Australische indigo
De Australische indigo is in oostelijke delen van Australië een veel voorkomende en wijdverspreide soort. Deze soort groeit voornamelijk in open bossen en eucalyptusbossen, maar ook in de woestijn en in de marge van het regenwoud in het noorden.
In diens natuurlijke habitat vertoont de Australische indigo zich als een rechtopstaande, tot twee meter hoge struik met nogal flexibele stengels. De bladeren zijn geveerd, staan open op de stelen, zijn ongeveer tien centimeter lang en voelen fluweelzacht aan. De bloemkleur is ongebruikelijk, variërend van zachtpaarse tinten, vaak rozeachtig en een verandering ten opzichte van andere soorten die tegelijkertijd bloeien. Ze kunnen op elk moment vanaf juli opengaan en kunnen blijven bloeien tot november in een koele lente.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Indigofera, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar indikós (Ἰνδῐκός) '(kleurstof uit) India' betekende en fera via fero (Φερω) 'dragend'. Het tweede deel, australis, betekent uiteraard 'uit Australië', maar die benaming is weer geleend uit het Latijn, waar auster 'zuid' betekende, gecombineerd met de uitgang -ālis, wat het voorgaande woord versterkt. Zuidelijker dan dát continent kon je niet komen, zo dachten de vroegere ontdekkingsreizigers. Totdat ze de Zuidpool ontdekten.
De aantrekkelijke bloemen en het aanpassingsvermogen van de plant om in verschillende klimatologische omstandigheden te groeien, maken hem zeer geschikt als sierplant in Australië. De soort heeft echter de neiging om zich ietwat invasief te gedragen en andere plantensoorten te verdringen.
Nu rijst natuurlijk de vraag of de oorspronkelijke bewoners van Australië, de Aboriginals, de Australische indigo ook gebruikten voor het maken van de bekende prachtige blauwpaarse kleuren. Het antwoord op die vraag is zowel 'ja' als 'nee'. De Aboriginals, die tegenwoordig veel te correct First Nations Australians moeten worden genoemd, gebruikten de bladeren en de stelen om een geelbruine kleurstof te produceren met aluin als beitsmiddel. Zelfs de Romeinen kenden al aluin en gebruikten het beitsmiddel voor een betere aanhechting van de kostbare purperkleurige verfstof op de mantels van de belangrijkste senatoren. Deze aluin werd hoofdzakelijk gewonnen in bepaalde berggebieden van Klein-Azië.
Ook werden de gekneusde bladeren door de Aboriginals in het water van een beek of rivier gegooid om vissen te verdoven of te doden. Het blijkt dat de plant inderdaad ietwat giftig is als gevolg van de aanmaak van kleine hoeveelheden cyaniden.
Citroengeranium
De citroengeranium (Pelargonium graveolens) is inheems in Zuid-Afrika, Zimbabwe en Mozambique. Deze plant vertoont zich aan de wereld als een rechtopstaande, meervoudig vertakte struik, die tot anderhalve meter hoog wordt. De bladeren zijn diep ingesneden, fluweelachtig en voelen zacht aan vanwege de klierharen. De bloemen variëren in kleur van lichtroze tot bijna wit. De plant bloeit van augustus tot januari. De bladeren kunnen sterk naar rozen ruiken, hoewel de bladvorm en geur kunnen variëren. Sommige planten ruiken heel sterk en andere hebben weinig tot zelfs geen geur. De meeste bladeren zijn diep ingesneden, terwijl anderen wat minder ingesneden kunnen zijn.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Pelargonium, is afgeleid van het Oudgriekse woord pelargós (πελαργός), wat 'ooievaar' betekende en probeert te verklaren dat de vruchten lijken op de snavel van een ooievaar. Het tweede deel, graveolens, is een combinatiewoord uit het Latijn: gravis is 'sterk' en olēns is 'geurend'.
De citroengeranium is van groot belang in de parfumindustrie en is alleen daarvoor al op grote schaal aangeplant in landen als Egypte, Algerije, Tunesië en Marokko. Uit de bladeren wordt een plantaardige olie gedestilleerd die bekend staat als geraniumolie. Die olie wordt, uiteraard sterk verdund in een neutrale massage-olie, veel ingezet voor aromatherapie en massages. Ook wordt het gebruikt om te mengen met dure rozenolie om die zo wat goedkoper te maken. Dat is niet zo vreemd, want geraniumolie bevat bijna dezelfde essentiële oliën die ook in rozenolie voorkomen: citronellol, nerol en geraniol. Vandaar ook dat de citroengeranium in Engelstalige landen bekend staat als rose-scented geranium.
Goed, de citroengeranium is vrijwel nutteloos om die vervelende muggen te verdrijven, maar wat kun je er dan nog mee? Het blijkt dat de bloemen en de bladeren ingezet kunnen worden als smaakmaker in cakes, jam, gelei, ijs, sorbets, salades, suikers en thee.
Zelfs in sommige exotische soorten pijptabak kunnen we de versneden bladeren aantreffen. Dan helpt de citroengeranium wél weer om muggen op veilige afstand te houden.
Wetenschappelijk onderzoek uit 2023 lijkt aan te tonen dat citroengeranium ontstekingsremmende eigenschappen heeft[2]. Ze remmen de activiteit van inhibit NF-κB and caspase-1, die allebei een rol spelen bij de immuunrespons bij infecties. Dat is handig, want dan heb je minder last als je 's nachts door zo'n zoemende lastpak gestoken bent.
[1] Bart Knols: Mug - 2009
[2] Pereira et al: Anti-inflammatory activity of essential oils from Tunisian aromatic and medicinal plants and their major constituents in THP-1 macrophages in Food Research International - 2023
Anijsblad
Columbus heeft niet goed gezocht (of niet de goede vragen gesteld), want er groeien wel degelijk familieleden van de peper op het nieuw ontdekte continent. Al eerder heb ik de wilde peper of heilige peper (Piper amalago) beschreven. Ook de puntige peper (Piper aduncum) groeit in het wild in Midden- en Zuid-Amerika. Ook anijsblad (Piper marginatum) is een Amerikaanse peper.
Anijsblad groeit op vochtige, schaduwrijke plekken in de tropische regenwouden van Mexico tot Ecuador, Brazilië en de Caribische eilanden. Deze soort is een tot drie meter hoge struik. De bladeren zijn tot vier centimeter lang en hartvormig. Anijsblad bloeit met witte, rechtopstaande bloemen. De vruchten zijn groen.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Piper, is via het Grieks en het Persisch terug te voeren op een oeroud woord uit het Sanskriet, waar pippali ‘lange peper’ betekende. Het tweede deel, marginatum, is afkomstig uit het Latijn waar margō 'grens' of 'rand' betekende. Het is verwant aan ons moderne woord 'marge'. Het verklaart de vindplaats van deze soort.
De kleine besjes doen dienst als een vervanger van zwarte peper.
Deze sterk naar anijs geurende plant is een van de meest geliefde medicinale planten van Suriname. Een heet afkooksel van de bladeren dient als stoombad bij griep, verkoudheid, hoest, koorts en bijholteontsteking. Een kruidendrank van het blad drinkt men bij verkoudheid, bronchitis, buikkrampen, diarree, koorts, hoge bloeddruk, geelzucht en urinewegontstekingen. Het jonge blad wordt fijngewreven, met water vermengd en opgedronken als middel tegen heftig braken. Bij hoofdpijn zou het helpen om een grote bos anijsblad ’s nachts onder je kussen te leggen. Een kruidenbad met anijsblad neemt men bij verkoudheid, jeuk, koorts, huidirritatie, overgeven en baarmoederproblemen.
De bladeren bevatten flavonoïden als vitexine en marginatoside. Anijsblad bevat kennelijk ook insectenwerende eigenschappen: het weert luizen, want in Suriname gooien ze anijsbladeren in de kippenren als de arme dieren last hebben van luizen. Misschien bijgeloof, zo zal een kritische lezer opmerken, maar onderschat de Surinamers niet. De wetenschap heeft namelijk ontdekt dat een essentiële olie uit anijsblad effectief de larven van muskieten kan doden[1].
[1] Autran et al: Chemical composition, oviposition deterrent and larvicidal activities against Aedes aegypti of essential oils from Piper marginatum Jacq. (Piperaceae) in Bioresource Technology – 2009. Zie hier.
Paardenbloem
Een paardenbloem bezit een schotelvormig bloemhoofdje dat slechts bestaat uit gele lintbloemen. De stengel is hol en heeft geen bladeren. De diep ingesneden bladeren staan in een bladrozet bij elkaar. Bij kneuzing vloeit witte, melkachtige latex uit de plant. De penwortel kan decimeters diep de grond in dringen. Paardenbloemen planten zich vooral voort middels apomixie, een soort ongeslachtelijke voortplanting. Maar deze soort kan zich ook voortplanten door middel van bevruchting. De vrucht is een piepklein eenzadig nootje. Aan het nootje zit het gesteelde vruchtpluis en die constructie zorgt ervoor dat het zo eenvoudig door de wind wordt meegevoerd.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Taraxacum, is uiteindelijk afgeleid van het Arabische woord ṭaraḵšaqūn (طَرَخْشَقُون), wat letterlijk 'kruid van de armen' betekent, omdat de paadenbloem alleen in tijden van extreme schaarste werd gegeten. Het tweede deel, officinale, komt uit het Latijn en betekent ‘werkplaats’ of ‘kantoor’. In het Engels is het verband nog veel duidelijker te zien want een ‘kantoor’ is daar een office. Het is een naam voor een heilzame plant die verkocht werd in winkels en drogisterijen.
In Frankrijk en Duitsland wordt deze soort respectievelijk dent-de-lion en Löwenzahn ('leeuwentand') genoemd naar de vorm van de bladeren. De Britten verbasterden de Franse benaming tot dandelion.
De wortel en de jonge toppen van de paardenbloem worden al sinds onheugelijke tijden (en dat is lang) gebruikt als medicinaal kruid[1]. De jonge bladeren worden, vanwege de voedingswaarde, ook gebruikt als voedingsmiddel in salades, dranken en groentegerechten. Onderzoek toont aan dat de bladeren van van de paardenbloem hoge concentraties vezels, mineralen, vitamines en essentiële vetzuren bevatten.
De hele plant bevat veel verschillende fytochemicaliën die worden aangetroffen in bloem, blad, stengel en wortel van de plant. De belangrijkste daarvan zijn carotenoïden, flavonoïden (bijvoorbeeld quercetine, chrysoeriol, luteoline-7-glucoside), fenolzuren (bijvoorbeeld cafeïnezuur, chlorogeenzuur, cichoreizuur), polysacchariden (bijvoorbeeld inuline), sesquiterpeenlactonen (bijvoorbeeld taraxinezuur, taraxacoside, 11p,13-dihydrolactucine, ixerine D, taraxacolide-O-p-glucopyranoside), sterolen (bijvoorbeeld taraxasterol, p-sitosterol, stigmasterol) en triterpenen (bijvoorbeeld α-amyrine).
Eén studie claimt dat de paardenbloem vochtafdrijvende eigenschappen heeft (bij muizen). Een ander onderzoek leek aan te tonen dat het leverschade beperkt bij een overdosis paracetamol (bij muizen). Een extract van paardenbloemen beschermt de lever tegen schade van overmatig alcoholgebruik (bij mensen). Weer een ander onderzoek meent dat een extract het immuunsysteem kan verbeteren (in een reageerbuis). Onderzoek toont ook aan dat een paardenbloemextract influenza-infecties kan voorkomen door virusreplicatie te remmen (bij mensen). Een eerdere studie toonde aan dat taraxasterol uit de paardenbloem de ontsteking bij artritis remt (in een reageerbuisje). Verder lijkt de paardenbloem een effect te hebben op overgewicht en diabetes (bij muizen).
Niet gek voor een soort vergeten groente en medicijn, waarvan we vooral denken dat het een onkruid is. Op naar Albert Heijn voor een zak molsla (of paardenbloemsla).
[1] Di Napoli, Zucchetti: A comprehensive review of the benefits of Taraxacum officinale on human health in Bulletin of the National Research Centre – 2021. Zie hier.
Witte salie
De struik kan tot 1.5 meter hoog worden en heeft witachtige groenblijvende bladeren die tot negen centimeter lang zijn. De bloemen zijn wit tot licht lavendelkleurig.
Deze bladeren zijn dik bedekt met haren die olieklieren die geactiveerd worden wanneer ze beroerd worden. Dan komen er oliën en harsen vrij met een sterke geur. De genoemde harsen zijn bittere terpenoïden en ze worden aangemaakt om vraat van planteneters te voorkomen.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Salvia, is te herleiden tot het Latijnse woord salvere (‘redden’), een woord dat zelfs nu nog in het Engels te herkennen is als save. Het tweede deel, apiana, is ook afkomstig uit het Latijn waar apis 'bij' betekent. Het verklaart dat de witte salie zeer aantrekkelijk is voor bijen.
Witte salie wordt veel gebruikt door inheemse Amerikaanse volkeren (ofwel Indianen, al weet ik niet of deze term tegenwoordig ook al 'besmet' is) aan de kusten van de Stille Oceaan van de Verenigde Staten. Het zaad is zelfs een traditioneel ingrediënt in pinole, een basisvoedsel. De stamleden van de Cahuilla hebben van oudsher grote hoeveelheden van het zaad geoogst en het vervolgens gemengd met tarwebloem, suiker en specerijen om pap en koekjes te maken. Die oorspronkelijke bewoners van Amerika waren echter jagers en verzamelaars en gebruikten ook vele andere zaden in hun pinole (of pinol of pinolillo). Vooral maïs vond zijn weg in die pinole en dat is dan ook de oorsprong van het woord zelf: in het Nahuatl, de taal van de oude Azteken, betekent pinolli 'maïsmeel'.
De bladeren en stengels zijn nog steeds een voedsel onder de traditioneel levende leden van de Chumash en naburige gemeenschappen.
In de traditionele geneeskunst gebruikten verschillende stammen het zaad om voorwerpen uit het oog te spoelen. Bovendien is salie natuurlijk antiseptisch dus je ogen zijn direct ook ontsmet. Een thee van de wortels is traditioneel onder de vrouwen van diverse stammen voor de genezing en het herstel van kracht na een bevalling.
Zelf witte salie kweken?
Op zoek naar spirituele planten met een geschiedenis? Deze zaden van de witte salie (Salvia apiana) staan bekend om hun rituele en aromatische toepassingen. 👉 Witte saliezaden (Salvia apiana)
Want to grow your own white sage?
Interested in spiritual and aromatic plants? These white sage seeds (Salvia apiana) are known for their cleansing properties and deep cultural roots.
👉 White sage seeds (Salvia apiana)
Baobab
Van de acht soorten die (nog) bestaan binnen het Adansoniageslacht, groeien er zes uitsluitend op Madagaskar; de Afrikaanse baobab soort komt algemeen in Afrika voor en één soort is inheems in het noorden van Australië. De Afrikaanse baobab groeit langs de zuidelijke rand van de Sahara tot in Zuid-Afrika. Het is de dikste boom ter wereld (met soms een omtrek van meer dan tien meter) en de boom kan soms breder zijn dan hij hoog is. Een baobab kan heel oud worden en een exemplaar in Zimbabwe bleek na onderzoek circa 2450 jaar oud te zijn. Naarmate de boom veroudert, wordt de stam hol en wordt dan zelfs als hut, winkel of zelfs café gebruikt.
De Afrikaanse baobab bloeit met prachtige crèmewitte bloemen, die alleen ’s nachts opengaan. Ze zijn groot en hangen afzonderlijk aan een bloemsteel. Ze zijn daarmee aangepast aan bestuiving door nectardrinkende vleermuizen. Na de bloei ontstaan de ovale vruchten met zuur, eetbaar vruchtpulp en vele zaden. Die zaden zijn de oorsprong van zijn naamgeving: baobab is afgeleid van het Arabische abū ḥibāb, wat 'vader van veel zaad' betekent.
Enorme hoeveelheden water worden in de stam opgeslagen, wat nodig is om de boom in droge tijden te laten overleven. Bosjesmannen in de Kalahari overleven door het water in de stam op te zuigen met holle grasstengels.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Adansonia, eert de Franse botanicus Michel Adanson (1727-1806). Een groot deel van werkzame leven bracht hij in Senegal door met het bestuderen van inheemse flora en fauna, waaronder de Afrikaanse baobab. Het tweede deel, digitata, is afgeleid van het Latijnse digitate, wat 'vingers hebbend' betekent en de vorm van het blad beschrijft.
Het vruchtvlees is zeer voedzaam en zit vol met vitamine C. In Afrika maakt men een verkoelende drank van het vruchtvlees die beschermt tegen scheurbuik en ook in andere opzichten een medicinale werking zou hebben. Uit het zaad kan een goudgele olie worden gewonnen. Deze extra virgine baobabolie heeft een ietwat nootachtige smaak en wordt in Afrika veel gebruikt voor bakken en braden.
Van de vezels van de stam worden touw en kleding gemaakt. De schors, bladeren en vruchten van baobab spelen allemaal een rol in de traditionele geneeskunst in Afrika. Van de talloze traditionele gebruikswijzen van deze boom hebben er vele een magische achtergrond, ongetwijfeld verband houdend met de bizarre vorm van de boom.
Biologische rode baobabthee en baobabolie kan men hier bestellen.
Zelf een baobab kweken?
Een baobab (Adansonia digitata) is geen gewone boom, maar een legende op zich. Met deze zaden van de baobab haal je de ‘Tree of Life’ in huis.
👉 Baobabboomzaden (Adansonia digitata)
Want to grow your own baobab?
The baobab isn’t just a tree – it’s a legend. These baobab seeds (Adansonia digitata) let you grow your own Tree of Life, straight from Africa.
👉 Baobab tree seeds (Adansonia digitata)
Suikerwortel
Suikerwortel is een vaste plant, die behoort tot de schermbloemigen (Apiaceae). De soort kan tot 1,50 meter hoog worden. De plant bloeit in juli en augustus met vier millimeter grote, witte bloemen. Suikerwortel maakt onder de grond een bundel vingerdikke wortels die tot 15 centimeter lang kunnen zijn. Aan de buitenkant zien ze er onappetijtelijk uit, maar van binnen is het vlees wit.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Sium, is geleend uit het Oudgrieks, waar síon (σίον) 'modder' betekent en verwijst naar vochtige grond ofwel oever of moeras. Het tweede deel, sisarum, stelt iedereen voor een raadsel. In het Oudgrieks bestaat het woord sisaron niet en de suikerwortel zelf was daar tot de Middeleeuwen onbekend. Mogelijk is sisarum een regionale variant van sium.
Het is onbekend waar de suikerwortel inheems is (of was). Mogelijk stamt hij uit noordoostelijk Rusland en dat de Vikingen hem zuidwaarts hebben vervoerd op hun tochten via de Wolga naar Byzantium, een plaats die later Constantinopel werd genoemd en tegenwoordig bekend staat als Istanbul. In Engeland noemen ze hem skirret en die benaming zou verwant zijn aan het Oud-Noorse sykurrót ('suikerwortel') en is dus ook een aanwijzing dat de Vikingen hem hebben ingevoerd. Suikerwortel stamt dus uit koelere oorden, was onbekend in de warmste delen van het Mediterrane gebied en het meest zuidelijke gebied waar de teelt bekend is was Zuid-Frankrijk.
Ooit werd de suikerwortel ook in ons land uitbundig geteeld en gegeten. Het probleem was natuurlijk dat er in het verleden maar weinig echt zoete producten jaarrond beschikbaar waren. Pas toen de suiker uit de suikerbiet en later uit suikerriet gemeengoed werden, raakte de suikerwortel al snel in de vergetelheid.
De wortel werd zelden rauw gegeten en meestal gekookt. Ze is stevig van structuur, smaakt zoet en ietwat bloemig. De smaak lijkt op een kruising tussen wortel en pastinaak, maar er zit ook iets van noot in. Ze kunnen ook worden gekookt, gebakken of toegevoegd aan soepen.
Oude kruidboeken en kookboeken dichten de suikerwortel een heilzame werking toe: zieken zouden er van opknappen, de consumptie zou goed voor de maag zijn en suikerwortel zou vochtafdrijvend zijn. Maar goed, de wortel is zoet en daar knap je altijd een beetje van op.
De wortel van suikerwortel bevat 4 tot 8 procent suiker. De suikerbiet levert tegenwoordig ongeveer 17 procent, maar daar is uiteraard jarenlange verbetering aan vooraf gegaan. Het suikergehalte van suikerriet ligt met 12 tot 16 procent iets lager dan dat van suikerbiet.
Eigenlijk zou de teelt van suikerwortel in ons land zeer interessant zijn als wisselteelt: het ene jaar suikerbieten, het andere jaar aardappels en het derde jaar suikerwortel.
Oublie
![]() | |
| [Image credit: Scamperdale] |
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Pentadiplandra, is een combinatiewoord uit het Oud-Grieks, waar pénte (πέντε) 'vijf' betekende, diplóos (διπλόος) 'dubbel' en andrós (ἀνδρός) 'mannelijk'. Samen is het een verwijzing naar de een verwijzing naar de meestal twee series van elk vijf meeldraden. Het tweede deel, brazzeana, eert Jacques Savorgnan di Brazza, ook bekend als Giacomo Savorgnan de Brazza e Cergneu (1859-1888), een van oorsprong Italiaanse ontdekkingsreiziger met ook de Franse nationaliteit.
Het vruchtvlees van de bes van de oublie is superzoet. Zo zoet is het vruchtvlees dat men de hele boom maar de naam oublie heb gegeven: het Franse werkwoord oublier betekent immers 'vergeten'. Zuigelingen vinden melk, gezoet met vruchtvlees zo lekker zoet dat ze de moedermelk 'vergeten'.
![]() |
| [Image credit: Scamperdale] |
Die zoete smaak is het gevolg van de aanwezigheid van een tweetal eiwitten met de namen brazzeïne en pentadine. Brazzeïne is zo'n 2,000 keer zo zoet als sacharose ofwel kristalsuiker[1]. Pentadine is ongeveer 500 keer zo zoet als suiker[2]. Beide moleculen zijn dus laagcalorische zoetstoffen of intensieve zoetstoffen, maar het gebruik is nog niet toegestaan in de Europese Unie en dat is jammer. De export van de bessen zou de wankele economie van enkele West-Afrikaanse landen een steuntje in de rug kunnen geven.
De vrucht smaakt zoet voor mensen, apen en bonobo's, maar de westelijke laagland gorilla's (Gorilla gorilla) laten deze bessen links liggen, want die hebben twee mutaties in hun receptor voor de zoete smaak, de taste receptor type 1 member 3 (TAS1R3), waardoor ze brazzeïne niet als zoet ervaren.
[1] Ming, Hellekant: Brazzein, a new high-potency thermostable sweet protein from Pentadiplandra brazzeana B in FEBS Letters - 1994. Zie hier.
[2] Van der Wel et al: Isolation and characterization of pentadin, the sweet principle of Pentadiplandra brazzeana Baillon in Chemical Senses – 1989. Zie hier.
Gewone brunel
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Prunella, is een Latijnse verbastering van de Duitse benaming, want daar noemt men hem der Braune ('de Bruine'). Maar de gewone brunel heeft toch paarse bloemen en is helemaal niet bruin, zoals je nu terecht zult opmerken. Dat klopt, maar hij is vernoemd naar een ziektebeeld dat in Duitsland zo genoemd wordt en hier als keelabces in de medische handboeken staat. Met een extract van de gewone brunel moest je gorgelen om de keelklachten de verzachten. Overigens is de naam 'brunel' zelf ook al verwant aan der Braune. Zelfs in Engelstalige landen noemen ze hem brownwort ('bruinwortel'). Het tweede deel, vulgaris, kunnen we herleiden tot het Latijnse vulgus, wat ooit 'het gewone volk' heeft betekend. Tegenwoordig betekent 'vulgair' zoiets als 'ordinair'.
De gewone brunel is eetbaar en kan toegepast worden in salades, soepen, stoofpotjes en zelfs worden gekookt als groente. In de traditionele Chinese medicijnkast kun je hem ook aantreffen onder de naam xia ku cao. Daar gebruiken ze de wortel voor de behandeling van duizeligheid, rode ogen (conjunctivitis), droge hoest, eczeem (dermatitis) en puisten. Hij wordt dus voornamelijk ingezet als ontstekingsremmer en dus rijst de vraag of de gewone brunel die activiteit ook daadwerkelijk bezit.
Omdat wetenschappers zeer nieuwsgierig zijn hebben ze de gewone brunel maar eens goed onderzocht. Het bleek uit verschillende onderzoeken dat deze plant inderdaad allerhande inhoudsstofjes in zich herbergt die biologisch actief blijken te zijn. Zo lijken ze antibacteriële, immunosuppressieve, kankerbestrijdende, hart- en bloedvaten beschermende, anti-allergene en ontstekingsremmende eigenschappen te hebben[1].
Moet je nu direct een weiland induiken om de gewone brunel te plukken als je last van een ontsteking hebt? Welnee. Dat een plant een ontstekingsremmende activiteit heeft wil natuurlijk niet zeggen dat het beter werkt dan een antibioticakuur die je husarts heeft voorgeschreven. Maar het kan zeker geen kwaad om vanaf nu af en toe wat bladeren van de gewone brunel te plukken en aan je salade toe te voegen. Wel even goed afwassen, want door de mileuvervuiling is de natuur immers vies geworden.
Daarom kun je misschien beter even bij een goede toko langsgaan om daar je gewone brunel te kopen.
[1] Mir et al: Prunella vulgaris L: Critical Pharmacological, Expository Traditional Uses and Extensive Phytochemistry: A Review in Current Drug Discovery Technologies - 2022
West-Indische laurier (of bayboom)
De West-Indische laurier vertoont zich aan de wereld als een struik of boom die tot 12 meter hoog kan worden. De soort is in het bezit van een schilferige stam, kale en vierhoekige twijgen, alsmede leerachtige en kruidig geurende bladeren. Hij bloeit met een veelbloemige pluim met kleine bloemen met een groene kelk en witte kroonbladeren. Na de bloei volgt een paarsblauwe bes met enkele zaden.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Pimenta, is afkomstig uit het Spaans. Pimiento betekent '(chili)peper'. Dat is weer herleid van pimienta '(zwarte) peper'. Beide woorden zijn afgeleid van het Latijnse pigmentum ('pigment') omdat het een kleur aan voeding kon geven. Het tweede deel, racemosa, heeft een Latijnse herkomst, waar racēmus 'cluster' of 'bos' betekent. Het beschrijft de bloeiwijze.
Het West-Indische laurierblad is een stuk geuriger en aromatischer dan zijn Europese tegenhanger. De smaak is intens en zeer gekruid, met complexe tonen van kaneel, kruidnagel en nootmuskaat, samen met hints van vanille en kardemom. Als je over de gekneusde bladeren wrijft, blijft de kenmerkende geur urenlang aan je vingers hangen.
Het blad van de West-Indische laurier wordt in het hele Caribisch gebied veel gebruikt bij het koken van rijstgerechten, soepen en stoofschotels. Ze worden het meest gewaardeerd als ze in pap worden meegekookt. De bladeren worden ook gebruikt om thee te zetten - je kunt een pot zetten met alleen het laurierblad, met laurierblad en citroengras, of met laurierblad en cacao.
Hoewel laurierblaadjes worden gewaardeerd in de West-Indische keuken, worden ze ook in andere delen van het huis gebruikt, als luchtverfrisser of als insectenwerend middel. Verse laurierblaadjes kunnen in voorraadkasten en kasten worden gestrooid om insecten weg te houden. Omdat ze altijd voorhanden zijn, is het bijvullen van deze natuurlijke luchtverfrisser en insectenwerend middel nooit een probleem.
Ook wordt de West-Indische laurier lokaal ingezet voor bayrum: een parfum, deodorant, haarolie of scheerzeep die wordt geproduceerd door de bladeren in rum te weken om de essentiële oliën eruit te krijgen. Andere geurige ingrediënten worden soms ook nog extra toegevoegd, zoals limoen en kruidnagel.
Monk fruit
De plant toont zich aan de buitenwereld als een liaan die een lengte van drie tot vijf meter kan bereiken. Die lianen klimmen over en kronkelen om alles wat ze tegenkomen. De smalle, hartvormige bladeren zijn 10 tot 20 centimeter lang. De vrucht is rond, slechts vijf tot zeven centimeter in doorsnede. Hij is glad, geelbruin tot groenbruin van kleur met strepen vanaf het stengeluiteinde van de groeven en omhuld met een harde, maar dunne schil bedekt met fijne haartjes. De vrucht bevat een eetbare pulp, die vers wordt gegeten. Thee wordt gezet van de schillen. De zaden zijn langwerpig en bijna bolvormig. De zaden ontkiemen zeer langzaam en hebben een hoge temperatuur en luchtvochtigheid nodig. De plant wordt daarom voornamelijk in de Chinese provincie Guangxi geteeld. De bergen rond de plaats Guilin zorgen voor de schaduw en mist om te voorkomen dat de zon de planten verbrandt.
De eerste keer dat het monk fruit door Chinese monniken in documenten genoemd werd was al in de dertiende eeuw. Vandaar ook zijn naam: monk fruit.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Siraitia, is uiteindelijk te herleiden tot chidra, een woord uit het Sanskriet, dat 'gat', 'opening' of 'defect' betekende. Het verklaart de kronkelende route die de liaan volgt. Het tweede deel, rosvenorii, eert Gilbert Hovey Grosvenor (1875-1966), die ooit president van de National Geographic Society was en de fondsen regelde voor een expeditie die moest uitzoeken waar de monk fruit groeide.
De pulp van de monk fruit is dus zeer zoet. Die zoetheid is vooral het gevolg van de aanwezigheid van een vijftal mogrosiden, een groep triterpeenglycosiden. Alle zoete inhoudsstoffen samen zorgen voor een zoetstof die ongeveer 200 keer zo zoet is als suiker. Mongroside V is daarvan de zoetste: 425 keer zo zoet als suiker.
Monk fruit concentraat levert nauwelijks calorieën en de lage glycemische index verhoogt de bloedsuikerspiegel niet. Monk fruit kan gebruikt worden als zoetstof in voedingsmiddelen en dranken. Daarnaast kan het worden gebruikt bij het verlichten van allergieën, het zou de immuniteit verhogen en diabetes beheersen, vanwege zijn potentiële medicinale werking. Monk fruit lijkt weinig invloed te hebben op de totale dagelijkse energie-inname en op de glucose- en insulinerespons in vergelijking met suiker. Dit komt overeen met de effecten van andere zoetstoffen zoals aspartaam of stevia.
In Europa is Monk fruit wel beoordeeld, maar het is nog niet goedgekeurd als voedingsmiddel of zoetstof. De EFSA meende dat de gegevens betreffende mogelijke giftigheid nog onvoldoende waren. Door de FDA, de Amerikaanse voedselautoriteit, werd monk fruit intussen wel goedgekeurd en gezien als veilig voor consumptie (GRAS).
Puntige peper
![]() |
| [Image: João Medeiros - Puntige peper] |
Maar wat hij niet wist was dat er wel degelijk een aantal familieleden van de zwarte peper groeiden. Al eerder heb ik hier de wilde peper of heilige peper (Piper amalago of soms nog Piper sanctum) beschreven. Ook de puntige peper (Piper aduncum) groeit in het wild aan de kusten en in de bossen van Midden- en Zuid-Amerika.
De puntige peper vertoont zich aan de wereld als een struik of kleine boom die tot zeven meter hoog kan opgroeien. De soort is bebladerd met wat hangende, geelgroene en ruwbehaarde bladeren. Hij bloeit met 8 tot 15 centimeter 'puntige' vruchtaren, waarin kleine bloemen ringvormig zijn ingeplant. De vruchtaren zijn zeer sappig en de kleine, zwarte zaadjes liggen in het vruchtmoes[1].
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Piper, is via het Grieks en het Persisch terug te voeren op een oeroud woord uit het Sanskriet, waar pippali ‘lange peper’ betekende. Het tweede deel, aduncum, is afgeleid van het Latijnse aduncus, wat 'gebogen' betekent en de vorm van de vruchtaar verklaart.
Zoals veel soorten binnen deze familie heeft deze boom de karakteristieke geur van peper. De vruchten worden gebruikt als specerij en om cacao op smaak te brengen. Het wordt soms gebruikt als vervanging van lange peper (Piper longum).
Ook de bladeren van deze struik hebben een sterke pepergeur. Het blad wordt in Suriname, samen met postelein (Portulaca oleracea), gekookt en als lauw kruidenbad gebruikt voor baby’s die last hebben van 'zuurte' (korrelige ontlasting, darmkrampen en luieruitslag). Het kind geeft men ook kleine hoeveelheid van het badwater te drinken. Soms worden er ook wat rode katoenbladeren (Gossypium barbadense) meegekookt, maar dan mag de baby er niets van binnen krijgen[2].
In het Amazone-regenwoud gebruiken veel van de inheemse stammen de bladeren nog steeds als antisepticum. In Peru werd het gebruikt om bloedingen te stoppen en zweren te behandelen. Later werd het ook in Europa toegepast bij de behandeling van ziekten van de geslachtsorganen en urinewegen.
De bloedstelpende effecten waren erg handig voor de gewonde Spaanse conquistadores en daardoor staat deze specerij ook bekend als hierba del soldado ('soldatenkruid').
[1] Docters van Leeuwen: Verspreiding van zaden door de tjamperling - 1932
[2] Van Andel, Ruysschaert: Medicinale en rituele planten van Suriname - 2011
Vijgenblad
De het eerste deel van de wetenschappelijke naam van de ficus, Ficus, betekent in het Latijn gewoon ‘vijg’, maar dat vertelt ons nog niets. Het woord kan verder herleid worden tot het Griekse sukon (συκον) en daar herkennen we het Sumerische woord sukannu in. Zonder klinkers (die bestonden nog niet) wordt dat dus škn, wat zoiets betekende als 'wonen' of 'leefbaar'. Er werd vaak in de buurt van vijgenbomen een dorp gesticht. Het tweede deel, carica, is Grieks van oorsprong (Καρία) en betekent '(van) Karia', een regio welke thans deel uitmaakt van westelijk Turkije.
Uit een overzicht van eerdere wetenschappelijke onderzoeken bleek dat vijgenbladeren gunstige effecten hebben bij maag- en darmproblemen, aandoeningen van de luchtwegen, hart- en vaatziekten, diabetes, huidproblemen, zweren, dysenterie en aambeien[1]. Ik geef toe dat een deel van die onderzoeken zijn gepubliceerd in ietwat schimmige publicaties, maar het valt niet te ontkennen dat vijgenblad een interessant middel is om bepaalde gezondheidsproblemen mee te bestrijden.
Uit Japan kwam begin 2022 een wetenschappelijk onderzoek, waarin het effect wordt onderzocht van het drinken van vijgenbladthee op atopische dermatitis[2]. Atopische dermatitis wordt ook constitutioneel eczeem genoemd en is een chronische ontstekingsziekte van de huid. De vervelende verschijnselen zijn roodheid, schilfering, warmte, zwelling, rode bultjes, vochtblaasjes, vochtafscheiding, korstjes en de effecten van krabben. Er zijn vele prikkels (allergenen) die het opvlammen van eczeem kunnen veroorzaken. De behandeling bestaat vaak uit hormooncrèmes, al kunnen die niet te lang achtereen worden gebruikt vanwege de bijwerkingen.
Het blijkt dat het regelmatig drinken van vijgenbladthee de ernst van het eczeem significant verminderde. Vier weken na het stoppen van het drinken van de vijgenbladthee bleek het eczeem weer even erg als voor het onderzoek, wat bewees dat het effect het gevolg was van de vijgenbladthee.
De geïnteresseerde lezer van dit artikel zal zich inmiddels afvragen welke stofjes in het vijgenblad die positieve effecten op het eczeem tot gevolg hebben. Het probleem is dat die nog steeds niet bekend zijn. Wel speculeren de onderzoekers dat die nog onbekende stofjes een remmend effect hebben op de niveaus van IgE-antilichamen, die worden aangemaakt als reactie op binnengedrongen antigenen.
Je immuunsysteem wordt dus eigenlijk wat tot rust gebracht en zal minder extreem reageren.
Hoe maak je die vijgenbladthee?
Doe drie tot vijf vijgenbladeren in een pan en bedek ze met kokend water. Nadat je het water vijftien minuten hebt laten koken, verwijder je de bladeren. Laat het water afkoelen en het vijgenbladextract is klaar om te drinken. De thee heeft een heerlijke smaak en een sterk aroma, net als de vijg zelf.
[1] Zhongyuan et al: A comprehensive review on phytochemistry, bioactivities, toxicity studies, and clinical studies on Ficus carica Linn. Leaves in Biomedicine and Pharmacotherapy – 2021. Zie hier.
[2] Abe et al: Efficacy and Safety of Fig (Ficus carica L.) Leaf Tea in Adults with Mild Atopic Dermatitis: A Double-Blind, Randomized, Placebo-Controlled Preliminary Trial in Nutrients – 2022. Zie hier.
Afrikaanse eierplant (of Bittere tomaat)
Het opvallende is dat de vrucht van deze soort lijkt op een soort kruising tussen een aubergine (eggplant, in het Engels) en een tomaat. Biologen vermoeden dat de Afrikaanse eierplant wel eens kan afstammen van de paarse eierplant (Solanum anguivi), een wilde voorouder. Andere biologen proberen ons weer in verwarring te brengen door te melden dat de paarse eierplant slechts een cultivar is van de Afrikaanse eierplant.
In diens natuurlijke habitat heeft de Afrikaanse eierplant natuurlijk het voordeel van veel zonlicht. Dat zorgt voor een uitbundige groei, waardoor de vaak sterk vertakte plant wel 2,5 meter hoog kan worden. In ons land is het een stuk minder aangenaam en dus zal de Afrikaanse eierplant onder glas ingezaaid moeten worden en pas later worden uitgeplant op een zonnige plaats.
De bloemen zijn prachtig stervormig. Kelk- en kroonbladen zijn vergroeid. De kleur is wit. De vijf gele meeldraden zijn als een bundeltje rondom de stijl te vinden, maar zijn wel vrij van elkaar. Na de bloei ontstaat een vrucht, die er uitzien als kleine vleestomaatjes met een stevige steel of als een minipompoen. Meestal worden deze vruchten nog groen geoogst, voordat ze een dikke schil krijgen. Bij het rijpen ontstaat een diepe oranjerode kleur, onder andere door de vorming van behoorlijk wat caroteen. De smaak is afhankelijk van het ras zoetachtig tot iets bitter. De vrucht wordt zowel vers als gekookt gegeten. Omdat de vruchten ook in de late herfst beschikbaar zijn, worden het ook wel kerstaubergines genoemd.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Solanum, komt uiteindelijk van het Latijnse woord solacium wat ‘troost’ betekent. In de Nederlandse taal is de betekenis van 'soulaas' in de loop der jaren veranderd in 'verlichting' of 'steun'. Het tweede deel, aethiopicum, is Latijns en betekent '(uit) Ethiopië'.
In Afrikaanse landen worden de bladeren van de Afrikaanse eierplant als gekookte bladgroente gegeten en blijken eigenlijk nog voedzamer te zijn dan de vruchten. De vrucht wordt zowel rauw als gekookt gegeten. De bitterheid van die vrucht hangt af van de hoeveelheid saponine die het bevat. Daardoor hebben sommige cultivars een zoete smaak, terwijl andere erg bitter kunnen zijn.
Intussen wordt de plant steeds populairder als cultuurgewas. Daardoor ontstaan er meer en meer cultivars die aangepast zijn aan de plaatselijke omstandigheden en smaakbeleving. In ons land wordt de Afrikaanse eierplant uitsluitend ingezet als stekje in winterse bloemstukjes. Heb je toch een stukje Afrikaans zonlicht in huis tijdens die donkere dagen.
Wil je zelf eens proberen de Afrikaanse eierplant (of Bittere tomaat) op te kweken dan kun je hier de zaadjes bestellen.
Zoete osmanthus
De zoete osmanthus is een groenblijvende struik tot kleine boom die maximaal tot een meter of twaalf hoog kan worden. De fijngetande bladeren zijn tot 15 centimeter lang, waarbij een breedte van vijf centimeter hoort. De zoete osmanthus bloeit met bloemen in kleine clusters in de late zomer en herfst. De bloemen zijn wit, lichtgeel, geel of oranjegeel. Ze zijn maar klein, niet meer dan een centimeter lang, met een vierlobbige bloemkroon, maar hebben wel een sterke zoete geur die aan die van rijpe abrikozen doet denken. Vandaar zijn naam.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Osmanthus, is een combinatiewoord uit het Oud-Grieks, waar osmḗ (ὀσμή) 'geur' betekende en ánthos (ἄνθος) 'bloem'. Samen is dat dus 'geurende bloem'. Het tweede deel, fragrans, is terug te voeren op het Latijn, waar frāgrō 'geur' betekende. In het hedendaagse Engels is fragrant nog steeds 'geurig'.
Die geurige bloemen hebben uiteraard de aandacht getrokken van de Chinezen. Samen getrokken met zwarte of groene theeblaadjes ontwikkelden ze de osmanthusthee. Diezelfde bloemen worden nog steeds gebruikt om een smakelijke, naar zoete osmanthus geurende jam (of jelly) te maken. Recepten voor overheerlijke cakes met osmanthus bestaan ook, maar in China zijn ze zo dol op osmanthusbloemen dat ze die ook in soepen, likeuren en desserts verwerken.
Maar de osmanthus is niet alleen zoet, maar een thee, getrokken van de bloemen, werd naar verluid in China ingezet voor de behandeling van een onregelmatige menstruatie[1]. Ik heb het onderzoek even nagekeken, maar ben niet overtuigd van de werkzaamheid voor die kwaal. Persoonlijk zou ik eerst naar de huisarts gaan met dit soort klachten.
Dat er wat vervelende stofjes in de bloemen verstopt zitten blijkt ook uit het feit dat diezelfde bloemen in India gebruikt worden om insecten te verdrijven. Kleding wordt ingesmeerd met een extract van de bloemen. Persoonlijk zou ik denken dat insecten worden aangetrokken door de zoete geur, want daar is die evolutionair voor bedoeld.
[1] Zhou: Flower herbal tea used for treatment of menopathies in Journal of Traditional Chinese Medicine - 2008
Andalimanpeper
![]() |
| [Image: Kristina Purba - Verse andalimanpeper] |
De andalimanpeper is een broertje van de veel bekendere szechuanpeper (Zanthoxylum piperitum) en de veel onbekendere timutpeper (Zanthoxylum armatum). De andalimanpeper groeit als een grote struik of kleine boom die tot een meter of vijf hoog kan worden. Hij verdedigt zichzelf met vervaarlijke stekels en dat is logisch: in de onherbergzame gebieden, waarin hij leeft, is weinig voedsel te vinden voor grazers en die stekels zorgen er voor dat hij redelijk met rust gelaten wordt.
De bloemen waaruit de bessen groeien, bevinden zich in de direct omgeving van de doornen. De besjes bevatten één zaadje en kleuren rood wanneer ze afrijpen. De besjes zijn kleiner dan die van de zwarte peper (Piper nigrum), zo'n 2 tot 3 mm. Net als de besjes van de zwarte peper worden ze geplukt voordat ze rijpen en dus nog groen zijn. Dat kan het hele jaar door, met het hoogseizoen in maart. Ook de onrijpe andaliman-besjes kleuren zwart wanneer ze drogen. Voor een kilogram gedroogde andaliman zijn wel acht kilogram verse besjes nodig.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Zanthoxylum, is een combinatiewoord uit het Oud-Grieks, waar xanthos (ξανθός) 'geel' betekent en ksulon (ξύλον) 'hout'. Samen is dat dus 'geel hout'. Dat klopt, want de familie heeft diepgeel hout. Het tweede deel, acanthopdium, is eveneens een combinatiewoord uit het Oud-Grieks: ákanthos (ἄκανθος) van akḗ (ἀκή) 'doorn' en ánthos (ἄνθος) 'bloem', gekoppeld aan pódion (πόδιον) 'basis', een verkleinwoord van poús (πούς) 'voet'. Samen is dat dus 'doorn en bloem aan de basis'. De bloem zit niet op een lange steel.
De citroenachtige geur en smaak van de andalimanpeper heeft iets weg van die van citroengras (Cymbopogon flexuosus) met een hint van die van pandanblad (Pandanus amaryllifolius). Het aroma van szechuanpeper heeft daarentegen, volgens kenners, naast die van citrus ook een hint van lavendel (Lavandula angustifolia).
Andalimanpeper kan toegepast worden bij ieder vlees- of visgerecht. Het geeft er een heerlijk frisse smaak aan.
Afrikaanse indigo
![]() |
| [Image: Reiner Wendt] |
De Afrikaanse indigo (Philenoptera cyanescens) is een bladverliezende struik die een beetje een identiteitscrisis heeft: hij kan tot vier meter meter hoog kan worden of een klimplant met stengels tot 20 meter lang, vandaar zijn Franse benaming liane à indigo. De Afrikaanse indigo is inheems in tropische delen van West-Afrika. De soort groeit in bossen en struikgewas langs de kust, langs rivieren en langs de bosranden.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Philenoptera, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar philos (φίλος) 'vriend' betekende en pterón (πτερόν) 'vleugel'. Samen probeert het de vleugeltjes aan de peul te beschrijven die zorgen voor de verspreiding. Het tweede deel, cyanescens, is afgeleid van het Oudgriekse woord kúanos (κῠ́ᾰνος), wat de kleur donkerblauw beschreef.
De kleurstof zit verstopt in de bladeren. Deze worden gefermenteerd, waarna de uiteindelijk de indigo aan de plant onttrokken kan worden. Uit die bladeren kan 0.1 tot 0.3% van de precursors (voorlopers) van indoxyl onttrokken worden. Het kan een opbrengst opleveren van de indigokleurstof met tot 43% indigotine. De noodzakelijke alkaliteit wordt verkregen door loog uit houtas toe te voegen. De oplossing wordt 6 tot 8 dagen gefermenteerd en het verfbad is dan meestal klaar om de doek erin te laten inkleuren. Deze techniek was ten minste al vanaf de 11e eeuw in West-Afrika in gebruik.
Tijdens het verfproces hechten zich naast indigotine en diens broertje indirubine ook een hele serie gele flavonoïde kleurstoffen zoals quercetine, een quercetineglycoside, kaempferol en rhamnetine aan de vezel, maar deze verdwijnen geleidelijk door het dragen van de doek, blootstelling aan de zon en herhaaldelijk wassen.
Het gefermenteerde materiaal komt op de markt in de vorm van handmatig geperste bollen (aró in het Yoruba, een regionale taal). Er is enige export van de kleurstof vanuit Liberia naar Europa. Het wordt nog steeds gebruikt voor het verven van blauwe tot blauwzwarte katoenen doeken (gelijksoortig aan het Indische batik), schorsdoek, raffia en andere plantaardige vezels, leer, haar en houtsnijwerk.
Voordat men synthetische kleurstoffen ontwikkelde was er een bloeiende exporthandel van deze kleurstof naar Europa. Traditionele stof, geverfd met deze plant, wordt nog steeds in beperkte mate geëxporteerd naar Amerika, Europa en verschillende Afrikaanse landen.
Chinese indigo
In Indië bleek de (echte) indigo (Indigofera tinctoria) de meeste kleurstoffen in zich te herbergen, maar ook in Midden-Amerika konden bewoners met een broertje van de (echte) indigo de kleur blauw maken: Anil (Indigofera suffruticosa) stond plaatselijk ook bekend als Guatemalan indigo, West Indian indigo en wild indigo.
Maar hoe zit het in die andere oude wereldmachten: China en Japan? Moesten die zich behelpen met de invoer van de Indiase indigo?
Het is antwoord op die vraag is dat inventieve bewoners daar uiteraard een inheemse bron voor indigo wist te ontdekken. In zowel China als Japan maakte men dankbaar gebruik van de zogenaamde Chinese of Japanse indigo (Persicaria tinctoria). Deze indigo werd ingevoerd in Japan en daarom is het onjuist om hem Japanse indigo te noemen. Deze soort behoort tot de familie der duizendknopen, maar is weer geen directe familie van de Japanse duizendknoop (Fallopia japonica), al behoren ze wél tot hetzelfde geslacht, de Polygonaceae.
De Chinese indigo is inheems in Zuidoost-Azië. Het is een eenjarig kruid die gemiddeld zo'n 60 centimeter hoog zal worden. Hij is in het bezit van een sterk vertakte rossige stengel. De bladeren zijn ovaal tot elliptisch. Deze soort bloeit met een dichte felroze aar die tot vijf centimeter lang kan worden.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Persicaria, is afgeleid van het Latijnse woord persicarius, wat 'een perzikboom' betekent. De naam werd gekozen omdat de bladeren van deze indigosoort lijken op die van de perzikboom. Het tweede deel, tinctoria, is afkomstig uit het Latijn, waar tinctoria uiteraard 'geverfd' betekent. Ook ons woord 'tinctuur' heeft dezelfde oorsprong.
De indigo in de Chinese indigo zit verborgen in de bladeren. De techniek om die indigo aan de bladeren te ontfutselen was al bekend in de zogenaamde Westelijke Zhou periode (circa 1045 tot 771 vChr).
De bladeren maken onder invloed van fotosynthese behoorlijke grote hoeveelheden aan van de kleurloze stof indoxyl β-D-glucoside (ofwel indican). Men vermaalde de bladeren, weekte ze acht dagen in water en voegde tot slot limoensap toe. Via een chemisch proces, hydrolyse genaamd, ontstond indoxyl, dat na blootstelling aan zuurstof reageerde tot het blauwgekleurde indigo.
Het was een nogal arbeidintensief proces en daardoor waren de Chinese en Japanse werknemers vast behoorlijk opgelucht toen de indigo uit Indië kon worden geïmporteerd.
Dotterbloem
De dotterbloem wordt tot 40 centimeter hoog en houdt van een vochtige omgeving met zuurstofrijk water, maar is zoutmijdend. Daardoor ontbreekt deze soort in de zeekleigebieden. Daardoor vormt in Friesland de overgang van veen naar zeeklei de noordelijke grens voor de dotterbloem. De soort hebben intens dooiergele bloemen. Gewoonlijk zijn het er vijf, maar meer komen ook geregeld voor. De dotterbloem bloeit vooral in het midden van de lente en dat doet hij dan niet alleen: hij bloeit soms zo uitbundig dat er een gele gloed over het landschap lijkt te handen.
Door urbanisatie, ontwatering en bemesting is de dotterbloem sterk achteruit gegaan. Het politieke geneuzel over nitraat raakt ook deze soort, want hij is in staat veel nitraat op te nemen. Meer dotterbloemen betekent dus minder nitraat.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Caltha, is afgeleid van het Oud-Griekse woord kálathos (κάλαθος), wat een op een vaas lijkende mand, gemaakt van riet of twijgen was. Het probeert de vorm van de bloem te beschrijven. Het tweede deel, palustris, is gevormd uit het Latijnse woord palūs, wat 'moeras' betekende. Het beschrijft de favoriete standplaats van de dotterbloem. De oorsprong van het woord 'dotter' is ook bekend: het Middelnederlandse woord 'doder' (dodre) betekende ‘(ei)dooier’, daarmee verwijzend naar de gele kleur van de bloemen.
Ik zou de dotterbloem niet direct in je salade verwerken, want hij bevat een aantal gevaarlijke stofjes. De belangrijkste daarvan is protoanemonin. Innemen van wat grotere hoeveelheden lijdt onherroepelijk tot stuiptrekkingen, braken, bloederige diarree, duizeligheid en flauwvallen. Contact van de huid of slijmvliezen met de sappen kan tot blaarvorming of ontstekingen leiden.
Jongere planten en bloemknoppen lijken wat minder giftige stoffen te bevatten en verhitting breekt deze stoffen goed af. Die jonge bladeren of knoppen moeten een paar keer worden ondergedompeld in vers kokend water tot ze beetgaar zijn. Snij ze in kleine stukjes en serveer ze licht gezouten, gesmolten boter en azijn. In Duitsland worden zeer jonge bloemknoppen soms als kappertjes (Capparis spinosa) bereid door ze eerst te koken en vervolgens in te maken in azijn. Ze staan bij onze oosterburen bekend als falsche Kapern.
In deze periode met voortdurend stijgende prijzen is dat misschien niet eens zo'n slecht idee om die 'nep kappertjes' hier ook eens te proberen.
Japanse gember (of Myoga)
De Japanse gember is inheems in de gematigde klimaatgebieden in Zuidoost-Azië. Hoewel de plant soms in de bergen van Japan wordt aangetroffen, wordt de Japanse gember beschouwd als geïmporteerd vanaf het continent en in Japan gecultiveerd. De Japanse gember wordt namelijk alleen gevonden in gebieden waar mensen in het verleden hebben geleefd en er in Japan nooit wilde soorten zijn ontdekt. Bovendien is het chromosoom abnormaal, wat ook al duidt op langdurig menselijk ingrijpen. Mede daardoor lukt vermeerdering over het algemeen slechts door wortelstekken.
In tegenstelling tot de (gewone) gember is de wortel van de Japanse gember niet eetbaar, maar worden de naar roze neigende bloemknoppen gebruikt in diverse Japanse gerechten. Deze exclusieve bloemknoppen zijn in Japan zeer gewild en dienen geoogst te worden net voordat ze open gaan. Dus juist voordat de plant gaat bloeien. De smaak is een delicate mix van gember en bosui.
De plant ontluikt in de lente met een lange steel en prachtige groene bladeren. Een kleine plant groeit al snel uit tot een grote bos. Door de snelle groei komt hij het beste tot zijn recht in de volle grond op een gedeeltelijk beschaduwde plek. In de zomer zullen de eerste bloemknoppen verschijnen. Dit gaat door tot dat de eerste kou in de lucht komt in de (soms) late herfst. De bloemknoppen zijn eenvoudig van de plant af te breken of te snijden.
Snijd ze doormidden of in fijne reepjes. Ze kunnen worden gebruikt als garnering bij soepen, noedels en salades. Bovendien kunnen ze worden ingemaakt. Ze zijn kort houdbaar in de koelkast.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Zingiber, is allereerst afkomstig uit het Oud-Grieks: zingiberis (ζιγγ?βερις). Die versie is een vrij nauwkeurige transcriptie van hetzelfde woord in diverse Indiase talen, bijvoorbeeld het Pali (singivera) of het Sanskriet (shringavera). Die zijn op hun beurt weer afgeleid uit inji, het nog veel oudere Dravidische woord voor gember. Het tweede deel, mioga, is afgeleid van het Japanse 茗荷 (myōga). Dát woord is een verbastering van de term menoka ('zwak geurend') om het verschil met sterk geurende gembervarianten te beschrijven.
In China wordt de Japanse gember medicinaal gebruikt om hoest en reuma te behandelen. Modern wetenschappelijk onderzoek toont aan dat een extract van de bloemknoppen zowel het lichaamsgewicht als de cholesterolniveaus kan verminderen[1]. Weliswaar slechts bij muizen met overgewicht, maar het is een begin.
[1] Lee et al: Zingiber mioga reduces weight gain, insulin resistance and hepatic gluconeogenesis in diet-induced obese mice in Experimental and Therapeutic Medicine – 2016. Zie hier.
Ansjovis
De (Europese) ansjovis is verre familie van de haring. Als hij er in slaagt om uit de netten van vissers te blijven kan deze soort een lengte bereiken van zo'n 20 centimeter. Hij heeft een wat afgeronde kop met een korte onderkaak. Het voedsel bestaat uit dierlijk plankton. De ansjovis komt voor in de Atlantische Oceaan, de Noordzee, de Middellandse Zee, Zwarte Zee en het westelijke deel van de Indische Oceaan.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Engraulis, is afkomstig uit het Oud-grieks, waar éggraulis (ἔγγραυλις) al 'een soort sardine' betekende. Het tweede deel, encrasicolus, is een iets andere vorm van het hiervoor benoemde eerste deel.
Ansjovis wordt gepekeld in diverse Mediterrane keukens gebruikt. De ansjovissen worden daar minimaal een maand in zout ingelegd om ze voldoende op smaak te krijgen. Je zou verwachten dat de ansjovis hierdoor zout (en een zoute smaak) aan een gerecht toevoegt, maar vreemd genoeg werkt die vis als een smaakversterker, zoals Maggi of ve-tsin (E-621). Een gerecht smaakt dus niet zout of zouter, maar wordt hartiger en dat is de beroemde vijfde smaak.
Je dacht misschien dat er maar vier basissmaken bestaan: zoet, zuur, zout en bitter. Het waren de Japanners, die als eersten tot het besef kwamen dat we een vijfde smaak hebben die gevoelig is voor glutamaat, een aminozuur.
Die vijfde smaak heeft in Japan heeft deze smaak de naam umami ('hartig') gekregen. De smaak van umami is subtiel en versterkt de smaakbeleving van de andere smaken. De meeste mensen zullen umami niet eens kunnen herkennen. Oude kaas en tomaten zouden heel anders smaken zonder het aminozuur glutamaat. De witte zoutkristallen nabij de korst van oude kaas zijn in werkelijkheid glutamaatkristallen.
Zout staat tegenwoordig is een kwaad daglicht, want het zou zorgen voor een verhoogde bloeddruk en nog wat andere vervelende kwalen. Het advies is dus om zout zoveel mogelijk te vermijden en dus is ansjovis een perfect alternatief. Drapeer je dus wat ansjovisstukjes op je pizza, dan zul je ontdekken dat ook die pizza behoorlijk aan smaak heeft gewonnen.
In Spanje mag de ansjovis eerst een nachtje in azijn of citroensap liggen. Daarna wordt er extra vergine olijfolie>, knoflook en peterselie over gedaan en vervolgens wordt het visje als tapa (tapas is de meervoudsvorm) gegeten.
Koop de allerbeste kwaliteit ansjovis hier.
Roomse kamille
Met een naam als roomse kamille rijst de vraag natuurlijk of deze kamille uit de omgeving van Rome afkomstig is of dat hij vooral door Rooms-katholieken werd toegepast als medicinaal kruid. Is het kruid soms Roomser dan de paus? Het antwoord is dat deze kamillesoort de Romeinen vernoemt, die de plant tijdens hun veroveringstochten naar Noordwest-Europa zouden hebben meegenomen. Het vreemde is echter dat de soort in heel West-Europa inheems is. De roomse kamille komt voor op droge, zanderige grond.
De roomse kamille is een kruidachtige plant die circa 30 centimeter hoog kan worden. De plant heeft (soms) behaarde, omhooggaande en rechtopstaande stengels. De roomse kamille bloeit van juli tot oktober met gele buisbloemen. De plant heeft de bekende aromatische geur die doet denken aan die van appels.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Chamaemelum, is een combinatiewoord uit het Oudgrieks, waar khamaí (χαμαί) 'van de grond' betekende en mêlon (μῆλον) 'appel'. Samengevat is dat dus 'appel van de grond' en het komt omdat de plant ietwat appelachtig zoet geurt. Het tweede deel, nobile, is terug te vinden in het Latijns, waar het 'nobel' en 'edel' betekent. Men dacht ooit dat de roomse kamille werkzamer was dan de echte kamille.
De roomse kamille wordt al sinds de Middeleeuwen toegepast in de geneeskunst. De Europese teelt begon in de 16de eeuw in Engeland, maar zoals hierboven al werd gemeld werd de plant al een millennium eerder door de Romeinen op waarde geschat. Daarvoor vonden de oude Egyptenaren hem al zo waardevol dat hij diende als symbool voor de toewijding aan hun goden.
Wat zijn dan die zo positieve effecten waardoor men dus al eeuwen de roomse kamille gebruikt voor allerhande kwamen? Kamille werkt ontstekingsremmend op de slijmvliezen van het spijsverteringsstelsel, zo melden vrijwel alle websites die hun bestaansrecht rechtvaardigen door het verkopen van onzin. De werkelijkheid is weerbarstiger, want er bestaat nauwelijks betrouwbaar wetenschappelijk onderzoek dat als uitkomst heeft dat het werkzaam is tegen ook maar enige kwaal.
Het enige wat ik kon vinden in betrouwbaar geachte vakbladen is dat het drinken van een extract van de roomse kamille vaatvernauwende effecten heeft. Bovendien stimuleert het de urineproductie[1][2]. Weliswaar is dat allemaal slechts vastgesteld in ratten, maar het is een hoopvol begin.
[1] Zeggwagh et al: Hypotensive effect of Chamaemelum nobile aqueous extract in spontaneously hypertensive rats in Clinical and Experimental Hypertension – 2009
[2] Zeggwagh et al: Vascular effects of aqueous extract of Chamaemelum nobile: in vitro pharmacological studies in rats in Clinical and experimental hypertension - 2013
Baharat
Om aan alle onzekerheid een einde te maken begin ik deze keer dit artikel met de verklaring van het woord baharat. Het woord is in eerste instantie terug te vinden in het Arabisch, waar bahārāt het meervoud is van bahār, wat 'lente' betekent. Dat woord is op zijn beurt geleend van het Oudperzisch: het woord bahâr gaf oorspronkelijk het gevoel van (nieuwe) 'bloesems' en 'bladeren' weer. Het woord baharat probeert dus te beschrijven dat veel kruiden en specerijen afkomstig zijn van diverse planten en kruidachtigen.
Baharat is een mengsel van fijngemalen specerijen. Deze mix wordt vooral gebruikt in de diverse keukens in het Midden-Oosten voor het kruiden van lams- of schapenvlees, vis, kip, rundvlees en soepen, maar kan ook als algemene smaakmaker worden gebruikt.
Het precische recept van baharat staat niet vast. Dat is het gevolg van regionale verschillen en de beschikbaarheid van de kruiden en specerijen. De meest voorkomende versie is een mengsel van piment, zwarte peper, kardemom, cassia, kruidnagel, korianderzaad, komijnzaad, nootmuskaat, kurkuma (ook koenjit of geelwortel genoemd), saffraan, gember en gedroogde chilipepers of paprika. Het geheel geeft gerechten een warme gloed.
In Turkije stoppen ze graag grote hoeveelheden gedroogde munt in hun baharat, terwijl men in Tunesië weer iets heel anders met baharat bedoelt: daar is het een mengsel van gedroogde rozenknoppen, kaneel en vaak gecombineerd met zwarte peper. In Saoedi-Arabië worden zongedroogde zwarte limoenen en saffraan aan de baharat toegevoegd.
![]() |
| [Zongedroogde limoenen] |
Je ziet: de receptuur van dit kruidenmengsel staat nergens vast en op veel plaatsen hebben ze zo hun eigen ideeën wat er precies in dat mengsel verstopt hoort te zitten. Maar uiteindelijk is baharat natuurlijk een oplossing om je dagelijkse eten wat extra kleur en geur te geven. Bovendien zijn diverse kruiden en specerijen ook lichtelijk antiseptisch. Daardoor zullen de eerste tekenen van bederf gemaskeerd kunnen worden. Niet iedereen had (en heeft) namelijk een goedwerkende koelkast of een goedwerkend electriciteitsnetwerk, waardoor vlees sneller dan verwacht een verdacht geurtje kan krijgen.





























