel is al sinds de oudheid in gebruik als kleurstof. Tot poeder vermalen en vermengd met een olie zal het de olie een naar paars neigende kleur geven. Als het vervolgens op hout geverfd wordt zal het dat hout een donder rood-bruin tint geven, terwijl het de nerven van het hout zal accentueren. Ook marmer werd ooit een opvallend rood kleurtje gegeven met alkanna.

De meeste sites noemen slechts dat alkanna gebruikt werd om wijn, alcoholische tincturen en plantaardige oliën mee te kleuren, maar het gebruik ging vroeger veel verder.

Alkanet werd in oude kookboeken regelmatig genoemd om gerechten rood te kleuren. We vinden het in recepten voor baksels, desserts, gerechten met fruit, room en ander zuivel. Het gebruik is eenvoudig: laat het meetrekken in kookvocht dat toch al in een gerecht gebruikt wordt. Verwarmd geeft het veel meer kleur dan een koud aftreksel.

In traditionele Indiase gerechten kom je het gebruik van alkanna nog wel tegen: in sommige versies van een currygerecht met de naam rogan josh wordt alkanna toegevoegd om het geheel een prachtige rode kleur te geven.
De wortel heeft een antibacteriële werking en wordt daarom in zijn thuislanden uitwendig ingezet tegen ontstoken wonden. Inwendig denkt men dat het zou helpen tegen hoesten, bronchitis en diarree. Verse bladeren doen dienst tegen een zere keel.

Intussen hebben ambtenaren besloten dat het gebruik in voedingsmiddelen verboden moet zijn. Er zouden giftige pyrrolizidine-alkaloïden in verborgen zitten die het gemunt hebben op je lever. In cosmetica, zoals lipstick en ouderwetse rouges, mag het voorlopig nog wel gebruikt worden.

Mierikswortel

De mierik (Armoracia rusticana) is als plant misschien wat onbekend, maar zijn lange witte penwortel staat bekend onder de naam mierikswortel. Hij smaakt een beetje naar radijs. Van de mierikswortel wordt een soort mosterd gemaakt met een scherpe, maar wat lege smaak. De mierikswortel zelfs heeft nauwelijks een aroma en pas wanneer je hem snijdt of raspt dan komt de scherpe mosterdolie vrij. In Japan is er een nog sterkere variant, die onder de naam wasabi de smaakmaker voor sushi is.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Armoracia, is afkomstig uit het Latijn. Via de veroveringsdrift van de Romeinen werd ook een oud Keltisch woord ingepikt en uiteindelijk kunnen taalkundigen zeggen dat het ‘(wonend of groeiend) bij de zee’ betekend moet hebben. Het Latijnse woord ‘Aremorica’ duidde ooit ook de Franse kustgebieden van Bretannië en Normandië aan. Uiteindelijk zegt de naam dus iets over het oorspronkelijke leefgebied van de plant. Het tweede deel, rusticana, heeft een eenvoudiger herkomst: het Latijnse rus betekent ‘platteland’ en is ook de bron van ons woord 'rustiek'.

Het Nederlandse woord ‘mierik’ zelf is een combinatiewoord. Via het Middeleeuwse Nederlandse woord ‘meradic’ kunnen we het woord uitsplitsen tot ‘meer’ en ‘radic’ (radijs). Waarbij radic weer afkomstig is uit het Latijnse radix (wortel). Je hebt bij een mierikswortel dus eigenlijk ‘meer wortel’ ten opzichte van een radijs.

De mierikswortel in diverse culturen in gerechten toegepast en toch heeft diezelfde wortel wel wat schaduwkanten. De wortel bevat een tweetal glucosinolaten (sinigrin en gluconasturiine), die verantwoordelijk zijn voor de scherpe smaak. In kleine hoeveelheden is er niets aan de hand, maar bij wat grotere hoeveelheden ontstaat overmatig zweten, irritatie van de maagwand en de ingewanden, verlies van spierkracht en desoriëntatie. Bij echt grote hoeveelheden kan bloederige diarree en overgeven optreden.
En, zoals zo vaak het geval is, wordt de wortel ook ingezet in de hoop bepaalde klachten te verlichten. Het wordt ingezet als vochtafdrijvend middel (bij overdaad ontstaan juist weer problemen bij het plassen), urineweginfecties, bronchitis, sinusitis, hoesten en ingegroeide teennagels. Uit onderzoek is gebleken dat het wel een bepaalde antibacteriële werking heeft en het verwijdt zeker je luchtwegen door die scherpe smaak.

Tijdens het Joodse Pesach wordt mierikswortel gegeten als het ‘maror’ (‘mar’ is ‘bitter’), ofwel het ‘bittere kruid’ en dan verbeeldt het de moeilijke tijden die de Joden tijdens de slavernij in Egypte hebben doorgebracht. In de Joodse keuken wordt de mierikswortel nog gebruikt als smaakmaker met de naam ‘chrain’ voor visgerechten. Dat gebruik had vroeger ook een tegenhanger in de oude Egyptische keuken waar mierikswortelolie ook heel belangrijk was bij bepaalde gerechten.

Efedra

Het geslacht Ephedra komt met enkele tientallen verschillende soorten in zowel de oude wereld (Azië en Europa) als in de nieuwe wereld (Noord- en Zuid-Amerika) voor, maar er is een groot verschil: de variëteiten in de nieuwe wereld bevatten niet of nauwelijks werkzame stoffen. En om die werkzame stofjes gaat het natuurlijk.
Chinese efedra (Ephedra sinica) wordt al eeuwenlang toegepast in de Chinese traditionele plantengeneeskunst. Daar wordt het als een thee gedronken voor de behandeling van kwalen als astma en hooikoorts. Ook zou een aftreksel kunnen werken tegen de geslachtsziekte syfilus. In westerse landen werd die efedra vaak toegepast in vermageringscapsules. Totdat het gebruik verboden werd wegens vervelende bijwerkingen.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Ephedra, is een combinatiewoord uit het klassiek-Grieks: epi (‘op’) en hedra (‘zetel’). Die naam probeerde de groeiwijze te verklaren waarbij de stengeldelen bijna als secties bamboe op elkaar zitten. Het tweede deel, sinica, betekent ‘(afkomstig) uit China’.

De Chinese efedra bevat wel 1 tot 3 procent van zijn droog gewicht aan alkaloïden, met name efedrine en pseudo-efedrine. Dat is inderdaad behoorlijk veel. Bovendien zorgt de natuur ook nog eens voor onvoorspelbare afwijkingen en dus ligt het gevaar van overdaad alweer snel op de loer. Efedrine is een stimulant die meer noradrenaline en adrenaline in het lichaam pompt en die bootsen lichaamlichaamsreacties na die optreden in momenten van plotseling gevaar. Bovendien werkt het vaatvernauwend. Daardoor wordt je bloeddruk verhoogd (er kan immers minder bloed door je aderen) en neemt je hartslag toe (je hart moet meer moeite doen om dat bloed door je aderen te pompen). Die stimulerende werking was ook erg handig als je snel wilde afvallen: als alles in je lichaam in een hogere versnelling werkt, verbruik je meer calorieën en verlies je sneller dat overtollige gewicht.

Het vervelende was echter dat die versnelde hartslag nog wel eens kon leiden tot een ongewenste hartaanval met een behoorlijk aantal dodelijke slachtoffers tot gevolg. Nu kan het zijn dat je de kans op zo’n hartaanval op de koop toe neemt om er maar snel zomerslank uit te zien, maar het is beslist niet de enige bijwerking die het gebruik van efedra kan opleveren. Ik noem hier slechts enkele: ernstige huidaandoeningen, jeuk, irritatie, nerveuze gevoelens, duizeligheid, trillingen van de handen, hoofdpijnen, slapeloosheid, overvloedige transpiratie, overgeven en een temperatuurshuishouding die zo in de war raakt dat je oververhit kan raken.

Misschien moeten we toch maar wat meer luisteren naar de adviezen van Sonja Bakker. Die laat ons tenminste met normaal eten afvallen.

Boerenwormkruid

Vroeger was het leven veel eenvoudiger. Met een naam als boerenwormkruid (Tanacetum vulgare) wist je precies wat waarvoor een plant gebruikt kon worden. Het was een kruid dat boeren gebruikten als ze last hadden van wormen. Boerenwormkruid reikt tot meer dan een meter hoog. Blaadjes zijn bezet met klierharen die bij aanraking een sterke kamferachtige geur verspreiden.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Tanacetum, is afkomstig uit het Latijn en betekent ‘wormhout’ en dus werd de plant zelfs door de Romeinen al voor ontworming gebruikt. In het Engelse woord voor boerenwormkruid, tansy, hoor je die Latijnse invloed zelfs nu nog. Maar we kunnen nog verder terug in de geschiedenis en dan ontdekken we dat de Romeinen het woord uit het oude Grieks hebben geleend: athanasia (ta verwisselde onderweg wel eens vaker met at) betekende ‘ontsterfelijkheid’ (a is ‘niet’ en thanasia is ‘dood’). Het is een potentieel dodelijke familie van planten. Het tweede deel van de wetenschappelijke naam, vulgare, betekent net als het Nederlandse woord ‘vulgair’ simpelweg ‘gewoon’.

De hele plant is behoorlijk giftig als gevolg van de aanwezigheid van thujon. Dat is een alkaloïde die opgelost zit in een essentiële olie en hersen- en levercellen aantast. Zonder die belangrijke organen worden het al snel lastig om probleemloos in leven te blijven. Verdere symptomen bij inname zijn een snelle en zwakke pols, maagontsteking, stuiptrekkingen en abortus. Kleine hoeveelheden zijn misschien niet direct dodelijk, maar het gif heeft de neiging zich in je lichaam op te hopen.

Toch gebruikte men het vroeger voor een scala aan problemen. De bekendste is dan natuurlijk om worminfecties te bestrijden door het boerenwormkruid als bittere thee of in koekjes te nuttigen. Verder werden migraine, zenuwzwakte en reumatiek met het kruid behandeld. Het werd als relatief zwak tonicum ingezet als je wat problemen had om zwanger te worden. Boerenwormkruidthee werd in de lente aan kinderen gegeven als een soort spring cleaning voor het lichaam.
Ooit werd het bittere boerenwormkruid in (voornamelijke katholieke) gezinnen gebruikt om pudding en gebakken eieren mee te kruiden. Oude gebruiken vertellen dat de zaden verwerkt werden in koekjes die bij de begrafenis werden uitgedeeld. Daar komen we dus de combinatie van dood en onsterfelijkheid dus weer tegen.

Maar pas op: er zijn meldingen dat zelfs het met blote handen uit je tuin verwijderen van boerenwormkruid al ziektebeelden kan opwekken, wat betekent dat het gif zelfs door je huid kan heendringen.

Wierook

Tegenwoordig worden wierookstokjes heel goedkoop aangeboden, maar vroeger was wierook zo kostbaar dat het aan koningen werd gegeven als blijk van respect. Niet voor niets legden de drie wijzen uit het oosten wierook, mirre en goud aan de voetjes van de pasgeboren Jezus.
Pure wierook, die door de Joden, de Grieken en de Romeinen werd gebruikt, is een harsachtige substantie die men olibanum noemde. Deze hars wordt gewonnen uit een aantal soorten bomen die allen behoren tot het geslacht Boswellia. De allerduurste versies, de Afrikaanse of Arabische wierook, zijn afkomstig van de Boswellia sacra. Deze groeit nog steeds uitbundig in de kalksteenrotsen van Zuid Arabië en Somalië. De huidige veel goedkopere variant is veelal afkomstig van de Boswellia serrata, een kleine boom in de dorre bergstreken van noordoostelijk India.


De uiterst geurige melkachtige hars kon pas worden 'geoogst' wanneer de boom zo'n tien jaar oud was. De hars werd gewonnen door een inkeping in de bast te maken. Door contact met de lucht stolde de hars. De nu geelachtige, bijna doorzichtige substantie werd vervolgens met de hand geoogst.
De boomhars heeft lange tijd gezorgd voor een grote welvaart in Zuidelijk Arabië. Tot in de 20e eeuw was de Arabische wierook even kostbaar als goud. In vroeger tijden werd het per karavaan of per schip tot aan India en het Middellandse Zeegebied vervoerd en verhandeld.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Boswellia, eert de Schotse botanicus James Boswell (1710-1780). Het tweede deel, sacra, is afgeleid van het Latijnse os sacrum ('heilig gebeente'), al zullen velen hierin ook het Engelse sacred ('heilig') in herkennen. Mocht je je nog afvragen waar het Nederlandse 'wierook' vandaan komt dan is het antwoord: het heeft dezelfde oorsprong als wijwater. De rook en het water waren om '(in) te wijden'.

Het zal de lezer niet verbazen dat men vroeger dacht dat de rook van wierook kon helpen bij de behandeling van allerhande kwalen. Het geloof daarin is zo sterk dat sommigen nog steeds in die onzin geloven. De gelovigen weten zeker dat wierook kan helpen bij een slijmvliesontsteking, blaasontsteking, aambeien, onregelmatige menstruatie, zweren, bloedingen, bloedneus, het reinigen van wonden, verkoudheid, griep, astma, bronchitis, littekens, snijwonden, puistjes, angst, depressiviteit, nerveuze spanningen, ontstekingen, pijnlijke borsten, vette onreine huid en rimpels. Neem maar van mij aan dat niets van dat alles wetenschappelijk aangetoond is. Het enige wat vermoedelijk waar is, is dat een teveel aan wierook longkanker kan opleveren[1].

Maar als je af en toe een wierookstokje wilt aansteken om met jezelf in het reine te komen dan is er niets aan de hand.

[1] Seow, Lan: Domestic incense use and lung cancer in Asia: a review in Reviews on Environmental Health – 2016

Steranijs

"What's in a name? That which we call a rose - By any other name would smell as sweet.", zo sprak de 13-jarige Juliet liefdevol over haar 16-jarige Romeo in de bekende tragedie van William Shakespeare. In het Nederlands zou je kunnen zeggen dat het niet uitmaakt hoe je een roos noemt want hij blijft precies zo lekker ruiken. Welnu, het maakt soms wel degelijk verschil zoals we hieronder zullen ontdekken. Je moet in veel gevallen precies omschrijven met welke plant je te maken hebt want anders kan het soms behoorlijk fout gaan.
Chinese steranijs (Illicium verum) is de gedroogde vrucht van een in Azië groeiende boom of struik. Die steranijs ruikt en smaakt zo sterk als gevolg van het feit dat het tot wel 10% anethol, een etherische olie, kan bevatten. Als specerij is het zeer gewild en het is onderdeel van de beroemde Chinese five-spice powder en van de Indiase garam massala.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Illicium, is van Latijnse afkomst: illicere betekent ‘(aan)lokken’ en het verwoordde de heerlijke geur. Het tweede deel, verum, is ook al een Latijns woord en betekent ‘waar’ of ‘echt’.

Maar de Chinese steranijs heeft ook een kwaadaardig broertje in de persoon van de Japanse steranijs (Illicium anisatum). Uiterlijk is er zo weinig verschil dat zelfs afgestudeerde biologen het verschil niet kunnen zien. En als zij het niet weten, hoe moeten u en ik die beide varianten dan uit elkaar houden?

Misschien dat u gewend bent om af en toe een heerlijk kopje Sterrenmix te drinken. Op zich is dat geen enkel probleem wanneer u het pakje kruidenthee bij een grootwinkelbedrijf gekocht heeft. Koopt u uw kruidenthee echter in bij een enthousiaste amateur of kwakzalver dan loopt u mogelijk een behoorlijk gevaar. Dat werd nog niet zo lang geleden geïllustreerd toen een aantal mensen ernstig ziek werd na het drinken van hun Sterrenmix, waar per ongeluk geen Chinese steranijs in was verwerkt, maar Japanse steranijs.

Die verwisseling had vervelende gevolgen want Japanse steranijs bevat namelijk anisatine, een neurotoxine, dat verantwoordelijk was voor de bij de slachtoffers waargenomen gevoelens van algehele malaise, misselijkheid, braken, diarree, spiertrekkingen, hallucinaties en epileptische aanvallen[1][2]. Die anisatine is zo extreem giftig dat het zelfs bij kleine hoeveelheden al tot de dood kan leiden als gevolg van een ademhalingsverlamming. In Japan wordt het om die reden als insecticide toegepast.

Voor de volledigheid nog even de oorsprong van het tweede deel van de wetenschappelijke naam van de Japanse steranijs, anisatum, en dus tevens de oorsprong van het Nederlandse woord ‘anijs’. Anison is afgeleid van het Griekse aneton (dille) en anetos betekent 'ontspannen', 'slap' of 'los'. Dat past precies bij de oorsprong van het woord 'dille' want dat stamt uit het oud-Noors. Dylle of dilla betekende 'kalmeren' of 'sussen'. Alles wijst op het oude gebruik van dille en anijs om kalmerend voor de maag te zijn.

[1] Johanns et al: Een epidemie van epileptische aanvallen na drinken van kruidenthee in Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde - 2002. Zie hier.
[2] Biessels et al: Epileptische aanval na drinken van Sterrenmixthee: intoxicatie met Japanse steranijs in Nederlands Tijdschrift voor de Geneeskunde - 2002. Zie hier.

Zegekruid

Het zegekruid (Nicandra physalodes) is een tot circa één meter hoog groeiende plant met lavendelkleurige bloemen uit de grote Nachtschadefamilie (Solanaceae) en is daarmee een direct familielid van de aardappel. Zowel de aardappel als het zegekruid zijn oorspronkelijk afkomstig uit Peru, maar hebben hele verschillende routes gevolgd om zich hier te vestigen. De aardappel is, zoals bekend, door ontdekkingsreizigers op de terugreis voor diens medische potenties meegenomen naar Europa. Stel je het tafereel eens voor: de Spaanse koning had de hele expeditie gefinancieerd, was gouden bergen (of bergen goud) beloofd, maar kreeg een uitgedroogde aardappel in zijn vorstelijke handen gedrukt.
Hoe het zegekruid hier terechtgekomen is, blijft wat onduidelijk. Mogelijk als gevolg van de import van graszaad of veevoer, maar misschien ook door diezelfde ontdekkingsreizigers, die geloofden dat het zegekruid ook medische toepassingen moest hebben. Een andere theorie is dat hij in Engeland tijdens de Victoriaanse tijd (1837-1901) als tuinplant is ingevoerd en dat hij vervolgens uit die tuinen is ontglipt.

Het eerste deel van de wetenschappelijke Nicandra, vernoemt Nicander, een arts en dichter uit de Klein Aziatische plaats Colophon, die rond het jaar 100 voor Christus al over planten schreef. Het tweede deel physalodes is afkomstig uit het Grieks en betekent ‘blaasvormig’. Het is een verwijzing naar het lampionvormige omhulsel om de bes. In Engeland noemen ze hem vreemd genoeg weer apple-of-Peru, terwijl het toch echt een besvrucht is. Ook in Nederland is er wat onduidelijkheid over zijn naam. Soms wordt het zegekruid hier ook zegelkruid of zeggekruid genoemd.

Het zegekruid is nauwelijks onderzocht op zijn giftigheid, maar toch denkt de wetenschap dat de plant hartritmeverstorende solanines bevat. Dat hadden we zelf ook wel kunnen bedenken. Het zegekruid en aardappel zijn immers aan elkaar verwant en natuurlijk is er een grote kans dat ze ook hetzelfde soorten gif bevatten. Aangenomen wordt dat de hele plant gif bevat, maar toch gebruikten de Inca's de jonge bladeren als groente.

Een ander signaal van zijn giftigheid is de bijnaam, die de plant in sommige Engelstalige landen heeft: Shoo-fly. Dat kun je vertalen als: ‘Wegwezen vlieg!’. In Amerika werd het sap van bladeren met wat melk gemengd en op een schoteltje gedaan om vliegen te lokken. Wanneer die van het papje aten, gingen ze onherroepelijk dood.

Van de zaden wordt gemeld dat ze eetbaar zijn, maar tegelijkertijd zouden ze ook gebruikt kunnen worden als insecticide en dat is toch al een teken van giftigheid. Medicinaal gezien denken sommigen dat de zaden, gekookt in water, kunnen helpen tegen koorts, indigestie en constipatie.

Llajua (of Pebre)

Wij in Nederland weten dat, als je pittig voedsel wilt eten, je daarin chilipepers moet verwerken. Het handigst in natuurlijk om daarvoor vermalen chilipepers te gebruiken en die saus noemen we sambal. Die voorliefde voor pittig eten hebben we te danken aan de Indiërs en de ambtenaren die ooit voor de koloniale regeringsmacht in Nederlands-Indië hebben gewerkt. Zij namen de voorliefde voor pittig eten mee naar Nederland.
De wortels van alle chilipepers hebben ooit gestaan in veelal tropische gebieden in Midden-Amerika en het het noorden van Zuid-Amerika. Spaanse en Portugese ontdekkingsreizigers, dan wel godsdienstwaanzinnigen hadden van hun broodheren (en brooddames) de opdracht gekregen om een kortere weg naar Azië te vinden om op die manier goedkoper en veiliger aan zwarte peper te komen. Het mocht niet zo zijn, want het Amerikaanse continent bleek vervelend in de weg te liggen.

Ook de Maya's hielden van behoorlijk pittig voedsel en pure chocolade met vermalen chilipepers was bij hen een geliefd gerecht. Alle tegenwoordig bekende toevoegingen, zoals melk of suiker, werden door de Spanjaarden geïntroduceerd en worden verafschuwd door de rechtgeaarde Maya.

Die voorliefde voor chilipepers bestaat zelfs nu nog. In Bolivia is een smaakmaker bekend onder de naam Llajua of llajwa. Dit nu Spaanse woord is een verbarstering van haya ('pittig'), een woord uit de oude taal der Inca's, het Quecha. In het aangrenzende deel van Chili wordt dezelfde saus weer pebre ('peper' in het Catalaans) genoemd. Het is een chilisaus, gemaakt van een rode chilipeper die plaatselijk bekend staat als locoto, maar elders ook bekend is als rocoto. Deze chilipeper is in het bezit van een pittigheid van 30,000 tot 50,000 SHU's. Die waarde wordt in de wereld van chilipeperliefhebbers gezien als mild, maar de wat minder avontuurlijk ingesteld eters zal het een gevoel geven dat je mond en lippen onblusbaar heet lijken te zijn.

Voor llajua worden chilipepers, samen met tomaten, fijngewreven in een stamper en vijzel, al zal tegenwoordig een blender ook wel gebruikt worden. Soms worden aan het mengel ook uien toegevoegd plus, afhankelijk van de plaatselijke of regionale gebruiken, een of twee kruiden: Boliviaanse koriander (Porophyllum ruderale) of Peruviaanse zwarte munt (Tagates minuta).

Llajua wordt gebruikt om diverse gerechten te kruiden. Een traditioneel gebruik is als dipsaus voor gekookte aardappels of brood. Ook wordt het toegevoegd aan soep om de smaak wat op niveau te brengen. In grote delen van Bolivia en Peru wordt llajua in kleine kraampjes verkocht en daar kun je het in kleine plastic zakjes aanschaffen.

Scharlei (of Muskaatsalie)

Scharlei (Salvia sclarea), ook wel muskaatsalie, is een tweejarige plant binnen de grote familie der lipbloemigen (Lamiaceae). Het is een behaarde kruidachtige plant die inheems is in Zuid-Europa, Noord-Afrika en Zuidwest-Azië. In Nederland en België wordt de plant aangeboden als tuinplant. De plant verspreidt een sterke muskusachtige geur die, afhankelijk van de neus, als geurend naar menselijk zweet, naar hooi of zelfs naar lavendel wordt omschreven. Die geur wordt veroorzaakt door sclareol, een vluchtig terpeen.
De scharlei is een tweejarige zomerbloeier die in het tweede jaar een hoogte kan bereiken van wel een meter. De lipbloemen zijn lichtblauw, roze of lila en gaan vergezeld van grotere schutbladen. Die schutbladen kunnen variëren van wit tot wijnrood of lila.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Salvia, is te herleiden tot het Latijnse woord salvere (‘redden’), een woord dat zelfs nu nog in het Engels te herkennen is als save. Het tweede deel, sclarea, is afkomstig uit het Latijn, waar clarus 'helder' betekent, gekoppeld aan het voorvoegsel ex 'vanuit', maar misschien volgens mij zelfs van oculus ('oog'). Ooit dachten artsen namelijk dat een zalf van de scharlei kon helpen om 'helder te kunnen zien'. De Nederlandse benaming scharlei is overduidelijk ook afgeleid van diens Latijnse naamgeving.

De zaadjes van de scharlei hebben namelijk een ietwat gelachtige coating. Als gevolg daarvan – en daar komt het – bevatten oude kruidenboeken soms het advies om een zaadje in een oog te plaatsen om op die manier een object uit het oog te vissen. Een vliegje in je oog zal zich namelijk hechten aan die plakkerige gel en daardoor eenvoudig te verwijderen zijn.

Dit gebruik wordt ook gemeld door de in zijn tijd beroemde botanicus en herbalist Nicholas Culpeper (1616-1654) in zijn boek 'Complete Herbal' (1653). Hij noemde de plant in dat boekwerk clear-eye ('helder oog'), een naam waarnaar zijn wetenschappelijke soortnaam ook naar verwijst.

Uit de plant kan ook een essentiële olie gewonnen worden die nog steeds in parfums toegepast wordt. Tevens wordt hij toegevoegd aan wijnen, likeuren en vermouths als smaakmakend ingrediënt. Het is dan eigenlijk een vorm van oplichting, omdat die dranken op een natuurlijke manier hun zoetige smaak horen te krijgen.

De scharlei kan op dezelfde manier in de keuken en in recepten gebruikt worden als de reguliere salie ((Salvia officinalis). Je moet echter wel houden van de wat aparte geur van de plant, want die is niet voor iedereen weggelegd.

Rode zonnehoed (Echinacea)

Verwilderd wordt de rode zonnehoed (Echinacea purpurea) soms in ons land aangetroffen, maar veel vaker zien we hem getemd in een flesje op de schappen van drogisterijen. Rode zonnehoed zou moeten werken tegen verkoudheden, influenza en zou het immuunsysteem van de mens kunnen versterken. Dat is goed nieuws, veel mensen geloven die claims nog steeds en de producent is er schatrijk van geworden.

Er bestaan een negental soorten en een aantal daarvan groeit ondertussen als zeer decoratieve plant in onze tuinen. De rode zonnehoed is een vaste plant, die een hoogte van een meter kan bereiken. Hij bloeit met kenmerkende purperen bloemblaadjes die rond een bruinig bloemhoofd groeien.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Echinacea, is van Latijnse herkomst: echinus ('zeeëgel') plus het achtervoegsel -acea ('lijkend op'). Zijn bloemhoofd heeft inderdaad veel gelijkenis met een zeeëgel. Het tweede deel, purpurea, is klassiek-Grieks: porphúra (πορφύρα), wat 'paarse vis' betekent. In de klassieke oudheid werd een zeer kostbare natuurlijke paarse kleurstof gewonnen uit diverse soorten Mediterrane zeeslakken.

De rode zonnehoed is inheems in oostelijke delen van de Verenigde Staten en werd daar mogelijk door Sioux-indianen gebruikt voor allerhande kwalen, zoals difterie, tyfus, eczeem en infecties. De indianen verklapten de geheimen van de rode zonnehoed aan een toerist. Die toerist was Dr. Vogel (1902-1996) en hij nam zaadjes mee naar huis en in Zwitserland begon de triomftocht van de rode zonnehoed in Europa.

Er bestaan echter wat onvolkomenheden in de historie van Dr. Vogel. Pas jaren later bleek dat hij zich ten onrechte een dokterstitel had toegeëigend en het grote Siouxopperhoofd waarmee hij zo op een foto koketteerde was slechts een indiaan die toeristen ontving in de Black Hills. Men noemde hem ooit de meest gefotografeerde indiaan ter wereld.

De vraag rijst nu natuurlijk of ook de geclaimde werking van rode zonnehoed misschien ook verzonnen is. Diverse wetenschappelijke onderzoeken hebben ondertussen onomstotelijk aangetoond dat rode zonnehoed net zo effectief is als een placebo[1]. Ook de geclaimde immuniteitsversterkende werking is door de wetenschap resoluut naar het rijk der fabelen verwezen. Met andere woorden: het werkt totaal niet.

De conclusie luidt daarom: een nepdokter heeft van een nepindiaan een nepmedicijn gekregen.


Verzucht nu niet dat 'de big farma' heeft gewonnen want de markt voor homeopathische middelen bedraagt in Nederland bijna € 60 miljoen per jaar. Da's ook behoorlijk 'big'.

[1] Karsch-Völk et al: Echinacea for preventing and treating the common cold in Cochrane Database Systematic Reviews - 2014. See here.

Blauw glidkruid

Blauw glidkruid (Scutellaria galericulata) is een onvertakte, bossige overblijvende zomerbloeier die behoort tot de grote familie der Lipbloemigen. De stengel is kaal of kortbehaard, terwijl de bloemkroon sterk behaard is. Die bloemkroon is diep blauwviolet, maar zeer zelden ook roodachtig of zelfs wit. Van de bovenlip is de middenslip het grootst, de onderlip is neergebogen en heeft een witte vlek met 3 donkerviolette lijnen. De vruchtjes zijn rond. In Nederland is deze soort vrij algemeen en houdt van min of meer nitraatrijke, vochtige bodems.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Scutellaria, is afkomstig uit het Latijn, waar scutella een 'ondiepe schaal' of 'schotel' betekent. Het verklaart het napvormig aanhangsel aan de bovenlip van de kelk. Het tweede deel galericulata is ook al van Latijnse herkomst: gelea betekent 'helm' en het beschrijft de vorm van de bloem.

Het geslacht Scutellaria wordt voor meerdere medische doeleinden ingezet. Het probleem is echter dat veel soorten onderling uitwisselbaar zijn qua toepassing, maar andere juist weer onbekende gevaren in zich dragen. Traditioneel gezien wordt blauw glidkruid gebruikt voor diens milde angst- en paniekremmende werking en wordt daartoe verwerkt als thee (eigenlijk: tisane, omdat het woord 'thee' alleen gebruikt hoort te worden voor thee gemaakt van theebladeren van de Camelia chinensis), als supplementen en in sigaretten.

De belangrijkste werkzame stof om die milde rustgevende werking te veroorzaken is baicaline, een flavonoïde, die dezelfde werking lijkt te hebben als benzodiazepine in de hersenen. Geen wonder dus dat supplementen met glidkruid hun weg hebben gevonden naar apotheken, drogisten en op geld beluste amateurs. Die laatste categorie probeert middeltjes met glidkruid zelfs te slijten als onfeilbaar medicijn tegen de symptomen van ADHD.

Het probleem is echter dat van diverse soorten glidkruid bekend is dat ze ernstige leverschade kunnen veroorzaken. Als we even het Bijwerkingencentrum Lareb aan het woord laten dan wordt het probleem duidelijk onder woorden gebracht: “Bijwerkingencentrum Lareb ontving twee meldingen van leverschade na het gebruik van NMDA Relief Exendo®. Bij één gebruiker was de leverschade zo ernstig dat er levertransplantatie nodig was. Bij de tweede gebruiker verdween een leverontsteking na stoppen van het gebruik. NMDA Relief Exendo® is een kruidensupplement. Het wordt gebruikt als rustgevend middel bij geestelijke druk. Er zit onder andere glidkruid in. In kruidenproducten kunnen ook kruiden of synthetische stoffen zitten die niet op het etiket staan. De overgebleven pillen van de gebruikers zijn onderzocht op mogelijke schadelijk stoffen. Er zijn alleen stoffen uit glidkruid gevonden. Glidkruid is al eerder in verband gebracht met leverschade. Het verschil in de hoeveelheid glidkruid dat in de twee producten zat was groot. Bij kruidenproducten gelden minder strenge eisen dan bij de geneesmiddelen als het gaat om dosering en kwaliteit.”

Het lijkt me een waarschuwing die duidelijk genoeg moet zijn om blauw glidkruid links te laten liggen.

Zilverkaars

Als je alle advertenties mag geloven (wat je dus beslist niet moet doen) dan helpt zilverkaars (Cimicifuga racemosa) bij allerlei overgangsklachten bij vrouwen. Het schijnt geheel veilig te zijn want het zit onder andere in de bekende producten Ymea en Famosan (van het kwakzalversbedrijf Vogel). Op de website van Ymea wordt gemeld dat zilverkaars ‘een heilzame plant is’ en ‘helpt bij overgangsverschijnselen, zoals opvliegers, nachtelijk transpireren, vermoeidheid, wisselende stemmingen, prikkelbare gevoelens, neerslachtige gevoelens en innerlijke onrust’. De zilverkaars ‘komt voor in Noord Amerika’. Uit betrouwbaar wetenschappelijk onderzoek blijkt dat alleen dat laatste een feit is dat op waarheid is gebaseerd, want zijn wortels staan inderdaad in het Noord-Amerikaanse continent.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Cimicifuga, is een combinatiewoord uit het Latijn. Cimicis zijn ‘kleine insecten’ en fugo heeft verschillende mogelijkheden: fugo (‘wordt gemeden door’), fugare (‘uitgebannen’) of fugatum (op de vlucht gejaagd). Samengevat is het dus een plantengeslacht dat insecten verjaagt door een afschrikwekkende geur af te scheiden. Het tweede deel, racemosa, komt van het Latijnse woord racemus dat ‘(druiven)tros’ betekende en de vorm van de bloemen beschrijft.

Nu op naar de veronderstelde werking van de zilverkaars. Uit onderzoek is aangetoond dat bij overgangsklachten een hormonale behandeling (oestrogeen) het allerbeste werkt. Bovendien vermindert de oestrogeen ook nog eens de botontkalking en verbeteren ze de cholesterolwaarden. Het vervelende is dat er heel soms ook ernstige bijwerkingen kunnen optreden, zoals een licht verhoogde kans op het ontstaan van trombose en borstkanker. Het lijkt dus een goed idee om eens rond te kijken of er een middel bestaat dat wel de voordelen, maar niet de nadelen van ‘de pil’ bezit.

De zilverkaars wordt aangeprezen als een volledig veilig en werkzaam middel dat vrouwen dus probleemloos kunnen slikken. De grauwe werkelijkheid is echter anders. De geclaimde werkzaamheid van zilverkaars bij overgangsklachten is nimmer aangetoond in onomstreden wetenschappelijke onderzoeken (gerandomiseerd en dubbelblind)[1]. De wetenschappers concuderen dat 'the evidence on efficacy for hot flashes is divided, with some benefits seen when compared with baseline, but not when compared with placebo'.

Over de effecten op de lange termijn was ook nog niets bekend toen het middel iets te optimistisch op de markt werd gezet. Ondertussen blijkt dat er wereldwijd en ook in Nederland een toenemend aantal gevallen van leverproblemen zijn ontstaan[2]. Die problemen varieerden van een ernstig gestoorde leverfunctie tot bepaalde vormen van hepatitis. Na het stoppen met het middel genazen de meeste patiënten.

Het advies luidt: Indien je huid geel en/of het wit van je ogen geel kleurt of je urine donker van kleur is ga dan direct naar de huisarts. Als die problemen met de lever constateert, stop dan onmiddellijk met het gebruik van het zilverkaars bevattende product. Indien je ooit leverproblemen hebt gehad, dan wordt het gebruik van zilverkaars zeker ernstig afgeraden. Maar aangezien zilverkaars vrijwel zeker niet helpt tegen opvliegers, zou je het alvast aan je huisarts moeten vertellen voordat je begint. Dan kan die het idee uit je hoofd praten.

[1] Fritz et al: Black cohosh and breast cancer: a systematic review in Integrative Cancer Research - 2014
[2] Enbom et al: Mechanism of hepatotoxicity due to black cohosh (Cimicifuga racemosa): histological, immunohistochemical and electron microscopy analysis of two liver biopsies with clinical correlation in Experimental and Molecular Pathology - 2014 

Canella (of Wilde Kaneel)

Canella (Canella winterana) is de enige soort binnen het geslacht Canella en dat maakt hem dus tamelijk uniek. Het is een tot tien meter hoge boom die inheems is in het Caraïbisch gebied, van zuidelijk Florida (USA) tot Barbados, een van de Bovenwindse Antillen. Op Jamaica, waar men kennelijk van overdrijven houdt, zegt men dat in de bergen de canella soms een hoogte van 15 meter kan bereiken. De boom heeft een giftige buitenbast die lichtgrijs van kleur is.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Canella, is een verkleinwoord van het Latijnse canna, dat via het oud-Griekse kanna (κάννα) en het Akkadisch qanû 'riet' betekent. Het verklaart het feit dat de binnenbast oprolt tot een rietvorm als het droogt. Het tweede deel, winterana, eert admiraal Sir William Wynter (1521-1589) die zich verdienstelijk maakte onder koningin Elizabeth I van Engeland en zich onderscheidde bij de slag waarbij de Spaanse Armada werd verslagen (1588).

De binnenbast van de canella ruikt en smaakt naar een combinatie van kaneel en kruidnagel. Deze specerij is behoorlijk pittig met een bijzonder bittere bijsmaak. In het Caraïbisch gebied wordt canella gebruikt als vervanger van kaneel, maar ook kun je het aantreffen in diverse plaatselijke en regionale alcoholische dranken. Bovendien wordt canello soms vermalen om samen met tabak gerookt te worden op dezelfde manier als de Indonesische kreteksigaretten. De bladeren zijn volgens sommige meldingen giftig, maar een tegengestelde melding zegt dat de bladeren op de Maagdeneilanden gebruikt worden om voedsel in te maken. Op Cuba staan de bladeren bekend als pica-pica, een beschrijving van de bijtende smaak. Een onderzoeker probeerde het eens uit, nam een klein hapje van een blad en ontdekte dat zijn lippen en tong voelden alsof deze in brand stonden.

De essentiële olie bevat 8 procent mannitol, een zogenaamd suikeralcohol, dat in de moderne geneeskunde een plekje heeft gevonden, onder andere als laxeermiddel. Een overdaad aan mannitol betekent echter ook een kans op behoorlijk bijwerkingen als hartfalen en nierproblemen. Gelukkig zal niemand teveel van die essentiële olie binnenkrijgen indien canella gebruikt wordt zoals het bedoeld is: als specerij.

Deze specerij staat verder bekend onder een aantal gerelateerde namen: cinnamon bark (kaneelbast), wild cinnamon (wilde kaneel) en white cinnamon (witte kaneel). Ook oude versies van de naam kunnen af en toe worden aangetroffen, zoals wild caneel en white caneel. Het is nog een overblijfsel van de activiteiten van de West-Indische Compagnie (1621-1792) dat de specerij rond 1700 naar Europa exporteerde.

Mandarijnschil (of Chen pi)

De mandarijn (Citrus reticulata) groeit aan een kleine boom die ooit alleen in China groeide. Zoete soorten ontstonden door natuurlijke selectie of door menselijk ingrijpen, maar zelfs wetenschappelijk onderzoek kan geen antwoorden op geven op de vraag welke van de twee het precies geweest is. Ik denk zelf een combinatie van de twee.
In een eerdere column besprak ik de gedroogde citroenschil, maar de Chinezen kunnen alles beter en doen dat ook al eeuwen langer. Chen pi, zoals het product in China wordt genoemd is een zongedroogde mandarijnschil welke traditioneel toegepast wordt als een smaakmaker in diverse gerechten en bovendien als medicijn wordt voorgeschreven. De smaak is in eerste instantie lichtzoet, maar de nasmaak is warm, pikant en bitter. Hoe langer je hem bewaard, hoe beter de smaak wordt.

De gedroogde mandarijnschil bevat een aantal essentiële oliën plus de vitamines B1, B2 en C.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Citrus, stamt allereerst uit het Grieks, waar met kitron (κιτριά) zowel het fruit als de boom werd bedoeld. Daarna niets. Mogelijk is de oorspronkelijke versie toch 'limoen' geweest, want dát kunnen we wel via het Persische limun naar wat Indische talen als het Tamil herleiden: elumiccai was 'limoen(boom)'. Het tweede deel, reticulata, is afkomstig uit het Latijn en betekent 'net'. Dat is natuurlijk niet omdat mandarijnen in een netje worden verkocht, maar omdat het witte spul, de albedo, als een netje om het vruchtvlees zit.

Het gebruik van gedroogde schillen voor de traditionele geneeskunst stamt al uit de Chinese Song Dynastie (960-1279 nChr). Met andere woorden: de Chinezen vonden meer dan duizend jaar geleden dat de schil van de mandarijn geneeskrachtige eigenschappen kon hebben. Gedurende de Ming (1368–1644 nChr) en de Qing (1644 to 1912 NChr) Dynastieën genoten gedroogde mandarijnschillen hun grootste populariteit. Het werd door handelslieden door heel China vervoerd vanuit de stad Xinhui in de Chinese provincie Guangdong. Het was één van de ingrediënten van Er Chen Tang (二陈汤), een beproefd medicijn tegen misselijkheid en hoest.

Voordat de gedroogde schil gebruikt kan worden dient deze eerst een half uurtje in koud water geweekt en afgespoeld te worden. Nadien wordt de witte laag, de albedo, voorzichtig van de oranje schil afgeschraapt.

Gedroogde mandarijnschil wordt gebruikt bij het bereiden van de oranje kip, een befaamd gerecht uit de Chinese provincie Hunan. Het kan ook eenvoudig worden toegevoegd bij andere gerechten en dranken, zoals pap, eend, duif, groene bonensoep, rode bonensoep, jam en zelfs wijn en thee.

Citroenschil

De citroen (Citrus limon) groeit aan een altijdgroene boom die inheems is in delen van Zuid-Azië, voornamelijk noordoostelijk India. Uit onderzoek is gebleken dat de citroen een natuurlijke hybride is van een bittere sinaasappel (Citrus x aurantium) en een cederappel (Citrus medica). De eerste citroenen arriveerden al rond het jaar 200 in zuidelijk Europa.
[Bron: Beacon Commodities]
De citroen wordt, zoals zoveel citrusvruchten, veel gebruikt in de sapindustrie en dus blijven producenten zitten met grote hoeveelheden schillen. In plaats van afval, zo zou je denken, zouden die schillen best als bron dienst kunnen doen van citroenrasp. Zo eenvoudig is het verhaal niet, omdat de meeste citroenen ooit behandeld zijn met een schimmelwerende was en het lijkt me niet een goed idee om dat te gaan gebruiken. Wat je dus nodig hebt zijn biologische citroenen.

Citroenrasp wordt traditioneel gebruikt in baksels als cakes, muffins, amandelspijs, boterkoek, vruchtenbrood of zelfs door de vulling van de appeltaart. Toch vindt citroenrasp tegenwoordig steeds meer zijn weg in recepten van marinades, groenten, kip, dressings, vis en rijst. Moderne keukenprinsen als Jamie Oliver zie je vaak nog even een citroen over een gerecht raspen om de smaak nog even te extra accent te geven.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Citrus, stamt allereerst uit het Grieks, waar met kitron (κιτριά) zowel het fruit als de boom werd bedoeld. Daarna niets. Mogelijk is de oorspronkelijke versie toch 'limoen' geweest, want dát kunnen we wel via het Persische limun naar wat Indische talen als het Tamil herleiden: elumiccai was 'limoen(boom)'. Het verklaren van het tweede deel is dus overbodig.

Je kunt de verse citroenrasp dus voor veel gerechten gebruiken, maar er is ook een markt voor de gedroogde citroenschil. Na de oogst blijven er altijd citroenen achter in de boom. Die worden in Zuid-Europa handmatig geplukt en geschild. Die schillen worden dan aan een lijn geregen en – afhankelijk van de weersomstandigheden – gedurende 3 tot 5 dagen in de zon gedroogd. De gedroogde schillen worden vaak eerst vermalen tot grove stukken. Die stukjes worden verkocht aan specerijenhandelaren die het in leuke potjes stoppen. Zelfs het vrijgekomen fijne gruis wordt lokaal verkocht als citroenpoeder.

Natuurlijk heeft de gedroogde citroenschil een ietwat andere smaak dan de verse. Toch blijkt dat er voor de meeste recepturen nog voldoende etherische olie resteert. Het is onderdeel van citroenpeper, maar ook als smaakmaker in vele merken gin is de gedroogde citroenschil onmisbaar. Na de jeneverbes uiteraard, want zonder jeneverbes zou er geen jenever of gin bestaan.

Glühweinkruiden

De oorsprong van Glühwein is grotendeels verborgen in de historie, maar zo af en toe ontdekken in de geschiedenis een glimp van de warme wijn. Voor Glühwein wordt veelal rode wijn gebruikt, al bestaan er recepten die gebruik maken van witte wijn. De wijn wordt op smaak gebracht met diverse specerijen, waaronder kaneel, kruidnagel, steranijs en kardemom. Soms worden citrusschillen of zelfs rozijnen toegevoegd.
Waarom is glühwein ooit ontstaan, zo kun je je afvragen. Het waren de Romeinen die op hun veroveringstochten door Europa vanuit het heerlijke Mediterrane klimaat naar Noord-Europa trokken en daar tot de ontdekking kwamen dat het weer daar in verhouding een stuk mistroostiger was. Van de herfst tot de daarop volgende lente was het er koud, klam en kil. De Romeinen konden dus zo af en toe wel een warme drank gebruiken. Omdat koffie, thee en cacao nog niet waren ontdekt was een warme wijn met verwarmende specerijen een perfecte oplossing. Natuurlijk werd de warme drank steeds populairder, zeker omdat het verschillende medicinale en zelfs lustverhogende effecten zou hebben.

De eerste meldingen over een gekruide en verwarmde wijn stammen daardoor uit de 2de eeuw. Romeinse schrijvers als Plinius de Oudere en Apicius schreven erover. Wat later ontdekken we een warme gekruide wijn met de naam vīnum Hippocraticum, hetgeen later verwaterde tot hippocras, hipocras of hypocras.

Een Engels kookboek uit 1390, The Forme of Cury, bevat een recept 'Pur fait Ypocras' ('Om hippocras te maken') en meldt dat kaneel, gember, laos, kruidnagel, lange peper, nootmuskaat, marjolein, kardemom en paradijskorrels ('spykenard de Spayn' – rozemarijn kan als vervanging dienen) dienen te worden vermalen. De mix wordt gemengd met rode wijn en suiker.

Omdat de glühwein door de Romeinen vooral in de barre Noord-Europese wintermaanden werd gedronken, ontstond ongemerkt een traditie. In veel landen werd de glühwein daardoor alleen rond Kerstmis gedronken. Drink je hem rond Sinterklaas dan noemen we diezelfde wijn bisschopswijn. De Britten hebben hun mulled wine. In Scandinavië bestaat diezelfde traditie ook, al heet het brouwsel daar gløgg (Noors en Deens), glögg (Zweeds en IJslands) glögi (Fins en Estlands). Daar wordt de drank op 13 december veel gedronken op het Luciafeest, de naamdag van de heilig Sint Lucia. Het interessante is dat Lucia nimmer een échte heilige is geweest: Lucia is afgeleid van het Latijnse woord Lux ('licht'). Het is een heidens feest in een Christelijk jasje.

Mocht je ooit op wintersport geweest zijn dan is het mogelijk dat je in de Franse Alpen een vin chaud ('warme wijn') kreeg geserveerd. Een warme rode wijn, gekruid met honing, kaneel en sinaasappelschillen.

Chai thee

Als je wat teveel luistert naar hippe food bloggers of gezondheidswebsites, dan kom je soms van een koude kermis thuis. Want die schrijven ook maar gewoon over wat anderen eerder hebben verzonnen. Een voorbeeld van dergelijke naschrijverij is chai thee, dat algemeen wordt beschreven als gezond en bestaat uit 'zwarte thee, melk, een zoetmaker en specerijen'. Zie wat hier gebeurt: suiker is in de wereld van gezond eten, de strijd tegen obesitas en te weinig bewegen iets wat te allen tijde vermeden hoort te worden. Om chai thee gezond te laten lijken wordt de term 'suiker' vervangen door het onschuldiger lijkende 'zoetmaker'.
Chai thee is oorspronkelijk afkomstig uit India en wordt daar masala chai ('gekruide thee') genoemd. Het woord 'chai' is een afgeleide van het Chinese woord cha (茶), wat 'thee' betekent. De letterlijke vertaling van 'chai thee' is dus 'thee thee'.

Traditioneel wordt masala chai gemaakt door zwarte theeblaadjes te koken, samen met groene kardemompeulen, kaneelstokjes, gemalen kruidnagelen, gemalen gember en zwarte peperkorrels. Gewoonlijk wordt zwarte thee uit de noordoostelijke Indiase provincie Assam gebruikt, want die is lekker sterk van smaak. De specerijenmix noemt men in India karha, maar het recept van dit mengsel ligt niet vast. Iedere familie heeft z'n eigen versie van die karha en dus smaakt in India de masala chai ook nooit hetzelfde.

In India wordt masala chai met buffelmelk gedronken, maar het is buiten dat land geaccepteerd dat koeienmelk ook mag. De masala chai moet gezoet worden en iedere vorm van suiker is daarbij toegestaan, want in India vindt men dat de suiker de smaak van de specerijen versterkt.

Maar nu masala chai als chai thee ook in ons land populair aan het worden is, hebben melangeurs van thee ook bedacht dat chai thee in een theebuiltje de moderne consument zou aanspreken. De meeste bedrijven brengen nu een versie op de markt die veel op de oorspronkelijke masala chai lijkt, al dien je zelf nog de melk en de suiker naar je eigen smaak toe te voegen.

Maar sommige producenten voegen ook alvast de 'zoetmaker' toe om de pittige, warme smaak van de specerijen wat te verzachten voor de moderne verwende consument. Het gevolg daarvan is dat er in je prijzige chai thee, die je zojuist bestelde in een flitsende en nèt geopende koffie- of theetent, wel voor 50% uit suiker kan bestaan.
Zelfs Douwe Egberts buigt voor de wens van de consument, want haar Spicey Chai is niet gemaakt van sterke zwarte thee uit Assam, maar van saaie Rooibos, wat geen thee en geen chai is. Een veel beter alternatief is Chai Tea Mix van Green Gypsy. Gewoon een theelepeltje van het specerijenmengsel door je zwarte thee mixen. Klaar.

Narduskruid

Narduskruid (Nardostachys jatamansi) is een kruid binnen de Valeriaanfamilie en wordt soms valse valeriaan genoemd. Dit kruid groeit op grote hoogten in delen van de Himalaya. Denk dan aan zuidwestelijk China, Nepal, Sikkim (in 1975 ingepikt door India), Bhutan, Tibet (ingepikt door China in 1950), oostelijk Afghanistan en het noorden van India. Narduskruid groei op tot een meter hoog, wat in de barre omstandigheden in zijn bergachtige omgeving een behoorlijke prestatie moet zijn. Hij bloeit met roze klokvormige bloemen.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Nardostachys, is een combinatiewoord uit het Grieks, waar nardos (νάρδος) uiteindelijk geleend is uit de oeroude Indiase taal het Sanskriet. Daar betekende naladam ook 'honing' of 'nectar van een bloem'. Stachys is ook Grieks en is afgeleid van stachus (στάχυς), wat 'aar (van graan)' betekent. Samen kunnen we dat dus vertalen als 'de bloem lijkt op een aar'. Het tweede deel, jatamansi, is een combinatiewoord uit het Sanskriet: jata is het verstrengelde of opgestoken haar, zoals het wordt gedragen door de hindoegod Shiva of personen in de rouw. Het verwijst ook al naar vezelachtige wortels. Mansi is een afgeleide van een woord dat 'vlees' betekent. Samen beschrijft het de harige, vlezige wortels.

In het Engels wordt deze plant spikenard genoemd en dat is tegelijkertijd de naam van de etherische olie die uit de wortels gedestilleerd kan worden. Al sinds onheuglijke tijden wordt die welriekende amberkleurige essentiële olie gebruikt in exotische wierrookrecepten, als ingrediënt voor parfums en in de oosterse geneeskunst (ik zeg maar niet 'geneeskunde').

Al rond het begin van de jaartelling werd narduskruid vanuit India naar het Midden-Oosten geëxporteerd, samen met vele andere specerijen. In oude teksten uit die tijd, waaronder de Bijbel, worden rituelen beschreven waarin deze olie wordt uitgegoten over het hoofd, zoals in Marcus, hoofdstuk 14, vers 3: 'En als Hij te Bethanië was, in het huis van Simon, den melaatse, daar Hij aan tafel zat, kwam een vrouw, hebbende een albasten fles met zalf van onvervalsten nardus, van groten prijs; en de albasten fles gebroken hebbende, goot die op Zijn hoofd'.

Narduskruidolie was in die tijd behoorlijk prijzig en er waren nogal wat mensen die het verspillen van die olie door het op een hoofd (Zijn hoofd) uit te gieten maar verspilling vonden.

In Romeinse gerechten kwam narduskruid met enige regelmaat voor, al diende het vanwege de sterke, overheersende smaak met mate te worden toegepast. Nog in de Middeleeuwen werd narduskruid in Europa gebruikt om gerechten te kruiden. Omdat het kruid tegenwoordig in zijn oorspronkelijke habitat met uitsterven bedreigd wordt zou ik persoonlijk kiezen voor valeriaan.

Black Mitcham peppermint

Officieel heet de Black Mitcham peppermint Mentha x piperita 'Black Mitcham'. De Mentha x piperita is een natuurlijke kruising tussen watermunt (Mentha aquatica) met aarmunt (Mentha spicata), een kruising die wij 'pepermunt' noemen. Van de pepermunt bestaan een aantal cultivars en eentje daarvan is de Black Mitcham, die in Nederland soms de naam Engelse zwarte munt draagt. Deze cultivar werd voor het eerst omstreeks 1750 rond de plaats Mitcham ontdekt. Nu is de plaats deel van zuidwest Londen, maar vroeger werden daar op uitgestrekte velden de beste kwaliteit munt en lavendel geteeld.
De naar donkerpaars neigende bladeren geven deze cultivar zijn naam. Ze ruiken sterk naar pepermunt en hij bloeit in de zomermaanden met roze tot paarse bloemen.

Ooit verbouwden Engelse boeren een speciale varieteit munt, Black Mitcham peppermint, maar de Tweede Wereldoorlog maakte een eind aan die teelt. Alle beschikbare grond moest ingezet worden voor de productie van voedsel. De U-boten van de Duitse Kriegsmarine torpedeerden veel te veel vrachtschepen en er ontstond voedselschaarste.

Na de oorlog was voedsel in Engeland ook nog bijna een decennium schaars en veel voedingsmiddelen waren op de bon. Geen wonder dat akkerbouwers weinig zin hadden om Black Mitcham peppermint, een luxeproduct, te gaan verbouwen. Deze muntsoort verdween simpelweg uit het Engelse landschap en werd later ietwat gemakzuchtig vervangen door de 'gewone' pepermunt.

Tot Sir Michael Colman (1928) in 1993 met pensioen ging. Hij was directeur geweest van, onder andere, het bedrijf dat Colman mosterd maakt en dat intussen door Unilever is ingelijfd. In plaats van rustig te gaan rentenieren op zijn landgoed van meer dan 800 hectare, besloot hij rond 1995 Black Mitcham peppermint nieuw leven in te blazen.

Dat bleek echter niet eenvoudig, want zaden waren in Engeland niet meer te krijgen en ook de teeltprocessen waren vergeten. Uiteindelijk kon men zaad uit Amerika aankopen, maar toen bleek dat de Black Mitcham peppermint een heel andere aanpak vereiste dan de reguliere pepermunt. De laatste groeit zo gemakkelijk op iedere bodem dat hij vaak als lastig te bestrijden onkruid wordt gezien. Colman stuurde zelfs personeel naar de Verenigde Staten om het vak opnieuw te leren.
Maar tegenwoordig produceren ze op Summerdown Farm in het zuidoosten van Engeland een fantastische kwaliteit Black Mitcham peppermint. De olie is frisser, intenser dan de soms wat bitterder olie van de 'gewone' pepermunt. De meeste olie wordt verkocht aan de Franse parfumindustrie, maar ook aan diverse producenten van voedingsmiddelen. Zelf gebruikt Colman het in een serie producten als muntthee en zoetwaren.