De jambolan (Syzygium cumini) staat in Engelstalige landen ook bekend als Java plum ('Javapruim'), Malabar plum ('Malabarpruim') of black plum ('zwarte pruim'). Deze soort is inheems in India, op Sri Lanka, in Myanmar en op de Andamanen. De plant is geïntroduceerd in tropische gebieden in Zuidoost-Azië, Australië, Zuid-Amerika, de Caraïben, waaronder Suriname, en Hawaï.
De jambolan vertoont zich aan de wereld als een tot 30 meter hoge boom met hangende takken. De aromatisch geurende bladeren zijn rozeachtig als ze jong zijn en veranderen in een leerachtige, glanzende donkergroene kleur met een gele nerf naarmate ze rijpen. De bladeren worden gebruikt als veevoer, omdat ze een goede voedingswaarde hebben. De bloeiwijze is een dichte pluim met kleine witte bloemen met een paarse rand. Na de bloei ontstaan ovale glanzende, blauwzwarte eetbare bessen die tot drie centimeter in lengte zijn. Deze vruchten groeien in trossen van een paar tot veertig stuks. Gedurende het rijpingsproces verkleuren de vruchten van groen naar roze en vervolgens naar donkerpaars tot bijna zwart.
Deze soort heeft verschillende beroemde familieleden, waaronder de kruidnagel (Syzygium aromaticum) en de anijsmirte (Syzygium anisatum).
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Syzygium, is afgeleid van het Oudgriekse woord suzúgios (συζύγιος), wat 'verbonden' of 'verenigd' betekent. Het verklaart de bloeiwijze. Het tweede deel, cumini, is ook al afkomstig uit het Oudgrieks, waar kúmīnon (κύμῑνον) 'komijn' betekende. De bladeren geuren ietwat naar komijn.
Zoals gezegd zijn de blauwzwarte vruchten zijn eetbaar, maar ze hebben een wat wrange smaak. Uitgeperst sap wordt in Suriname soms vergist wordt tot een knalroze, licht alcoholische drank, jamoenwijn genoemd. Volgens Arawaks, inheemse 'Indianen' in het Caraïbisch gebied, 'geven de vruchten je meer bloed'[1]. De drank wordt tevens aangeraden bij buikpijn en darmproblemen.
Javanen koken de vruchtschillen in regenwater en drinken het afkooksel tegen bloed spuwen. Een thee van de bladeren (en soms ook de bast, de zaden of de bloemen) drinkt men bij suikerziekte ofwel sukru siki. Fijngestampte jamoenzaden een goed middel tegen spanning, nervositeit en bedplassen bij kinderen. Bij een bloedende snijwond wordt het binnenste deel van de verse jamoenbast wordt afgeschraapt en met een lapje op de wond gebonden. Elke twee dagen moet het kompres worden verschoond, na dat eerst de wond is schoongemaakt.
Een afkooksel van de bast of het sap van jonge bladeren drinkt men tegen diarree en dysenterie. Het binnenste van de bast wordt ook afgeschraapt, getrokken in water en gedronken bij buikpijn. De jamoen bevat veel looizuur, vandaar dat vrouwen in het binnenland het blad of de bast gebruiken bij genitale stoombaden. Vlak na de bevalling nemen ze een heet zitbad met dit afkooksel en binden ze een doek strak om hun buik. Volgens gebruiksters wordt je buik hiervan snel weer plat, je verliest overtollig vocht, je baarmoeder krimpt weer tot zijn oorspronkelijke vorm en 'al het vuil komt eruit'.
Veel Hindoes beschouwen jambalan als het fruit van de goden, omdat de mythologische koning en godheid Rama 14 jaar lang in het bos wist te overleven door het eten van de jamoenvruchten, toen hij uit Ayodhya was verbannen. Mogelijk wordt Rama daarom vaak afgebeeld met een blauwe huidskleur.
[1] Van Andel, Ruysschaert: Medicinale en rituele planten van Suriname - 2011



Geen opmerkingen:
Een reactie posten