Berenklauw

Berenklauwen komen tegenwoordig overal voor. Ooit groeiden ze alleen van Oost-Europa tot aan Zuidoost-Azië. Ook in Noord-Amerika komt een locale soort voor. Ergens in de negentiende eeuw als tuinplant in Noordwest-Europa geïntroduceerd. Tijden veranderen en de berenklauw wordt tegenwoordig nergens meer aangeplant omdat hij niet meer past in de huidige kijk op het inrichten van onze tuin. Zij verspreiding is afhankelijk geworden van te weinig gemaaide bermen. En die zijn er meer dan voldoende omdat vooral Rijkswaterstaat nauwelijks meer wat aan de noodzakelijke bestrijding wil doen.
Een aantal van de in totaal 70 verschillende soorten kunnen tot meer dan twee meter hoog reiken. Wat ze echter allemaal gemeen hebben is het vermogen om fytofotodermatitis te veroorzaken. Dat is een acute, meestal blaarvormende ontsteking van de huid veroorzaakt door het toxische effect van gelijktijdig zonlichtblootstelling én contact met bergapten, het stofje dat in de stengels en besjes van alle berenklauwen (én grapefruitsap) voorkomt.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Heracleum, betekent Heracles, de Griekse vorm van de Romeinse god en held Hercules. Een passende naam voor die schijnbaar onverwoestbare en (soms) gigantische planten.

Hoewel iedereen met een grote boog om de berenklauwen heen hoort te lopen zijn er toch enkele gerechten die met de berenklauw kunnen worden bereid. Borscht is een traditionele soep met rode biet in Oost-Europa. Borscht wordt in alle Oost-Europese landen gegeten en kan zelfs op het menu staan in delen van Turkije, waar het borç genoemd wordt.

Hoewel borscht een traditionele soep genoemd kan worden, bestaat er geen vastomlijnd recept, al zullen rode bieten tegenwoordig vrijwel altijd een hoofdrol spelen. Het woord Poolse woord borscht stamt af van het Russische woord borshch, dat ‘berenklauw’ betekent. In tijden van pure armoede, waarin rode bieten nog niet beschikbaar waren, werden jonge scheuten van de berenklauw als basis voor de soep gebruikt.

Wanneer de zaden gekneusd worden, komt er een sterke geur van komijn vrij. In diverse Zuid-Aziatische landen worden deze geurige zaden met tomaten vermalen tot een pasta. Die wordt als fris bijgerecht gegeten bij gekookte groenten.

In de Nepalese volksgeneeskunst wordt ook gedacht dat de zaden zouden kunnen helpen bij diverse maagproblemen. Van de wortels wordt gezegd dat ze de klachten van hoofdpijn, lepra en neurologische stoornissen kunnen verminderen en bovendien bloedstelpend zijn. De vruchtjes wordt toegepast als middel tegen typhus, misselijkheid en overgeven.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten