Rotspurperslak

De rotspurperslak (Stramonita haemastoma) behoort tot de familie van de stekelhorens en staat bekend als een van de zeeslakken waaruit in de oudheid een kostbare paarse kleurstof werd gewonnen. Hoewel deze soort minder bekend is dan de klassieke purperslak (Bolinus brandaris), speelde zij eveneens een belangrijke rol in de productie van het legendarische Tyrische purper, een kleur die eeuwenlang was voorbehouden aan vorsten, hoge geestelijken en leden van de absolute elite.
De rotspurperslak heeft een stevige, dikwandige schelp die doorgaans vijf tot acht centimeter lang wordt. De kleur varieert van lichtbruin tot grijsachtig wit, vaak voorzien van donkere banden of vlekken. De soort dankt haar Nederlandse naam aan haar voorkeur voor rotsachtige kustgebieden. Met haar krachtige rasptong en een zuurhoudend afscheidingsproduct boort zij gaten in de schelpen van mosselen, oesters en andere weekdieren, waarna zij haar prooi kan opslurpen consumeren.

Het verspreidingsgebied van de rotspurperslak omvat de Middellandse Zee, de Zwarte Zee, alsmede oostelijke en westelijke delen van de Atlantische kust. De dieren leven vooral in de getijdenzone en op ondiepe rotsbodems, waar voldoende voedsel beschikbaar is. In sommige regio's wordt de soort nog steeds regelmatig aangetroffen, hoewel historische exploitatie en veranderingen in kustecosystemen lokaal invloed hebben gehad op de populaties.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Stramonita, stelt taalkundigen voor een raadsel. Mogelijk is het woord afgeleid van het Oudgriekse Strumṓn (Στρυμών), dat via 'rivier' en 'stroom' ook 'stromen' heeft betekend. Het tweede deel, haemastoma, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar haîmă (αἷμᾰ) 'bloed' betekende en stóma (στόμα) 'mond'.

De historische betekenis van de rotspurperslak ligt natuurlijk vooral in die bekende kleine klier in het mantelgebied van het dier. Deze zogenaamde hypobranchiale klier produceert kleurloze verbindingen die pas na blootstelling aan licht en zuurstof een reeks kleuren kunnen ontwikkelen, die variëren van blauw en violet tot diep purper. Het eindproduct bevat onder meer dibroomindigo, een uiterst stabiel pigment dat nauwelijks verbleekt.

De winning van de kleurstof was een uiterst arbeidsintensief proces. Vooral slaven doken tot tientallen meters diep om de schelpen te oogsten. Duizenden slakken waren nodig om een relatief kleine hoeveelheid verf te produceren. De klieren werden verzameld, verwerkt en vervolgens gefermenteerd in grote kuipen.

De populatie rotspurperslakken in het oostelijke deel van de Middellandse Zee, die daar ooit talrijk was, stortte begin 21e eeuw in en was tegen 2016 volledig verdwenen (not a single live individual was recorded). Het water was er te warm geworden om te kunnen overleven[1]. Een gevolg van de opwarming van de aarde.

[1] Gilov: Multi-species collapses at the warm edge of a warming sea in Scientific Reports – 2016. Zie hier.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten