Purperslak

Na mijn columns over de brandhoren (Bolinus brandaris) en de gestreepte zeeslak (Hexaplex trunculus), waaruit in een ver verleden aan de kusten van de Middellandse Zee extreem prijzige kleurstoffen werden geproduceerd, kan ik me voorstellen dat je verzucht: waarom konden wij dat hier in Noordwest-Europa niet? Ik kan de lezer geruststellen, want onze voorouders konden het wel degelijk en de bron van die kleurstof was de purperslak (Nucella lapillus) Het is een in zee levend slakje dat voorkomt in de Noordzee en de noordelijke Atlantische Oceaan. Het diertje is een geduchte jager. Hij raspt met zijn tong een gaatje in de schelp van een ander weekdier en spuit een 'oplosmiddel' naar binnen, waardoor de prooi oplost. Het slachtoffer 'drinkt' hij op.
Purperslakken kunnen zo'n 45 millimeter groot en tot zes jaar oud worden. De kleur van zijn huis kan variëren van wit, geel tot donkerbruin. Soms is de schelp getooid met twee of drie brede kleurbanden of meerdere veel smallere kleurstrepen tussen de spiraalgroeven. De soort leeft op een harde ondergrond, zoals stenen of mosselbanken, in het getijdezone tot vlak onder de laagwaterlijn. Regelmatig spoelt er eentje aan op Nederlandse stranden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Nucellus, is een onregelmatig verkleinwoord van het Latijnse nux ('noot'). Het verklaart de vorm van de schelp. Het tweede deel, lapillus, is ook al van Latijnse herkomst, waar lapis 'steen' betekent en de favoriete ondergrond van dit zeeslakje beschrijft.

Precies zoals zijn Mediterrane soortgenoten kan ook de purperslak ingezet worden voor de productie van roodpaarse en violette kleurstoffen. De Engelse monnik Bede (672-735) schreef in zijn 'Ecclesiastical History of the English People' (732) al dat 'whelks are abundant, and a beautiful scarlet dye is extracted from them which remains unfaded by sunshine or rain; indeed, the older the cloth, the more beautiful its colour'. Op diverse plaatsen in het Verenigd Koninkrijk, Ierland en de Atlantische kusten van Frankrijk zijn bergen kapotte schelpen van de purperslak gevonden, een aanwijzing dat zich daar productielocaties voor de kleurstof moeten hebben bevonden.

Ook de purperslak heeft een kliertje dat een heldere vloeistof afscheidt dat, wanneer het aan zonlicht wordt blootgesteld, eerst tot lichtgroen verkleurt, dan diep grasgroen, vervolgens blauw om uiteindelijk een roodpaarse kleur te krijgen. De kleur werd daarop met citroensap (of een ander zuur) gefixeerd. De kleurstof kon zelfs direct op de kleding worden aangebracht. Het grote probleem was dat de drager van die peperdure purperkleurige mantel altijd omringd werd door een extreem vissige geur.

Maar in de Middeleeuwen was persoonlijke hygiëne nog niet een belangrijk punt en dus riekte iedereen extreem onfris. Een sterke visgeur viel vermoedelijk in het niet bij de rest van de onaangename lichaamsgeuren.

Rond cypergras

Rond cypergras (Cyperus rotundus) heeft een aantal familieleden, waarvan er eentje beroemd is en de meeste andere berucht. Het beroemde broertje is papyrusriet (Cyperus papyrus), waarvan men in Egypte al rond 3100 vC papier van wist te maken. Zelfs ons woord 'papier' stamt daarvan af. Berucht bij ons akkerbouwers zijn de knolcyperus (Cyperus esculentus) en bleek cypergras (Cyperus eragrostis). Beide zijn vervelende exoten.
Rond cypergras is inheems in noordelijk Afrika, Zuid- en Centraal Europa en Zuid-Azië. Je ziet dat dit tevens de gebieden zijn waar de beschaving van de mens zich vroeg ontwikkelde. Rond cypergras houdt van droge omstandigheden, maar weet zich ook te handhaven in een wat vochtige ondergrond. Deze soort is een vaste plant die tot meer dan een meter hoog kan opgroeien. Bladeren ontspruiten aan de basis van de ronde steel. De wortel hebben een nootachtige structuur, vandaar dat men dit geslacht in Engelstalige landen nut grass noemt. Je mag hem een grassoort, rietsoort of zeggesoort noemen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Cyperus, is afgeleid van het Oudgriekse woord kyperos (κύπερος), wat 'zegge' betekende. Het tweede deel, rotundus, is Latijns en betekent 'rond' met als oorsprong rota ('wiel').

Archeologen denken dat rond cypergras misschien wel miljoenen jaren geleden op het menu kan hebben gestaan van de eerste mensachtigen die de aardbol bevolkten. Men heeft in ieder geval sporen van deze plant gevonden in tanden van mensen die 6700 vChr in Soedan leefden[1]. De bitter smakende wortel van deze soort is rijk aan koolhydraten en zelfs nu wordt hij in sommige streken nog ingezet als voedingsmiddel in tijde van schaarste.

Het consumeren van dit cypergras kan ook de reden zijn, zo denken wetenschappers, dat in die regio eeuwenlang weinig echt slechte gebitten zijn aangetroffen. Rond cypergras heeft namelijk een lichte antibacteriële werking.

Die kennis was al vroeg wijdverspreid, want in het oude Egypte, het Klassieke Griekenland en elders in de regio werd rond cypergras ingezet als een aromatische plant en om water te zuiveren. Oude Griekse geneesheren gebruikten het zowel als parfum en als medicijn.

In de Indiase Ayurveda, een verzameling van kwakzalversideeën, denkt men dat rond cypergras onder de naam musta moola churna, kan helpen bij een hele verzameling niet-gerelateerde gezondheidsklachten, waaronder koorts, maag- en darmproblemen, dorst en een pijnlijke menstruatie.

Arabieren roosterden de knollen en gebruikten de gloeiend hete wortels (of de as daarvan) om wonden te ontsmetten, om blauwe plekken te verhelpen en om puisten laten 'verdwijnen'.

[1] Buckley et al: Dental calculus reveals unique insights into food items, cooking and plant processing in prehistoric central Sudan in PloS One – 2014. Zie hier.

Indische heliotroop

De Indische heliotroop (Heliotropium indicum) is een tot een meter hoog kruid, die bezet is met stijve witte, afstaande haren. De bladeren zijn dun en slap. Bloeiwijze een eindstandige, tot 30 cm lange schicht, met een opgerold uiteinde. Het heeft kleine witte of paarse bloemen met groene kelkblaadjes.
Officieel is de Indische heliotroop een tropisch gewas in Azië, maar hij heeft zich als onkruid wereldwijd over de tropen verspreid. Ook in Suriname is hij regelmatig aangetroffen en daar heeft hij een aantal locale namen gekregen, waaronder kaka foo kankan ('hanekam') en isriwiwiri ('ijzerkruid'). Deze soort komt algemeen voor in grasvelden, open vegetatie of zandige grond in het kustgebied van onze voormalige kolonie.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Heliotropum, is afkomstig uit het Oudgrieks, waar helios (Ἥλιος) 'zon' betekent en trepein (τρέπειν) 'draaien'. Samen is dat dus: 'naar de zon draaiend' en het beschrijft het niet altijd juiste idee dat de bloemen zich naar het zonlicht richten. Het tweede deel, indicum, betekent '(uit) India'.

In Suriname hebben ze nogal wat toepassingen voor dit kruid verzonnen. Het sap van gestampte bladeren wordt met een gelijke hoeveelheid plantaardige olie gemengd. Een eetlepel hiervan wordt ingenomen tegen bronchitis. Tegen astma worden de gedroogde bladeren gerookt, puur of vermengd met tabak. Ook thee van dit kruid drinkt men tegen astma. De thee van 14 bladeren per liter water schijnt de urinelozing te bevorderen, zweren in de mond te genezen en ‘het bloed te verkoelen’. Kookt men de wortels van de plant ook mee, dan worden drie eetlepels per dag van de thee ingenomen tegen ingewandswormen. Anderen vermelden het gebruik van de plant tegen zweren en dysenterie. Extracten van de plant hebben wondhelende eigenschappen.

Volgens Surinamers is de Indische heliotroop een ‘krachtige toverplant’ die met wat olie op de huid wordt gewreven om geluk te brengen. Het plantje wordt ook verwerkt in een magisch smeersel dat plaatselijk bekend staat als ‘bakra-opo’.

Deze geparfumeerde kruidenzalfjes werden in het verleden gebruikt om de blanke gezagsdragers (politie, rechters, werkgevers en leraren) te kunnen beïnvloeden. Marrons smeerden zich vroeger goed in met dit soort smeersels als ze naar de stad reisden voor zaken. Hoewel Suriname nu niet meer door blanken geregeerd wordt, worden bakra-opo’s toch nog steeds vervaardigd, ‘om net zoveel geluk in het leven te krijgen als blanken altijd hadden’, aldus een van de verkopers. Onder Indianen in Guyana zijn deze bakra-opo’s ook populair, vooral om boze geesten weg te jagen.

Het is eigenlijk jammer om te weten dat dit kruid ook behoorlijke hoeveelheden kankerverwekkende pyrrolizidine alkaloïden bevat.

Bron: Tinde van Andel en Sofie Ruysschaert: Medicinale en Rituele Planten van Suriname - 2011

Gestreepte zeeslak (of Ḥillazon)

Eerder hebben we hier de brandhoren (Bolinus brandaris) als een soort zijweg in onze serie over kruiden en specerijen beschreven. De brandhoren leverde een kostbare purperen tot paarse kleurstof, waarmee de gewaden van de elite van die tijd werden ingekleurd.
Een familielid van de brandhoren was de gestreepte zeeslak (Hexaplex trunculus). Ik geef toe dat hij tot nu toe geen officiële Nederlandse soortnaam bezit, maar gestreepte zeeslak is een redelijke vertaling van zijn Engelstalige naam banded dye-murex. In de Joodse religeuze geschriften wordt de bron Ḥillazon genoemd.

In tegenstelling tot de purperen kleurstof van de brandhoren kon men vroeger uit deze zeeslak een paarsblauwe kleurstof winnen. Om je een indruk te geven: de kleur lijkt op die van spijkerbroeken. Nu wordt die kleur eenvoudig op chemische wijze geproduceerd, maar in vervlogen tijden was het een gevaarlijk en tijdrovend proces.

De gestreepte zeeslak heeft een ruw, bijna tolvormig uiterlijk waarover duidelijk zichtbare donkere strepen lopen. De schelp is zo'n 4 tot 10 centimeter lang en is vaak met algen begroeid om hem onzichtbaar te maken. Deze slakkensoort is een opportunistische jager en jaagt zelfs in groepen op prooien. Deze soort leeft in de Middellandse Zee en de wat warmere kusten van de Atlantische Oceaan. Hij is eetbaar en in Portugal is het een delicatesse.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Hexaplex, is een combi uit het Latijn, waar hexa 'zes' betekent en plectō zoiets als 'omwikkelen'. Het beschrijft de donkere strepen, al heeft hij er gewoonlijk zeven en geen zes. Het tweede deel, trunculus, is ook al Latijn en is afgeleid van het woord trunca, dat 'gemangeld' of 'gemutileerd' betekende. Het beschrijft de vorm van de schelp.

Net als de brandhoren werd er uit een kliertje van de gestreepte zeeslak vroeger een substantie gewonnen, dat onder invloed van zonlicht oxideerde van zwart, via groen tot blauwpaars. Het had ooit de naam Tyreens paars (naar de havenstad Tyrus) of tekhelet (in het Hebreeuws). Er waren 10,000 tot 12,000 gestreepte zeeslakken nodig om een enkele gram kleurstof te winnen.

Het probleem is dat het exacte productieproces verloren is gegaan. Dat is de schuld van de Romeinen. Alle kleuren op basis van weekdieren waren zo prijzig dat Romeinse keizers een keizerlijk monopolie instelden. Zelfs nu weet men nog niet precies hoe die prachtige blauwpaarse kleur behouden blijft. Dat is een probleem voor de zeer traditionele Joodse gelovigen. Aan de hoeken van hun gebedssjaal dienden, volgens de Torah, kwastjes (tzitzit) te hangen met vier draden die ingekleurd waren met tekhelet.
Recent hebben Israëlische wetenschappers ontdekt dat de gestreepte zeeslak inderdaad de bron was van die zo gewilde kleurstof. Chemici hebben de reactie ontrafeld: onder invloed van zonlicht verandert de roodkeurige 6,6'-dibromoindigo in de afscheiding van de slak in een mix van blauwpaarse 6-bromoindigo.

Meer info kan hier gevonden worden.

Meisjesogen

Met een naam als meisjesogen (Coreopsis tinctoria) moet je het wel hebben over een lieflijk ogend kruidig plantje en dat klopt. Meisjesogen behoort tot dezelfde familie als waartoe ook de zonnebloem behoort.
Het is een plantje dat inheems is op het centrale deel van het Noord-Amerikaanse continent. Daar waar de Great Plains zich eindeloos uitstekken en waar bizons, Indianen en godvrezende Amerikanen (en vaccinontkenners en Trumpsupporters) hun thuishaven hebben. Het gaat om een immens gebied dat vanaf Centraal Canada, via de prairies, loopt tot aan noordoost Mexico.

Omdat meisjesogen het soms met weinig vocht moet doen heeft hij geleerd snel op te groeien. Uiteindelijk kan hij een hoogte bereiken van een meter, al is 30 centimeter eigenlijk een gemiddelde. Tientallen bloemen ontspruiten aan deze plant. De bloemblaadjes zijn prachtig heldergeel met een bruinpaars tot bruin bloemhoofdje. Die kleur breidt zich als een verfvlek uit op de bloemblaadjes.

Een broertje, de Coreopsis verticillata wordt hier gemakshalve ook maar meisjesogen genoemd. Hij verschilt slechts met de andere versie omdat hij een donkergeel bloemhoofd heeft.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Coreopsis, is geleend uit Het Oudgrieks, waar, kóris (κόρις) 'luis' of 'wants' betekende. De zaadjes lijken op die in bed krioelende insecten. Om diezelfde reden wordt de soort in zijn thuislanden weer tickseed ('tekenzaad') genoemd. Het tweede deel, tinctoria, is afgeleid uit het Latijn, waar tingō ooit 'weken in kleurstof' heeft betekend. Van de andere soort, verticillata, ontdekken we dat de naam terug te herleiden is tot het Latijnse verticillātus, wat 'kronkelig' betekent en de steel beschrijft.

Enkele Indianenstammen gebruikten de bloesems van de meisjesogen om een mahonierode kleurstof te maken voor hun wol. En, tot het moment dat koffie in die contreien werd geïntroduceerd, werd van deze plant een warme drank gezet. De dames gebruikten een extract van de hele plant (behalve de wortel) als ze zwanger wilden worden van een meisje. Nu weet je eindelijk waar deze plant in ons land zijn Nederlandse soortnaam, meisjesogen, aan te danken heeft.

Natuurlijk konden veredelaars weer niet met hun handen van dit plantje afblijven in een poging om dat van nature al prachtige plantje te 'verbeteren'. Er bestaan nu een steeds groeiende serie cultivars die als exoot meer en meer onze tuinen versieren, daaruit ontsnappen en vervolgens onze inheems natuur besmetten.

Guaveblad

De meeste mensen zullen de guave (Psidium guajava) slechts kennen als een wat duurder sap in een pak tropische vruchtensap. Je weet wel: zo'n pak met 95 procent appelsap en 0.5 procent aan prijzige exotische sapjes. Minder bekend is dat het blad ook enkele toepassingen heeft.
De gewone of citroenguave is een kleine boom in de familie der mirtes (Myrtaceae), waartoe uiteindelijk ook 'onze' gagel (Myrica gale) behoort. De guave was ooit slechts inheems in de oorden rond het Caraïbisch gebied. Hoewel enkele gerelateerde soorten ook guaves worden genoemd, behoren ze toch echt tot andere soorten of zelfs families. Een voorbeeld is de ananasguave (Feijoa sellowiana).

Men bleek het guavesap zo lekker te vinden dat de boom intussen wereldwijd in tropische gebieden wordt aangeplant. In 2019 werd in totaal zo'n 55 miljoen ton aan guaves geoogst, waarvan India grootste producent was met 45 procent.

Het fruit van de guave is botanisch gezien een bes. De afmetingen variëren van vier tot twaalf centimeter. Ze zijn gewoonlijk rond of ovaal, afhankelijk van de ondersoort. Ze hebben een typische geur die doet denken aan die van citroen, maar minder scherp. Het vruchtvlees kan zoet of zurig zijn en de kleur kan geelwit of roze zijn, ook weer afhankelijk van de ondersoort.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Psidium, is uiteindelijk terug te herleiden tot psélion (ψέλιον), wat 'armband' betekent. De reden: het lijkt sosm alsof de bovenzijde van de bes 'afgeknepen' is door een te strakke armband. Het tweede deel, guajava, lijkt te zijn geleend uit het Arawak, een deels uitgestorven Indiaanse taal, waar guayabo 'guaveboom' heeft betekend.

Van de gedroogde bladeren van de guava kun je ook een thee zetten. Alleen dat feit was voldoende voor diverse mensen om op internet hele websites vol te pennen over de gezondheidsvoordelen van dat blad. Zonder enige kennis van zaken schrijven ze dat het zou helpen bij diabetes, hart- en vaatziekten, kanker en parasitaire infecties. Behalve de ongrijpbare antioxidanten (eet voldoende groente om genoeg binnen te krijgen), zou het ook veel vitamine C (eet voldoende fruit om genoeg binnen te krijgen) bevatten.

Toch blijkt uit recent wetenschappelijk onderzoek dat een extract van guavebladeren wel degelijk een anti-parasitair effect heeft[1]. Dat is natuurlijk een zeer interessante uitkomst, omdat de boom vooral groeit in gebieden waar diverse parasitaire ziektes heersen. Denk aan malaria, waar diverse parasietensoorten uit de plasmodiumfamilie zo snel muteren dat geneesmiddelen snel waardeloos blijken. In tropische delen van Azië, Afrika en het Amerikaanse continent zou guavebladthee dus ingezet kunnen worden. Totdat de parasieten ook daartegen resistentie ontwikkelen.

[1] Phakeovilay et al: Antileishmanial Compounds Isolated from Psidium Guajava L. Using a Metabolomic Approach in Molecules – 2019. Zie hier.

Zeeden

Je hebt misschien niet direct het idee dat delen van de zeeden (Pinus pinaster) als geneeskrachtig kruid kunnen dienen, maar heb even geduld.

De zeeden is een boom die thuishoort in het Middellandse Zeegebied, maar is op de Waddeneilanden veelvuldig aangeplant om zand vast te houden om zo verstuivingen tegen te gaan. Na een westerstorm waren in het verleden hele dorpsstraten regelmatig onder een laag stuifzand bedekt.
De zeeden kan een hoogte van 20 tot 35 meter bereiken. De bast heeft een wat oranjerode kleur. De naalden zijn tot 25 centimeter lang. De conische kegels kunnen wel 20 centimeter lang zijn.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Pinus, kan worden herleid tot een woord uit het Sanskriet, een oude taal in India, waar pitu zoiets heeft betekend als 'sap' of '(vloeibare) hars'. Het tweede deel, pinaster, is een afgeleide van pinus.

In Frankrijk groeien zeedennen uiteraard ook aan de zuidkust. Maar er is iets vreemds aan de hand. Daar wil men ons doen geloven dat het een hele speciale boomsoort is met de naam 'Franse maritieme pijnboom'. Daar is een reden voor en die reden is commercie, ook wel pure geldzucht genoemd.

Uit de bast van de zeeden kan men namelijk een stofje winnen dat men de naam Pycnogenol© heeft gegeven en werkzaam zou zijn tegen een bijkans eindeloze lijst van kwalen. Pycnogenol© bevat, volgens de jongens van de reclame-afdeling, 'een uniek complex van wateroplosbare polyfenolen, grofweg onderverdeeld in monomeren (catechine, epicatechine, taxifolin), oligomere proanthocyanidines (OPC), polymere proanthocyanidines en organische zuren (waaronder ferulazuur, kaneelzuur en koffiezuur) met uiteenlopende biologische en klinische effecten'.

Zijn die stofjes wel zo speciaal, zo kun je je afvragen. We gaan even op onderzoek uit.

Catechine is een verzamelnaam voor verschillende polyfenolen die voorkomen in onder meer wijn, thee en cacao (bron), terwijl epicatechine de spiegelbeeldvorm (de stereo-isomeer) is van catechine en dus in dezelfde producten voor zal komen (bron). Taxifolin wordt aangetroffen in plantaardige voedingsmiddelen als fruit, groenten, wijn, thee en cacao (bron).

Ferulazuur komt in kleine hoeveelheden voor in planten als dille, rijst en grassen (bron). Het doet dienst als aromastof in voedingsmiddelen. Kaneelzuur is een van de smaakcomponenten van kaneel en wordt gebruikt als smaaktoevoeging, maar voornamelijk in de parfumindustrie (bron). Koffiezuur komt in hoge concentraties voor in koffie: één kopje kan 25 tot 75 mg koffiezuur bevatten (bron).

Het blijkt dus dat die zo geroemde stofjes in Pycnogenol© helemaal niet zo speciaal zijn, niet of nauwelijks positieve gezondheidseffecten zullen hebben en eenvoudig met normale voedingsmiddelen binnen te krijgen zijn.

De échte wetenschap is ook duidelijk over Pycnogenol©: Current evidence is insufficient to support Pycnogenol use for the treatment of any chronic disorder[1]. Al het onderzoek is namelijk verricht in opdracht van de producent, wat de resultaten van ieder onderzoek zal vertroebelen, zo schrijven de onderzoekers ook.

[1] Schonees et al: Pycnogenol(®) for the treatment of chronic disorders in Cochrane Database of Systematic Reviews – 2012.

Tonkaboon

De tonkaboon groeit aan de Braziliaanse teakboom (Dipteryx odorata), plaatselijk ook bekend als cumaru of kumaru. Het is verre familie van de erwt. Deze boom is inheems in de regenwouden van Midden en Zuid-Amerika en kan een hoogte bereiken van zo'n 30 meter met een stam die meer dan een meter in doorsnede kan zijn. De Braziliaanse teak kan wel 1,000 jaar oud worden (als hij tenminste met rust gelaten wordt en niet gekapt wordt). Deze soort is bebladerd met bladeren die bestaan uit drie tot zes leerachtige donkergroene blaadjes. Hij bloeit met roze bloemen. Na de bloei ontwikkelen zich de tonkabonen, maar daarover later.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Dipteryx, lijkt op die van een uitgestorven dinosaurus, de Archaeopteryx, maar de werkelijkheid is minder prozaïsch: het is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar dyo (δύο) 'twee' betekent en pteryx (πτέρυξ) 'vleugel'. Samen beschrijft het de vorm van de vrucht. Het tweede deel, odorata, beschrijft de geurige boon, want het Oud-Latijnse woord odōs betekent 'geur'. Het woord tonka is terug te voeren op het Carib, de taal van de plaatselijke bewoners (vroeger konden we ze inboorlingen noemen) van Frans Guyana, het buurland van Suriname.

De tonkabonen worden in de keuken voornamelijk ingezet om desserts een fantastische geur te geven. De geur doet denken aan die van vers gemaaid gras, gecombineerd met die van vanille, zoethout, caramel en kruidnagel. Uiteindelijk wordt er een delicaat aroma van magnolia losgelaten. Sommigen vinden het de meest delicate specerij die er bestaat.

De tonkaboon wordt daarom soms als specerij en vaker als geurmiddel in de parfumerie gebruikt omdat het rijk is aan coumarine. Gewoonlijk bevatten de zaden 1 tot 3 procent van dat stofje, maar in zeldzame gevallen kan een percentage van 10 procent bereikt worden. Die coumarine is direct verantwoordelijk voor de aangename geur, wat ook de soortnaam verklaart. Probeer je de tonkaboon te proeven, dan zul je ontdekken dat hij bitter smaakt. De boom maakt die coumarine namelijk aan als verdedigingsmechanisme tegen vraatzucht en dat betekent in de meeste gevallen niet veel goeds. Inderdaad, zo blijkt uit de ervaring van gebruikers en uit wetenschappelijk onderzoek, is coumarine een stofje dat in grotere doses bloedingen (het werkt bloedverdunnend), leverschade en hartverlammingen kan veroorzaken. Reden voor diverse regeringen om de invoer en het gebruik maar streng te reguleren. Tegenstanders van die beperkingen claimen, vooralsnog zonder succes, echter dat de kans op een overdaad aan coumarine wel heel erg klein is.

Ter waarschuwing nog even een voorbeeld: coumarine hoort, chemisch gezien, tot dezelfde familie als warfarine. Dat is een veel voorgeschreven bloedverdunner.

Verplichte waarschuwing bij Sint-janskruid

Bijwerkingencentrum Lareb informeerde het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit over 57 meldingen van bijwerkingen bij Sint-janskruid. In een artikel in het Pharmaceutisch Weekblad beschrijft Lareb ruim zeventig meldingen bij gebruik van producten met Sint-janskruid.
In Nederland zijn twee producten met Sint-janskruid als geneesmiddel geregistreerd: Hyperiforce en Laif 900. Andere middelen met Sint-janskruid zijn kruidensupplementen. Consumenten gebruiken deze producten bij lichte tot matige depressieve klachten. Net als de geregistreerde geneesmiddelen kunnen deze middelen ook bijwerkingen en wisselwerkingen met andere medicijnen geven.

Het RIVM heeft een risicobeoordeling van Sint-janskruid uitgevoerd. De minister heeft daarna besloten een waarschuwingstekst wettelijk verplicht te stellen. Daarnaast wordt gekeken of er een verbod van Sint-janskruid in kruidenpreparaten moet komen.

Dat zal Dokter Vogel A. Vogel niet leuk vinden. Alfred Vogel was nimmer arts; de titel die hij ten onrechte voerde verwees naar een 'eredoctoraat in de medische botanie' dat hem was verleend door de California University of Liberal Physicians, een inmiddels opgeheven kwakzalversinstelling die nepdiploma's uitreikte. Bij de Vogelfabrieken is geen documentatie bekend over Vogels 'eredoctoraat'.

Maltezer kruis

Het Maltezer kruis (Tribulus terrestris) komt van nature voor in het zuiden van Europa, het zuiden van Azië, en noordelijk Afrika. Als het een vogel geweest zou zijn, zou men het Maltezer kruis in Nederland een dwaalgast kunnen noemen.
Het is een kruidachtige plant die zich met een lange penwortel in soms zanderige bodems weet te handhaven. De plant is goed bestand tegen droge omstandigheden op plekken waar andere soorten maar moeilijk kunnen overleven. Op zonnige plekjes is het Maltezer kruis een liggende plant, maar in de schaduw of tussen wat grotere planten durft de soort het aan om omhoog te kijken. De stelen en bladeren zijn dicht behaard. Deze soort bloeit met citroengele bloemen met vijf bloemblaadjes, een vorm die sterk doet denken aan het Maltezer kruis. Na de bloei ontstaat een harde vrucht met twee tot vier scherpe stekels. Die stekels doen weer denken aan de hoorns van geiten of stieren, wat weer aanleiding heeft gegeven voor diverse plaatselijke benamingen. Ze zijn overigens scherp en sterk genoeg om fietsbanden te doorboren. De stekels blijven uiteraard ook hangen in de hoeven of vacht van grazende dieren (of schoeisel van wandelende mensen). Een handig hulpmiddel om je zaden over grote afstanden te verspreiden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Tribulus, is van Latijnse herkomst, waar met de tribulos ooit een soort verdedigingswapen werd aangeduid die hier nu nog bekend is als de kraaienpoot. Dat wapen wordt af en toe door criminelen uit hun vluchtauto gegooid om de banden van achtervolgende politiewagens te vernielen. Het tweede deel, terrestris, is ook Latijn, waar terra 'land' of 'aarde' betekent.

Op internet zijn tientallen verkopers actief om potjes met Maltezer kruis te verkopen. Gelovigen slikken soms al jarenlang dagelijks een capsule met daarin verpoederd Maltezer kruis. Ze denken dat het extract het atletisch vermogen van het lichaam verhoogt, dat je er beter van kunt bodybuilden, dat het kan helpen bij hartproblemen en zou werken bij problemen met de bloedcirculatie. Bovendien zou het enige sexuele (ik weet het, het is ouderwets geschreven) zaken kunnen verhelpen.

Het zal de lezer van deze column niet verbazen dat er maar weinig wetenschappelijk onderzoek is verricht naar de potentiële werking van een preparaat met het Maltezer kruis. Dierproeven lijken aan te tonen dat het gebruik kan leiden tot problemen bij de ontwikkeling van de foetus[1]. Gebruik het dus niet als je zwanger wilt worden, zwanger bent of borstvoeding geeft. Bij mannen bestaan er aanwijzingen dat er een verband is tussen het Maltezer kruis en prostaatproblemen.

[1] Walker et al: Some effects of feeding Tribulus terrestris, Ipomoea lonchophylla and the seed of Abelmoschus ficulneus on fetal development and the outcome of pregnancy in sheep in Reproduction, Fertility and Development – 1992

Wilde thee

Wilde thee (Thelesperma megapotamicum) is een vaste bloeiende plant binnen de grote familie der Asters. Om aan alle verwarring maar direct een einde te maken: nee, wilde thee is geen officiele theesoort De soort is inheems in grote delen van Noord-Amerika. Naast wilde thee wordt hij daar ook Hopi tea en Navajo Tea genoemd, ofwel hij wordt door – in ieder geval – een tweetal indianenstammen als thee gedronken.
Wilde thee is vast plantje met een slanke vertakte stengel die tot zo'n 50 centimeter hoog kan opgroeien. De bladeren zijn smal en niet meer dan een paar centimeter lang. De bloeiwijze bestaat uit verschillende bloemhoofdjes, elk in een komvormige bloembodem met ietwat paarsgetinte puntige lobben. De bloem zelf bevat veel gele of oranje schijfbloemen plus soms een of meer gele straalbloemen, hoewel deze mogelijk afwezig zijn.

Het eerste deel van de wetesnchappelijke naam, Thelesperma, is een compinatiewoord uit het Oudgrieks, waar thēlḗ (θηλή) 'tepel' betekent en spérma (σπέρμα) 'zaad'. Samen is dat dus 'tepelvormig zaad' en dat klopt. Het tweede deel, megapotamicum, is ook al zo'n Oudgriekse combi: mégas (μέγας) betekent 'groot', 'groots' of 'machtig', terwijl potamós (ποταμός) 'rivier' is. Zijn vindplaatsen bevinden zich voornamelijk aan de oevers van de grote rivieren, zoals de machtige Mississippi River.

Hoewel sommige bronnen slechts melden dat een thee (tisane) gemaakt kan worden van de gedroogde bloemknoppen, zijn anderen van mening dat aan deze drank ook de bladeren en stelen van de wilde thee kunnen worden toegevoegd. De smaak zou heerlijk zijn met een hint van munt. Tijdens het koken neemt het water een wat roestige kleur aan. Bovendien hebben de Hopi ook nog een wat aparte wijze van bereiden van deze kruidendrank: ze stoppen de gedroogde plantendelen in grote glazen potten met water en laten die een tijd in de brandende zon staan. Zo maken ze 'zonnethee'.

Natuurlijk dachten de inheemse bewoners ook dat er wat medicinale eigenschappen in de wilde thee verborgen zaten. Zo zou het werkzaam zijn bij kinderen die besmet waren met de tuberkelbacterie (Mycobacterium Tuberculosis), die tuberculose veroorzaakt. Een afgietsel zou werken als een milde stimulant en zou bovendien helpen bij kiespijn.

Als je nog geen toegang hebt tot moderne medicijnen en vaccins, dan grijp je al snel naar de medicijnkast van Moeder Natuur. We weten dat die nogal wispelturig kan zijn en dus is het resultaat niet altijd wat je verwacht. Precies genoeg blijkt een ongrijpbaar begrip, want ieder seizoen kan een plant weer meer of minder van de werkzame stof in zich opgesloten hebben.

Geelhartje

Vlas (Linum usitatissimum) is een oeroud cultuurgewas en heeft vermoedelijk vanuit de Centraal Aziatische steppen de wereld veroverd. In ons land leek de teelt van vlas ten dode opgeschreven, maar het streven naar 'geen plastic' en 'natuurlijk' levert nieuwe inzichten op. Voorzichtig beginnen landbouwers vlaszaad weer in te zaaien.
[Image: Fornax]

Vlas heeft echter in Nederland een broertje met de naam geelhartje (Linum catharticum). Geelhartje is een klein, teer plantje dat in de zomer bloeit met een vijftal witte bloembladen met in het centrum een geel hart. De bloemen staan bij deze plant sterk onder de invloed van het licht en openen en sluiten zich direct, als het licht sterker of minder sterk wordt.

Het geelhartje is wijdverspreid in Europa en direct aangrenzend Azië. Geelhartje houdt van zonnige plaatsen en een vochtige tot vrij natte, vooral kalkhoudende grond in duin- en natuurlijkere graslanden, bermen en bosranden.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Linum, is obscuur, maar is terug te herleiden tot het Griekse woord linon (λινον) dat 'linnen' betekent. Dat woord is op haar beurt weer verder terug te voeren tot het Akkadische woord kitû(m). In het tweede deel, catharticum, herkennen we al het ook in Nederland voorkomende woord 'catharsis'. In het Oudgrieks betekende kátharsis (κάθαρσις) zoiets als 'purgeren' of 'schoonmaken'. Denk dan vooral aan een iets te enthousiaste darmbeweging.

Inderdaad werd geelhartje in het verleden regelmatig ingezet als een zacht laxeermiddel. Dat betekent ook dat geelhartje licht giftig is. Dat klopt, want het plantje maakt minieme hoeveelheden cyanogene stofjes aan die in het lichaam worden omgezet tot het giftige cyanide. Dat zijn dezelfde stofjes die ook in vlaszaad worden aangetroffen.

De volksgeneeskunst heeft echter nog veel meer toepassingen verzonnen voor het geelhartje. Zo zou het werkzaam zijn bij de behandeling van spierreuma, leverklachten, geelzucht en problemen bij de stoelgang. Verder zorgen de gifstoffen er voor dat het plantje werkzaam zou kunnen zijn bij parasitaire wormpjes, is het vochtafdrijvend en is het een braakmiddel. Er is in ieder geval geen wetenschappelijk onderzoerk gedaan naar zowel de werkzaamheid als de veiligheid van middelen met geelhartje. Gebruik is derhalve geheel voor eigen risico.

Tot in het oneindige verdund durven homeopaten het voor te schrijven bij bronchitis, aambeien en bij uitblijven van menstrueel bloedverlies (amenorroe). Persoonlijk zou ik naar een huisarts gaan bij dit soort problemen, maar sommige mensen geloven nog steeds in deze totaal verouderde onzin. Homeopathie stamt immers uit de 18de eeuw, een periode zonder werkzame geneesmiddelen, antibiotica en vaccins.

Ananasblad

Ik weet het: niemand denkt in eerste instantie dat een ananas (Ananas comosus) een kruid of specerij kan zijn. Het is een vrucht en dat klopt, maar je kunt gemakkelijk vergeten dat een ananas meer dan een vrucht is. Als je een verse ananas in de supermarkt koopt is het eerste wat je doet het loof eraf snijden. Dat loof gooi je gewoonlijk weg. Misschien dat je nog wilt proberen een nieuwe ananasplant op te kweken en zet je hem in een potje met water.
Ananas behoort namelijk tot de grote familie der bromelia's (Bromeliaceae), waartoe ook vele sierplanten behoren. Ze zijn allemaal inheems in Zuid-Amerika.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ananas, is door de Iberische conquistadores naar Europa gebracht. De Portugezen waren de eersten die de ananas op waarde wisten te schatten en vroegen aan de plaatselijke bevolking hoe zij die heerlijke vrucht noemden. In hun taal, het Oud Tupi, was dat nanas. Omdat ze niet precies begrepen wat die Portugezen met hun vraag bedoelden, antwoordden ze 'dat ronde ding is een nanas'. Met andere woorden: de a betekende ooit 'rond'. We kunnen het de Tupi niet meer vragen, want die zijn allemaal uitgemoord door de Portugezen. Het tweede deel, comosus, is afkomstig uit het Latijn waar het '(met) veel haar' of '(met) veel blad' betekende.

Het fruit van ananas, papaja, mango en kiwi bevatten enzymen dat eiwitten afbreekt. De wetenschap noemt deze enzymen cysteine proteasen en alle genoemde vruchten hebben hun eigen versie van dat enzym ontwikkeld. Zelfs de mens maakt zo'n enzym aan en dat heeft de naam calpaïne gekregen.

Maar behalve de vrucht bevat ook de rest van de ananasplant ook aantal van die enzymen, die men de gemeenschappelijke naam bromelaïnes heeft gegeven. Chemisch gezien zijn het vruchtbromelaïne en steelbromelaïne die maar heel weinig van elkaar verschillen.

In Zuid-Amerika hebben bewoners van dat continent ontdekt dat de bromelaïne ontstekingsremmende effecten heeft bij diverse ziektebeelden, waaronder angina pectoris, bronchitis, sinusitis, chirurgische trauma's, oppervlakkige veneuze trombose (tromboflebitis) en nierbekkenontsteking (pyelonefritis).

Natuurlijk heeft de wetenschap de werking van bromelaïne ook onderzocht, maar de uitkomsten zijn wat wisselvallig. Misschien omdat het een goedkoop medicijn kan zijn hebben farmaceutische bedrijven weinig zin om daar veel onderzoeksgeld in te steken.

Intussen is een extract van bromelaïne wel goedgekeurd voor de behandeling van diepe brandwonden. Het middel met de naam NexoBrid verwijdert dood en beschadigd weefsel, waardoor het lichaam sneller kan beginnen met de genezing en zullen er ook minder littekens ontstaan.

Perubalsem

Perubalsem (of Balsem van Peru) is een hars die gewonnen wordt uit de bast van de Peruaanse balsemboom (Myroxylon balsamum pereirae). Ondanks zijn naam is deze soort inheems in El Salvador (en komt dus niet voor in Peru). Een ondersoort, de Toluaanse balsemboom (Myroxylon balsamum balsamum), komt juist wel voor in Peru, Colombia en Venezuela. Beide soorten worden nogal eens met elkaar verward, omdat beide soorten ooit via de Peruaanse havenstad Callao werden uitgevoerd.
De Peruaanse balsamboom is een grote, langzaam groeiende boom die een hoogte van zo'n 45 meter kan bereiken. De bast is geelachtig met een doordringende geur. Hij bloeit met witte bloemen, waarna een gevleugelde boon ontstaat.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Myroxylon, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar múron (μῠ́ρον) uiteindelijk 'bitter' heeft betekend en verwant is aan mirre. Vervolgens is xúlon (ξῠ́λον) 'hout'. Samen is dat dus 'bitter hout'. Het tweede deel, balsamum, betekent uiteraard 'balsem'.

Perubalsem wordt verkregen door eerst de bast van de boom af te schillen. De boom begint daarna te 'bloeden' met hars. Met doeken wordt die hars van de stam afgeveegd. Die doeken worden daarna gekookt, waardoor de hars loskomt van de doeken en naar de bodem van de pan zakt. Dan gooit men het water weg en blijft een araomatische donkerbruine olie-achtige vloeistof achter. Perubalsem heeft een zoete geur.

Deze hars bevat meer dan 25 verschillende stofjes, waaronder cinnameïne, cinnamisch zuur, cinnamyl cinnamaat, benzylbenzoaat, benzoïsch zuur en vanilline. Verder bevat het cinnamyl alcohol, cinnamaldehyde, farnesol en nerolidol. Van zo'n 35% is de samenstelling zelfs nog onbekend, al weet men dat er verschillende harsen inzitten.

Perubalsem wordt gebruikt als smaakstof in voedingsmiddelen en dranken. Ook wordt het wel als geurstof toegevoegd aan parfums en toiletartikelen. Uiteraard denken sommigen dat het helende eigenschappen heeft en daarom wordt het ingezet door de medische en de niet zo medische industrie.

Tot zover is er niets aan de hand, maar Perubalsem heeft een duister kantje. Het is een van de belangrijkste allergenen en er zijn zoveel mensen allergisch voor dat zelfs de EU zich gedwongen voelde om een aantal inhoudsstofjes in een lijst van de 26 meest voorkomende allergische stoffen op te nemen. Fabrikanten zijn verplicht die op het etiket te vermelden als die boven een bepaalde waarde uitkomen.

Je ziet dus niet Perubalsem op de ingrediëntenlijst staan van je cosmetica, maar namen als benzyl alcohol, benzylbenzoaat of benzylcinnamaat. Aan de andere kant zitten die stofjes ook in andere kruiden en specerijen die in de cosmetische industrie gebruikt worden en dus weet je nooit zeker of Perubalsem in bijvoorbeeld een parfum of crème verstopt zit.

Gekroonde ganzenbloem (of Tung ho)

We worden tegenwoordig doodgegooid met modieuze kreten als 'vergeten groente' of 'superfood'. Natuurlijk zijn deze voornamelijk aan de fantasie van de afdeling marketing ontsproten om de verkoop te stimuleren. Maar we hebben al vele malen aangetoond dat een groente nooit per ongeluk vergeten is (te lastig te kweken, te lastig te oogsten, te weinig opbrengst) of dat een sinaasappel vaak meer vitamines bevat dan een zogenaamde superfood.
Maar ik stel hier voor om een nieuwe categorie te introduceren: de 'onbekende groente'. Een perfect voorbeeld daarvan is de gekroonde ganzenbloem (Glebionis coronaria).

De gekroonde ganzenbloem is een eenjarig kruid binnen de composietenfamilie (Asteraceae), waartoe bijvoorbeeld ook de margriet behoort. Hij is in het bezit van geveerde bladeren. Deze soort bloeit met prachtige witte bloemen met een gele kern. Oorspronkelijk was de gekroonde ganzenbloem inheems aan de kusten van het Middellandse Zeegebied, maar heeft zich bijna wereldwijd weten te verspreiden. Ook in ons land is hij geen zeldzaamheid.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Glebionis, is afgeleid van het Latijnse woord gleba, wat 'een kluit aarde' betekent en probeert aan te geven dat het een akkeronkruid was. Het tweede deel, coronaria, is ook Latijn, waar – je raad het al – corona 'kroon' of 'krans' betekende. Het is te herleiden tot het Oudgriekse korṓnē (κορώνη), wat 'rouwkrans' heeft betekend. Het beschrijft de bloem.

De bladeren worden als groente in geheel Azië gegeten, maar het is bijzonder populair in diverse Chinese regionale keukens. In China staat deze soort bekend als tónghāo (茼蒿), wat in Nederlandse toko's is versimpeld tot Tong ho. De plant is rijk diverse vitamines en mineralen. Ook bevat de gekroonde ganzenbloem tot 3.4 gram caroteen, dezelfde gezonde kleurstof die worteltjes oranje maakt.

Jonge bladeren worden gebruikt voor het op smaak brengen van soepen en roerbakschotels. Het is aan te raden om de bladeren pas op het allerlaatste moment toe te voegen aan je gerecht, omdat ze anders bitter zullen worden. Het keukenkruid heeft dus dezelfde karakteristieken als peterselie of koriander.

Dichter bij huis, op Kreta, wordt het kruid mantilida (μαντηλίδα) genoemd. Daar worden zijn malse scheuten rauw of gestoomd gegeten door de lokale bevolking.

Dat de gekroonde ganzenbloem gezond is blijkt ook uit wetenschappelijk onderzoek: een extract van de plant vertraagt of voorkomt botontkalking (osteoporose). De onderzoekers denken dat zo'n extract in de toekomst kan worden ingezet als een natuurlijk medicijn bij botontkalking[1].

Da's niet gek voor een plantje dat gewoon in ons land in het wild groeit.

[1] Kim et al: Preventive Effects of Chrysanthemum coronarium L. Extract on Bone Metabolism In Vitro and In Vivo in Evidence-based Complementary and Alternative Medicine - 2020

Pumpkin Spice

Pumpkin spice is een uit Amerika stammende kruidenmix. Deze mix is ooit bedoeld om een pompoentaart te kruiden, maar tegenwoordig is deze 'hip' om je (veel te dure) koffie een smaakje te geven. In koffieketens als Starbuck's betaal je in het land van herkomst voor een Pumpkin Spice Latte al snel $4.25.
Pumpkin spice is een mengsel van kaneel, nootmuskaat, gember, kruidnagel en piment in de verhouding van 18:4:4:3:3.

Pompoenen stammen oorspronkelijk uit Midden-Amerika en het noorden van Zuid-Amerika. Het is dus niet verwonderlijk dat deze vruchten ook populair werden onder de geïmporteerde West-Europeanen. Bovendien kon een goede oogst aan pompoenen je door een strenge winter heen helpen.

Zelfs in het oudste Amerikaanse kookboek, 'American Cookery', in 1796 geschreven door Amelia Simmons, kwam al een recept voor van een pompkin met een vergelijkbare specerijenmix van foelie (het vruchtomhulsel van de nootmuskaatnoot), nootmuskaat en gember. Het gebruik van dit mengsel was een tijd behoorlijk populair. Gedurende de jaren 60 van de vorige eeuw gingen huisvrouwen massaal aan het bakken toen ze meer vrije tijd kregen en moderne keukenapparatuur zijn intrede deed.

Specerijenleverancier McCormick begon in die jaren ook pumpkin pie spices in een potje te stoppen, maar na verloop van tijd verloor de pompoentaart in de Amerikaanse kuststaten zijn aantrekkingskracht. Hij bleef echter populair in het Midden-Westen, waar nog steeds drukbezochte oogstfestivals de pompoenen vereren. Ook tijdens Hallowe'en ontdek je dat het gebruik van oeroude oogstfeesten nog.

Even een korte uitleg: Hallowe'en is een term die oorspronkelijk uit Schotland komt. Daar betekende hallow 'heilige', terwijl e'en een soort Schots gemompel was en eve ('avond') betekende. Samen was dat (All) Hallow(s) Evening ofwel 'Allerheiligenavond', een christelijk feest ter nagedachtenis aan alle heiligen en martelaren.

Het gebruik heeft echter oeroude wortels en men meent dat het een heidense oorsprong moet hebben gehad. Het ligt ongeveer tussen de herfstequinox (23 september) en de winterzonnewende (31 december) in. De officiële astronomische datum zou 7 november moeten zijn, maar de Rooms-Katholieke kerk vindt dat het 'feest' op 31 oktober gevierd dient te worden. De Christenen hebben de feestdag ingepikt en zowel de betekenis als de datum veranderd. Dat was natuurlijk heel ondeugend van ze.

Maar pumpkin spice is natuurlijk een heerlijke warme specerijenmix die het goed doet in de koude wintermaanden. Hij doet qua smaakbeleving denken aan die van 'onze' glühweinkruiden. Ach, met wat warme alcohol voelt een koude winterdag immers een stuk aangenamer aan. Toch?

Jimbu

Jimbu is een kruid dat voornamelijk wordt toegepast in de keukens van Nepal en enkele in de Himalaya gesitueerde provincies van India. Het behoort tot de familie der uien en is dus een wilde ui. Twee verschillende soorten doen dienst als dat kruid; Allium hypsistum en Allium przewalskianum. Jimbu heeft een smaak die zo'n beetje het midden houdt tussen die van ui en bieslook. Het wordt vooral gedroogd toegepast, omdat de oogst tussen juni en september plaatsvindt en men het hele jaar wil genieten van dit keukenkruid.
Jimbu is een bolgewas dat tot een centimeter of 20 kan opgroeien. Meer niet, want in zijn natuurlijke bergachtige omgeving zijn de omstandigheden niet echt optimaal te noemen. Het is daar gewoonlijk steenkoud, winden loeien langs bergwanden en de droge bodem is arm aan voedingsstoffen. Hij bloeit voorzichtig met een scherm van tere witte bloemen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Allium, is de oeroude Latijnse naam voor knoflook: alium. Knoflook is natuurlijk al sinds mensenheugenis gebruikt als voedingsmiddel. Het is duidelijk dat de herkomst van het woord alium in het Midden-Oosten gezocht moet worden en dat levert via het Oudgriekse aglis (αγλις) of gelgis (γελις) eindelijk een oplossing op: gilgal of galgal waren West-Semitische woorden, die ‘wiel’, ‘cirkel’ of ‘bol’ hebben betekend. Het tweede deel, hypsistum, is afgeleid van het Oudgriekse woord húpsos (ὕψος), wat 'hoogte' betekent en dus de vindplaats van deze soort aanduidt. Het (andere) tweede deel, przewalskianum, eert Nikolay Przhevalsky (1839-1888), een Russische geograaf, die in Azië ook het naar hem genoemde paard (Equus przewalskii) tegenkwam.

In het Nepalese district Mustang wordt Jimbu vooral toegepast als smaakmaker in vegetarische groentenschotels, groenten in het zuur en vleesgerechten. In de rest van het land wordt het gebruikt om linzen wat meer smaak te geven. Het gedroogde blad wordt in vaak eerst ghee (geklaarde boter) gebakken om er nog meer smaak aan te onttrekken.

Omdat de gezondheidszorg in Nepal nog niet op een westers niveau is wordt jimbu ook ingezet als middel tegen griep, hoesten en maagpijnen. Dat is overigens niet zo heel gek bedacht, want de leden van de uienfamilie maken allemaal allicine aan en daarvan is bekend dat het ontstekingsremmende eigenschappen heeft bij de mens. Zelf maakt de plant het aan om allerlei plantenziekten tegen te gaan.

Maar er liggen natuurlijk problemen op de loer. Door overbegrazing van geiten is er steeds minder jimbu te vinden. Bovendien houden de wortels van dat plantje ook nog eens erosie tegen in die kwetsbare omgeving. Ik zou zeggen: weg met de geit.

Karmijn

We rekken deze keer de definitie van kruiden en specerijen ietwat op door een rode kleurstof te bespreken die gewonnen wordt uit een bladluis. In Midden- en Zuid-Amerika leven cochenilleluizen (Dactylopius coccus) op diverse soorten schijfcactussen van het geslacht Opuntia. Deze luizen zijn parasieten en maken een rode kleurstof aan als verdediging tegen aanvallers. Dit natuurlijke pigment wordt vooral uit de eitjes en in mindere mate uit het bloed van deze schildluis gewonnen.
Kort voordat de luizen eitjes leggen, worden ze handmatig van de cactus afgeschept. De kleurstof met de naam karmijn of cochenillerood wordt verkregen nadat ze gedroogd, gemalen en gefilterd zijn.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Dactylopius, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar dáktulos (δάκτυλος) 'vinger' betekende en pūós (πῡός) 'pus' of 'vies'. Samen beschrijft het de vorm (een vingertop) en de afscheiding van deze insecten. Het tweede deel, coccus, is ook Oudgrieks: kókkos (κόκκος) betekent 'bes' en verklaart de ronde vorm van de luis.

Karmijn werd al eeuwen geleden door de Azteken en Maya's in Midden-Amerika geproduceerd. Het was ooit een kostbaar handelsproduct, in prijs zelfs vergelijkbaar met goud. Steden stuurden zakken vol karmijn naar de keizer in Tenochtitlán, de hoofdstad der Azteken, als vorm van belasting. De Azteken gebruikten de kleurstof vooral voor textiel en cosmetica, en in mindere mate als levensmiddelenkleurstof.
De Spaanse conquistadores zagen al snel de waarde van de kleurstof in, die een veel betere kleur en kleurvastheid gaf dan de pigmenten die tot dan toe in Europa bekend waren. Al snel werd de kleurstof bijzonder populair in Europa en karmijn werd gebruikt om de kostbare gewaden van de katholieke kardinalen te kleuren. Karmijn was een grondstof die zelfs op de beurzen van Londen en Amsterdam verhandeld werd.

In de 19e eeuw werden de luizen geïntroduceerd op de Canarische eilanden en kwam er een einde aan het Amerikaanse monopolie. In 1868 bedroeg de oogst op de Canarische eilanden 6 miljoen pond karmijn, wat ongeveer overeen komt met 420.000.000.000 luizen.

Karmijn werd ook meer en meer gebruikt als levensmiddelenkleurstof, maar het kleuren van textiel bleef de hoofdtoepassing. Het werd ook gebruikt voor het kleuren van diverse levensmiddelen en dranken als Campari ontlenen hun rossige kleur aan karmijn. In cosmetica werd het het belangrijkste bestanddeel van rouge. Nog steeds wordt karmijn in cosmetica toegepast.

Toen aan het eind van de 19e eeuw goedkopere synthetische rode kleurstoffen werden ontwikkeld, raakte karmijn in de vergetelheid. Intussen neemt het gebruik van karmijn weer toe omdat we de laatste jaren meer natuurlijke kleurstoffen willen gebruiken.

Overigens bestaat er ook een Europese versie: Pools karmijn. Deze werd tot het midden van de 19e eeuw veel toegepast als textielkleurstof. Pools karmijn (of Sint Jan's bloed) is eveneens afkomstig van een luis, de Margarodes polonicus, die vooral voorkomt in Oost-Europa en delen van Azië.

Chinese komkommer

Voor deze aflevering reizen we virtueel naar China, waar we de guālóu (Trichosanthes kirilowii) tegenkomen. In het Engels wordt hij de Chinese cucumber ('Chinese komkommer') of Chinese snake gourd ('Chinese slangenkalebas') genoemd. Laten wij het in het Nederlandse taalgebied maar op Chinese komkommer houden. Overigens wordt met de benaming guālóu ook de nauw verwante soort Trichosanthes rosthornii bedoeld. Twee voor de prijs van één zullen we maar zeggen.
De Chinese komkommer is een bloeiende plant binnen de Cucurbitaceae, een familie waarin de meeste komkommers, pompoenen, meloenen en kalebassen een plekje hebben gevonden. De guālóu is een tropische tot subtropische liaan die zich over de grond een weg baant door het oerwoud.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Trichosanthes, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar thríx (θρίξ) 'haar' betekent en ánthos (ἄνθος) 'bloem'. Samen is dat 'harige bloem' en dat klopt. Het tweede deel, kirilowii, eert de Russische botanist Ivan Petrovich Kirilov (1821–1842). Voor de volledigheid verklaar ik ook even het tweede deel van zijn broertje rosthornii. Die soortnaam eert Arthur von Rosthorn (1862-1945), een Oostenrijkse diplomaat en sinoloog.
[Image: Michael Wolff]

 De scheuten, ranken en bladeren van deze soort worden als bladgroente gegeten. Ook de vlezige vruchten zijn eetbaar.

Maar het meest bekend is de guālóu wel omdat hij een prominente plaats inneemt in de Traditionele Chinese Medicijnkast (TCM), een vorm van fytotherapie, waarvan de werking wetenschappelijk gezien uiterst discutabel is.

De knol van deze plant staat in het Mandarijns bekend als tiān huā fěn (天花粉). In de traditionele Chinese geneeskunde wordt gedacht dat het warmte afvoert en vloeistoffen genereert, de longen kan zuiveren en de overtollige warmte kan afvoeren, slijm kan oplossen, en vergiftigingen en pus kan verdrijven. De vrucht zou eveneens warmte verwijderen, de borst vrijmaken, abcessen verminderen en knobbeltjes verdrijven.

Het klinkt allemaal vrij onschuldig, maar er zit een behoorlijk addertje onder het gras. Modern wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de Chinese komkommer een stofje bevat dat men de naam trichosanthine heeft gegeven. De structuur van dat stofje lijkt wat op die van het potentieel dodelijke ricine uit de wonderboon (Ricinus communis) en heeft een zeer schadelijk effect op je nieren[1].

Traditionele Chinese medicijnen hebben dus last van dezelfde kwaal als homeopathie en ayurveda: ze zijn ontstaan in vroeger tijden toen de medische wetenschap nog in de kinderschoenen stond. Zelfs nu zijn er miljoenen mensen in Azië die nog steeds geen toegang hebben tot moderne geneesmiddelen en hun toevlucht zoeken naar dit soort middelen.

[1] Tang et al: Acute renal failure and proximal tubule lesions after trichosanthin injection in rats in Experimental and Molecular Biology – 1997

Mexicaanse dragon

Ach, die Afrikaantjes. Je weet wel, die leuke oranje bloemetjes die bij je opa en oma in de tuin stonden. Het grappige is natuurlijk dat het geslacht helemaal niet uit Afrika afkomstig is, maar uit Zuid-Amerika. Aan het einde van de zestiende eeuw namen Spaanse kolonisten zaadjes van deze sierplanten mee naar huis. In de botanische tuin in Leiden stonden ze al rond 1592. Er bestaan wel wat theorieën waarom Afrikaantjes zo worden genoemd, maar het bewijs ontbreekt. Omdat iedereen tegenwoordig lange tenen heeft wordt de benaming 'Afrikaantje' ook al racistisch gevonden en hebben 'wakkere' ambtenaren in Winterswijk besloten de naam in de prullenbak te gooien en te vervangen door diens wetenschappelijke naam, Tagetes.
Al eerder waren we een soortgenoot tegengekomen in deze serie. Het kakiebos of geelgroen afrikaantje (Tagetes minuta) is onder de naam huacatay een bekend keukenkruid in Zuid-Amerika. Wij noemden hem zwarte munt.

Een ander familielid is de Tagetes lucida, die inheems is in Midden-Amerika. In zijn thuisland wordt hij afwisselend perícon, yerbaniz of hierbanís genoemd. Hij is ook in het bezit van een aantal Engelse namen, waarvan we de meest gebruikte, Mexican tarragon, kunnen vertalen als Mexicaanse dragon.

Mexicaanse dragon is een vaste plant die 50 tot 70 centimeter hoog wordt en van een zonnige standplaats houdt. De bladeren zijn lansvorming en glanzend. In de nazomer bloeit hij met clusters van kleine gele bloemen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Tagetes, benoemt Tages, de Etruskische god van de onderwereld en kleinzoon van Jupiter. Hij wordt genoemd als de grondlegger van de kunst van het waarzeggen. Het tweede deel, lucida, is afkomstig van het Latijnse woord lucido, wat 'helder' of 'glanzend' betekent. Het beschrijft de glanzende bladeren.

Het plantje wordt ingezet als keukenkruid en medicinaal kruid. De bladeren van dit plantje hebben een smaak die doet denken aan die van dragon met een hint van anijs. Verse of gedroogde bladeren worden toegepast als smaakmaker in soepen en sauzen. In delen van Noord-Amerika wordt het in diverse gerechten als vervanger van dragon gebruikt. Bovendien was het een van de ingrediënten om chocolatl te maken, de pittige drank gemaakt van cacao, chilipepers en een hele serie kruiden en specerijen. Nog steeds wordt een aftreksel van de Mexicaanse dragon gebruikt om verkoudheid en diarree te behandelen.

De Mexicaanse dragon werd onder de naam Yauhtli door de Azteken als een rituele wierook gebruikt en was bovendien opgedragen aan de regengod Tlāloc. Dat zo'n gebruik ook nog een nuttige achtergrond had is minder bekend. De rook werkt namelijk insectenverdrijvend en dat was zeker handig omdat het in die contreien in de regentijd sterft van de muskieten.

Cascarilla

Vroeger probeerden moeders hun kinderen ervan te overtuigen dat het soms noodzakelijk was om vieze drankjes toch maar op te drinken. Het was voor je eigen bestwil, zo zeiden ze, want 'bitter in de mond maakt het hart gezond'. Nu waren de meeste tincturen ook echt vrijwel ondrinkbaar door de extracten van diverse kruiden die er in zaten. Denk maar aan 'onze' Beerenburg, waar veel bittere kruiden in verstopt zitten. Dat deze elixer toch aangenaam drinkbaar blijkt is het gevolg van zoethout dat de bittere smaak ietwat verzacht.
Maar uiteraard is beerenburg niet de enige drank waarin de bittere kruiden de illusie van gezondheid moesten geven. Een voorbeeld daar van is Cascarilla (Croton eluteria) en een extract daarvan wordt gebruikt om Campari, Vermouth en sommige moderne gins een bitter smaakje te geven.

De cascarilla is een kleine boom of grote struik die oprijst tot een maximale hoogte van een meter of zes. De soort is inheems in het Caraïbisch gebied, maar heeft zich intussen verspreid over grotere delen van het tropisch regenwoud van het Amerikaanse continent. De weinige bladeren zijn twee centimeter lang en ietwat ovaal en lansvorming. In maart en april bloeit de cascarilla met kleine, witte bloemen die heerlijk geuren. Ook de lichtbruine bast geurt heerlijk en die gebruikt men als specerij voor al die smaakvolle alcoholische dranken.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Croton, is afkomstig uit het Oudgrieks, waar om kroton (κροτών), ooit '(schapen)teek' heeft betekend en de vorm van de zaden probeert te omschrijven. Het tweede deel, eluteria, is afgeleid van het Oudgriekse eleutheria (ἐλευθερία). Het was ooit de personificatie van vrijheid en de voorloper van het Romeinse idee van libertas. Hoewel niemand het interessant zal vinden is Cascarilla een verkleinwoord van het Spaanse woord cáscara en betekent 'dop'. Het dopje is ook al een beschrijving van de zaden.

De inheemse bevolking had natuurlijk geen idee dat de bast ooit een ingredient zou worden van bekende Europese alcoholische dranken, maar ze hadden er wel medicinale toepassingen voor gevonden. Een aftreksel bleek enige werking te hebben tegen malaria en was een soort minderwaardige vervanger van kinine. Het blijkt inderdaad dat een extract koortswerende effecten heeft. Daarnaast grepen de mensen naar een tonic met cascarilla bij een moeilijke stoelgang en chronische diarree. Het zou een versterkend en stimulerend effect hebben op het spijsverteringsstelsel. Bovendien zou het werkzaam zijn tegen flatulentie ofwel winderigheid (om het netjes te houden). Modern wetenschappelijk onderzoek heeft intussen uitgewezen dat de etherische olie van de cascarilla inderdaad een antibacteriële werking heeft.

Mirre

Mirre is een welriekende gomhars die op dezelfde manier uit bomen wordt geoogst als bijvoorbeeld latex (rubber), ahornstroop of mastiek. Dat deze hars plezierig geurt was al vroeg bekend in het Midden-Oosten en de Bijbel meldt ons in Spreuken 7:17 'Ik heb mijn leger met mirre, aloë en kaneel welriekende gemaakt.' Kennelijk hield de veldheer niets van zwetende en ongewassen soldaten. Nog veel eerder was mirre in gebruik bij het mummificeren van farao's in het oude Egypte.
De mirre wordt gewonnen uit een aantal soorten bomen, die allen tot dezelfde familie behoren. De meest bekende is de gewone mirre of Afrikaanse mirre (Commiphora myrrha), een grote struik (of kleine boom) die tot een meter of vijf kan opgroeien. De soort leeft in noordoostelijke delen van Afrika en het zuiden van het Arabische schiereiland (Jemen, Oman). Mirre houdt dus kennelijk van een droge omgeving. De soort beschermt zich tegen vraat door zich te wapen met vervaarlijke doornen.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Commiphora, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar kommi (κόμμι) 'gom' betekende en phoros (φόρος) zoiets als '(in zich) dragend'. Samen is dat natuurlijk 'gom (in zich) dragend)'. Het tweede deel, myrrha, betekent in eerste instantie 'mirre', maar verder weg in de historie komen we in een aantal Semitische talen mor tegen, wat 'bitter' betekent.

Mirre is sinds mensenheugenis in gebruik als parfum, wierook en medicijn. Omdat mirre ook een ontsmettende werking heeft, werd het veelvuldig gebruikt bij wondverzorging. Mirre heeft bovendien een licht verdovend effect, waardoor het ook toegepast werd bij kiespijn. Beperkt wetenschappelijk onderzoek lijkt aan te tonen dat de werkzame stofjes in mirre zelfs een positief effect kunnen hebben op bepaalde vormen van kanker. In Afrika wordt mirre met enig succes gebruikt bij de bestrijding van inwendige parasieten, zoals wormpjes en de malariaveroorzaker Plasmodium falciparum. Verder wordt geclaimd dat mirre kan helpen bij zweren, indigestie, hoesten, verkoudheid en pijn bij artritis.

Gemixt met wijn of posca (een soort 'armeluis wijn', gemaakt van water met verzuurde wijn ofwel azijn en kruiden) werd mirre tegelijkertijd voor zowel verhoging van de feestvreugde als verlaging van allerhande pijntjes gewaardeerd.
Mirre was vroeger, net zoals vele andere exotische specerijen, behoorlijk prijzig. Geen wonder dat de drie wijzen goud, wierook en mirre meenamen om de zojuist geboren Jezus te eren. Het waren cadeautjes fit for a king. Uiteraard staat in de Bijbel in plaats van mirre (foutief) 'frankincense', een woord dat uit het Oud-Frans geleend is: franc encens ('edele wierook').

Ondanks diens zeldzaamheid en hoge kostprijs wordt mirre tegenwoordig nog altijd uit 'het wild' geoogst. Tot op heden is men er niet in geslaagd om plantages met de mirre aan te leggen. Dat zou wel een idee zijn, want de gebieden, waar de soort groeit zijn niet echt het toonbeeld van verdraagzaamheid.

Bergcentaurie

Ik moet eerlijk toegeven dat de bergcentaurie (Centaurea montana) aantrekkelijk genoeg uitziet om hem in je voortuin te willen hebben. Deze soort is inheems in de zuidelijke Europese bergen. Als we iets specifieker willen zijn, dan kunnen we melden dat hij daar groeit in weilanden en open bossen, waar de zon vrij spel heeft. De plant zelf kan een hoogte bereiken van zo'n 70 centimeter. De bergcentaurie bloeit van mei tot augustus met prachtige lila tot paarse bloemen.
[Foto: Bauke Koster]

 Zoals gezegd is de bergcentaurie aan leuke plant om in je tuin aan te planten, maar tegelijkertijd bestaat de mogelijkheid dat ook deze soort zal pogen te ontsnappen. Geen wonder dus dat we deze plant steeds vaker op plekken aantreffen waar hij nimmer is aangeplant.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Centaurie, is afgeleid van het Oudgriekse woord kéntauros (Κένταυρος), waarmee ooit een lid van de woest ras uit de Griekse regio Thessalia werd aangeduid (alles ten noorden van Athene werd al gauw gezien als woest en barbaars), maar tegelijkertijd behoorde een centaur tot de Griekse mythologie, waar het een mens (of dier) was met het bovenlichaam van een mens en de rest van een paard. Het tweede deel, montana, is te herleiden tot het Latijnse mons ('berg') en waarin we het hedendaagse Engelse woord mountain nog herkennen.

De bergcentaurie heeft de vervelende neiging om ecosystemen te domineren indien de voorwaarden daartoe goed genoeg zijn. Veel familieleden van deze soort zijn – vooral in Noord-Amerika – zo in aantal uitgebreid dat men ze als invasieve soort zijn gaan beschouwen. Het lastige is ook dat, als je hem uitgraaft, er maar een klein stukje wortel hoeft achter te blijven en de plant begint zijn leven gewoon weer opnieuw.

In Midden- en Zuid-Europa werd de bergcentaurie ooit ingezet voor diens medicinale eigenschappen. Een extract zou een middel zijn om vermoeide ogen tot rust te brengen. Uiteraard meende men dat het grootste positieve effect te behalen was bij blauwe ogen, een overblijfsel van de Middeleeuwse signaturenleer. De gedroogde bloemen zouden hoesten tegengaan, ietwat vochtafdrijvend zijn en een milde zuiverende werking hebben. Ook zou spoelen kunnen helpen tegen bloedend tandvlees en druppelen zou weer helpen bij een ontstoken slijmvlies (of bindvlies) van het oog (conjunctivitis). Het probleem is echter dat de werking nooit wetenschappelijk onderzocht is. Het is dus een kwestie van geloof en hopen op een goede afloop.

Tenzij je in homeopathie gelooft, dan geloof je álles.

Vietnamese melisse

Een exotisch keukenkruid heeft uiteraard ook exotische namen. In China staat de plant bekend als xiang ru (香薷), terwijl hij in Vietnam kinh giới genoemd wordt. Toen de bewoners van die streken emigreerden naar het westen, namen ze uiteraard hun eetgewoonten en recepten mee naar hun nieuwe thuislanden. Eenmaal geacclimatiseerd waren er natuurlijk zakelijk ingestelde lieden die zo'n keukenkruid uit Zuidoost-Azië gingen importeren. Dan is een goede benaming natuurlijk onontbeerlijk en zo hernoemden ze xiang ru en kinh giới tot Vietnamese balm ofwel de Vietnamese melisse (Elsholtzia ciliata).
[Image: Fagus]

De Vietnamese melisse is een rechtopstaand kruid die tot zo'n 60 centimeter hoog zal kunnen opgroeien. De eivormige tot lancetvormige bladeren zijn lang en gekarteld. Ook zijn ze aan de onderzijde geklierd. De soort bloeit met prachtige paarskleurige bloemen, wat er toe geleid heeft dat hij in wat warmere klimaten met plezier in tuintjes wordt gezaaid. Hier in Nederland zul je moeten hopen op een lange, warme zomer of een warme, op het zuiden gerichte vensterbank.

Zoals de diverse namen al aangeven is de Vietnamese melisse inheems in zuidoostelijke delen van Azië. Tegenwoordig komt hij verwilderd voor in grote delen van India, Oost-Azië en zelfs Europa. In Noord-Amerika is hij intussen verworden tot een vervelend onkruid, een kwalificatie die deze soort al in 1889 had verkregen.

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Elsholtzia, eert de Pruisische naturalist Johann Sigismund Elsholtz (1623-1688), een van de eerste wetenschappers die het belang van hygiëne in zag bij het voorkomen van ziekten. Het tweede deel, ciliata, is afgeleid van het Latijnse cilium, wat 'ooglid' betekent en de kliertjes aan de onderzijde van het blad beschrijft.

De geur en smaak van de Vietnamese melisse lijken ietwat op een verrasende combinatie van majoraan en citroenmelisse. In de Vietnamese keuken worden de bladeren van dit kruid gebruikt om vlees, soepen en salades te kruiden met een citroenachtige smaakbeleving. Ook de vermalen zaadjes kunnen als specerij voor hetzelfde doel worden gebruikt.

Omdat het nog niet zo gek lang geleden is dat de gezondheidszorg in Zuidoost-Azië nog niet op een hoog peil stond, werd ook de Vietnamese melisse toegepast als medicijn. Zo zag men het alom als middel tegen winderigheid. In de traditionele Chinese geneeskunst werd het kruid gebruikt bij maagproblemen, om zweten op te wekken en als middel tegen slechte adem (halitose). Verder zou het als kruidendrank kunnen helpen bij griep en verkoudheid.

Beemdkroon

Beemdkroon (Knautia arvensis) is een overblijvende zomerbloeier met een vertakte wortelstokuit de kamperfoeliefamilie (Caprifoliaceae). De hoogte van deze soort varieert behoorlijk van zo'n 25 tot 100 centimeter. De soort komt algemeen in Nederland voor maar heeft het moeilijk, wat hem een plekje op de Nederlandse Rode lijst van planten heeft opgeleverd. Beemdkroon komt voor in zowel Europa als Azië. Hij houdt van grassige plekjes met droge bodems, terwijl hij een lastige zware ondergrond zal pogen te vermijden. Door hun fijne beharing lijken de beemdkronen geheel grijsgroen gekleurde kruiden. De beemdkroon heeft in het midden wat veervormige bladeren, terwijl ze aan de onderzijde peervormig zijn. Hij bloeit met prachtige lila bloemen, al komen er in zeldzame gevallen ook witte of gele bloemen voor.
[Image: K.vliet]

Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Knautia, eert Christian Knaut (1656-1716) ooit Duitse lijfarts van de hertog van Anhalt-Köthen, plantkundige en bibliothecaris. Hij ontwikkelde een (thans geheel vergeten) classificatiesysteem voor bloeiende planten, gebaseerd op het aantal en de vorm van de bloemblaadjes. Het tweede deel, arvensis, is Latijns, want arvum is 'akker' en betekent daarom ‘op akkers (groeiend)'. Mocht je je afvragen wat 'beemd' betekent: het is een woord dat in het Zuid-Nederlands en Belgisch dat gebruikt wordt om een weide aan te duiden.

In het Engels wordt deze soort field scabious genoemd en in die benaming vinden we de eerste aanwijzing van zijn vroegere gebruik. Scabious is namelijk 'schurft'. Dit kruid werd namelijk ingezet bij de bestrijding van schurft, eczeem en andere huidaandoeningen, waaronder zweren die door de builenpest werden veroorzaakt.

Beemdkroon, zo wordt gedacht, zou chemische stofjes bevatten die de huid helpen uitdrogen, wat inderdaad van belang kan zijn bij de bestrijding van vervelende huidproblemen. Verder zou deze soort kunnen helpen om borstinfecties te verhelpen door het ophoesten van slijm te bevorderen. Bij hoest werd aanbevolen een drankje te maken van gekonfijte bloemen.

In Westelijk Brabant was de naam luizebloem in zwang, omdat de plant gebruikt werd ter bestrijding van hoofdluis. Rembert Dodoens (1517- 1585), onder zijn Latijnse naam Rembertus Dodonaeus, vermeldt deze toepassing al in zijn Cruydeboeck (1554). Hij geeft de raad de plant in loog te koken en met dit aftreksel het hoofd te wassen.

Nu zou ik niet direct naar een apotheek, drogist of tuincentrum rennen om pillen, capsules of drankjes te kopen waarin beemdkroon verwerkt is. Mensen die het bovenstaande beweren zijn namelijk vergeten om na te gaan wat de moderne wetenschap over dat onderwerp zegt. Die wetenschap zegt helemaal niets, want de medicinale werking van de beemdkroon is nog nooit onderwerp van enig onderzoek geweest.

Kaneelbloemknoppen

Kaneelbloemknoppen, soms ook foutief kaneelbloesem genoemd, zijn de nog ongeopende bloemen van de kaneelboom. Ze worden geplukt juist voordat ze voor het eerst open zouden gaan en vervolgens in de zon gedroogd. Nu zijn er verschillende soorten bomen binnen de kaneelboomfamilie en de meesten daarvan kunnen worden gebruikt om de bloemknoppen te oogsten. In de handel worden echter voornamelijk die van de Chinese kaneelboom (Cinnamomum cassia) aangeboden.
De kaneelbloemknoppen lijken erg op de kruidnagel en dat is niet zo vreemd want dat zijn op hun beurt weer de gedroogde en nog ongeopende bloemknoppen van de kruidnagelboom (Syzygium aromaticum).

De Chinese kaneelboom is een ver familielid van de laurier. Hij kan een hoogte bereiken van zo'n 15 meter en groeit in wat landen in Indochina ofwel het continentale deel van Zuidoost-Azië.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Cinnamomum, heeft natuurlijk dezelfde oorsprong als cinnamon het Engelse woord voor kaneel. Omdat kaneel al sinds onheugelijke tijden door Arabische handelaren vanuit Azië werd aangevoerd, heeft ook de naam een soortgelijke lange reis achter de rug: de oude Grieken leenden hun woord kinnamomum van het oude Hebreeuwse woord kinamom en het Aramese qunimom. Uiteindelijk zou het verwant zijn aan het hedendaagse Indonesische kaya manis (‘zoet hout’). Het tweede deel, Cassia, is afkomstig van het Griekse kasia (κασία), van het Hebreeuwse q'tsi-ah en qatsa, dat ‘afkappen, afstrippen (van de bast)’ heeft betekend.

De geur van kaneelbloemknoppen heeft als basis die van kaneel, maar is een stuk complexer. Kenners noemen het kaneel met een meer bloemiger, zelfs wat naar naar wijn neigende geur. De geur is intens. Het ruikt en smaakt zowel mild peperig, puur, aards als zoet. Om die geur echt uit de bloemknoppen te krijgen moeten ze eigenlijk worden fijngemalen, maar ze worden ook wel in hun geheel in gerechten verwerkt. Maal echter niet teveel, want deze specerij (of is dit weer een kruid), verliest na het malen al snel zijn geur en smaak. De weinige etherische oliën vervliegen dan immers een stuk sneller.

Kaneelbloemknoppen worden veel gebruikt in diverse regionale keukens. Ze worden gebruikt voor het koken van zowel zoete als pittige gerechten, maar ook in traditionele gerechten uit de Chinese of Indonesische keuken. Ze verfijnen hertenvlees, lamsvlees en gevogelte. Het geeft diverse compôtes (abrikozen, appel en peren) en jams een heerlijk delicaat aroma.

Doordat kaneelbloemknoppen een wat minder overheersende geur en smaak hebben als kaneel zijn ze ook perfect te combineren met andere specerijen, waaronder steranijs, zoethout, venkel, Sichuanpeper, kardemom, kruidnagel, korianderzaad, gember, kurkuma (koenjit of geelwortel), nootmuskaat en foelie.