Verfkamille (of Gele kamille)

Verfkamille (Cota tinctoria) is een Euraziatische composiet die historisch werd geteeld als bron van gele kleurstoffen. De soort behoort tot de Asteraceae, is geen familielid van de kamille (Matricaria chamomilla) en vormt meerjarige, halfhoutige pollen met diep ingesneden, aromatische bladeren. De bloemhoofdjes bestaan uitsluitend uit gele lint- en buisbloemen; een witte straalkrans ontbreekt. De plant is inheems in Zuid- en Zuidoost‑Europa en West‑Azië, maar is door cultuur en verwildering wijd verspreid geraakt in gematigde zones. Vakbladen, die niet met hun tijd zijn meegegaan, gebruiken nog de wetenschappelijke naam Anthemis tinctoria.
De stengels zijn rechtopstaand, 20 tot 60 centimeter hoog, en vertakken vooral in het bovenste deel. De bladeren zijn geveerd. De bloei vindt plaats van juni tot september. De vrucht is een kaal, geribd nootje zonder pappus. De soort prefereert droge, stikstofarme bodems en is goed aangepast aan hoge instraling en periodieke droogte. In Noordwest‑Europa gedraagt zij zich meestal als kortlevende vaste plant.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Cota, gaat terug op het Oudgriekse kotýlē (κοτύλη), dat 'holte', 'kom' of 'schaal' betekende. De bladvoet vormt een komvormige holte bij soorten van dit geslacht. Het tweede deel, tinctoria, is verwant aan 'tinctuur', wat nu een alcoholische oplossing is, maar ooit betekende het Latijnse tīnctūra 'kleuren' of 'inkleuren'.

De kleurstoffen in de verfkamille behoren voornamelijk tot de flavonen. De dominante verbinding is luteoline (5,7,3’,4’-tetrahydroxyflavon), aangevuld met apigenine (5,7,4’-trihydroxyflavon) en kleinere hoeveelheden quercetagetine‑derivaten. Deze flavonen bevinden zich vooral in de bloemhoofdjes, met concentratiepieken vlak voor volledige anthese, het eind van het knopstadium tot het begin van het verwelken. De totale flavonoïdenfractie varieert afhankelijk van standplaats, lichtintensiteit en bodemtextuur.

Op wol met als 'bindmiddel' aluin (aluin‑gemordant) levert de verfkamille een stabiel, warm geel, kenmerkend voor luteoline. De lichtvastheid is matig tot goed, iets lager dan die van wouw (Reseda luteola), maar hoger dan die van veel andere historische gele planten. Met ijzersulfaat verschuift de kleur naar olijf‑ en mosgroen door complexvorming tussen Fe²⁺/Fe³⁺ en de catecholische groepen van de flavonen. Combinatieverven met indigo of meekrap leveren respectievelijk donkergroene en oranje‑ tot roesttinten.

Verfkamille wordt al sinds de oudheid toegepast als bron voor kleurstof. In middeleeuwse verfrecepten verschijnt zij onder namen als bastard chamomile, dyer’s chamomile en gelbe Anthemis. De plant werd vooral gebruikt voor wol en tapijten, minder voor linnen vanwege de lagere affiniteit van flavonen voor cellulose. In de 18e en 19e eeuw bleef zij een goedkope, lokaal beschikbare gele kleurstof, totdat synthetische aniline‑kleurstoffen haar verdrongen.

Hoewel commercieel niet meer van belang, wordt de verfkamille tegenwoordig weer onderzocht in de context van duurzame kleurstoffen. De hoge opbrengst per vierkante meter, de droogtetolerantie en de relatief eenvoudige extractie maken de soort interessant voor kleinschalige ecologische textielproductie.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten