Afrikaanse nootmuskaat
Het was zeker de moeite waard geweest om die duizenden zeemijlen af te leggen om met zo'n kostbare lading in vaderlandse havens terug te keren, maar misschien was het allemaal niet zo nodig geweest. In tropisch Afrika groeit namelijk een familielid van de nootmuskaat, de Afrikaanse nootmuskaat (Pycnanthus angolensis).
Omdat in de tropen nauwelijk sprake is van seizoenen is ook de Afrikaanse nootmuskaat een altijdgroene boom. Deze boom kan tot 40 meter hoog worden met een stam die anderhalve meter in doorsnede is. De leerachtige bladeren zijn wel 30 centimeter lang. De bloemen zijn roestkleurig en bloeien in trossen bijeen. De vrucht zit logischerwijze ook in trossen, is druppelvormig en is zo'n drie centimeter lang. In die bruine, maar later verkleurend tot geeloranje vrucht, zit een zwarte pit, die op een nootmuskaatnoot lijkt. Om die pit zit een rode zaadmantel of zaadrok en die lijkt weer precies op foelie.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Pycnanthus, is weer eens een combinatiewoord uit het Grieks, waar pyknos (πυκνός) zoiets als 'veel' betekent en anthos (ἄνθος) 'bloem'. Samen is dat dus 'veelbloemig' of 'met veel bloemen'. Het tweede deel, angolensis, betekent '(uit) Angola'.
Goed, we hebben dus een familielid van de nootmuskaat, die daar ook nog eens behoorlijk op lijkt. Hoe zou de Afrikaanse nootmuskaat smaken? Het antwoord is eenvoudig: de Afrikaanse nootmuskaatnoot ruikt en smaakt precies zoals de Aziatische nootmuskaatnoot, al melden kenners dat de noot een iets pittiger nasmaak geeft. Geen wonder dat het een veelgebruikte specerij is in de diverse West-Afrikaanse cuisines.
In oostelijk Nigeria wordt de Afrikaanse muskaatnoot vermalen en in soepen verwerkt. Zo'n soep zou helpen tegen verstopping en tegen overmatig bloeden van de baarmoeder nadat een kind geboren is. Wetenschappelijk onderzoek heeft in ieder geval aangetoond dat de schors van de Afrikaanse nootmuskaat kan helpen om koorts en malaria te behandelen[1]. Daar waren de traditionele genezers op Sao Tomé en Principe, een eilandengroep voor de kust van West-Afrika al eeuwen geleden achter gekomen. Voor hen was het yesterday's news.
[1] Ramalhete et al: Search for antimalarial compounds from Pycnanthus angolensis in Planta Medica - 2009
Ecuadoraanse kaneel
![]() |
| [Foto: Gernot Katzer] |
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ocotea, is afgeleid van de plaatselijke naam van de plant in Frans Guyana: de Garipons noemden de boom aiou-hou-ha. De nieuw aangekomen Spaanse kolonisten verstonden dat – vreemd genoeg - als ocotea. Het tweede deel, quixos, is via het Galiciaans afgeleid van het Latijnse woord quaerō, wat 'zoeken naar' of 'verlangen naar' betekent. Die kolonisten verlangden kennelijk naar kaneel.
Net zoals de (Aziatische) kaneel wordt de Ecuadoraanse kaneel ook gewonnen door de bast van de boom te schillen. Ook de gedroogde bloemen kunnen als smaakmaker toegepast worden in diverse plaatselijke gerechten en die staan bekend als Flor de Canela.
De smaak van de Ecuadoraanse kaneel wordt veroorzaakt door de aanwezigheid van methyl cinnamaat and trans-cinnamaldehyde. Diezelfde essentiële oliën worden ook aangetroffen in de bloemkelken. Methyl cinnamaat wordt ook aangetroffen in aardbeien, sichuanpeper en sommige varianten basilicum. In (Aziatische) kaneel zit overigens ethyl cinnamaat, een variant. De trans-cinnamaldehyde geeft inderdaad ook de bekendere kaneelversie zijn zo herkenbare geur en smaak.
Oude documenten tonen aan dat Ecuadoraanse kaneel al ten tijde van de Inca's voor het kruiden van gerechten en voor offerandes werd gebruikt. Kennelijk moesten ook offers voor de goden lekker smaken.
De essentiële olien van de Ecuadoraanse kaneel werden overigens ook toegepast in de traditionele geneeskunde van enkele volkeren in het Amazonegebied. De stofjes hebben namelijk een ontstekingsremmende werking. Modern wetenschappelijk onderzoek lijkt die werking inderdaad aan te tonen voor de al genoemde trans-cinnamaldehyde. Hetzelfde onderzoek toonde aan dat de methyl cinnamaat dat effect niet vertoonde. Ook is aangetoond dat de essentiële olie de kans op vorming van bloedstolsels kan verminderen doordat het bloedplaatjesaggregatie in het bloed voorkomt.
Hoewel deze vorm van kaneel in ons land uiteraard volstrekt onbekend is, is het wél in een interessante specerij om achter de hand te houden. Stel dat de reguliere kaneel het slachtoffer wordt van een uitbraak van een virus of handelsoorlog...
Herbamare
De chemische naam van zout is natriumchloride (afgekort tot NaCl). Dat betekent dat de helft van het zout bestaat uit natrium en de andere helft uit chloride. Als we het over de problemen van zout hebben dan gaat het eigenlijk over natrium, want dat element heeft een bloeddrukverhogend effect.
Van nature zit er niet zoveel natrium ons voedsel en we stoppen het dus zelf in ons voedsel. Vooral kant-en-klaar maaltijden zitten nog steeds boordevol zout. Het is namelijk ook een goedkoop conserveermiddel. Bij Albert Heijn kost een hele kilo zout je maar €0.40.
Om minder zout te gebruiken zijn er veel mogelijkheden. Je kunt zout vervangen door smakelijke kruiden en specerijen, maar je kunt zout ook gewoon weglaten uit je zelf bereide maaltijden. Het grote voordeel daarvan is dat je de natuurlijke smaken van de ingrediënten eindelijk weer kunt proeven, want die werden voordien grotendeels gemaskeerd door de smaak van zout.
Maar er bestaan ook gewetenloze bedrijven die dit probleem zien als een kans om geld te verdienen. Eén van die bedrijven is A. Vogel, opgericht door een charlatan die zichzelf onterecht dokter heeft genoemd. A.Vogel brengt Herbamare© op de markt.
Herbamare bestaat voor 94% uit zout, aangevuld met 6% groenten en kruiden. Het wordt aangeprezen als een vervanging van keukenzout. Volgens mij is 94% zout nog steeds bijna 100% zout en die 6% is een volstrekt verwaarloosbaar verschil als je een beetje op je zoutinname wilt gaan letten.
A. Vogel noemt Herbamare hier 100% natuurlijk en zuiver plantaardig. Dat is een uiterst vreemde claim, want zout is uiteraard helemaal geen plantaardige stof. Die opmerking is simpelweg rijp voor een oordeel van de Reclame Code Commissie.
Overigens kost 250 gram Herbamare je €4,10. Dat is omgerekend een kiloprijs van €16,40. Die prijs riekt naar oplichting.
Johannesbroodpitmeel
![]() |
| [Rijpe johannesbroodpeulen] |
De johannesbroodboom kan uitgroeien tot een hoogte van 15 meter. Deze soort is in het bezit van een dikke stam. Deze boom bloeit met onopvallende mannelijke of vrouwelijke bloemen in de herfst. Men zegt dat de mannelijke bloemen zo'n beetje dezelfde geur hebben als die van (mannelijk) zaad. Daarna ontstaan de tot 30 centimeter lange peulen die een vol jaar nodig hebben om te volgroeien en te rijpen.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Caratonia, is afkomstig van het Oud-Grieks, waar keration (κερατιον) afgeleid is van κέρας ('hoorn'). Het beschrijft de vorm van de peul. Het tweede deel, siliqua, is Latijns voor 'peul'. Samen is dat dus: 'gehoornde peul' of 'peul die lijkt op een hoorn'.
De gedroogde en vermalen peulen van de johannesbroodboom worden in landen als Griekenland gebruikt als meel ten behoeve van cakes en koekjes. Het meel is wat zoetig van smaak. Geroosterde en vermalen peulen doen dienst als alternatief voor cacao, al lijkt de smaak helemaal niet die van chocolade. Op Malta wordt bijvoorbeeld een traditioneel snoepje gemaakt dat gedurende de vastenmaand en Goede Vrijdag wordt gesnoept: Karamelli tal-Ħarrub.
Johannesbroodpitmeel wordt in de EU als volstrekt natuurlijk verdikkingsmiddel toegepast en is veilig bevonden onder de aanduiding E410. Het is geschikt voor vegetariërs, veganisten en mensen met notenallergie. Bovendien is het kosher en halal.
De vermalen gekiemde zaden vinden hun weg naar de bakkerij-industrie en in babyvoeding. Baby's die wat te veel spugen en daardoor een groei-achterstand dreigen op te lopen, krijgen daarom johannesbroodpitmeel door hun voeding. De babyvoeding wordt daardoor iets dikker van structuur en zal minder snel worden teruggegeven.
Moeders, die wat ongerust zijn, kunnen johannesbroodpitmeel simpelweg aanschaffen in de natuurvoedingswinkel* om de hoek. Overleg dan wel eerst even met je huisarts of het consultatiebureau. Bakkers zullen hun veel grotere behoefte aan dit verdikkingsmiddel bij een gespecialiseerde groothandel als Snick EuroIngredients moeten bestellen.
* Neem even contact op als jouw bedrijf een link zou waarderen.
Vlindererwt
Deze plant is inheems in tropische delen van Azië, zoals Thailand en Maleisië, maar is intussen geïntroduceerd in Afrika, Australië en het Amerikaanse continent. De vlindererwt is een overblijvende, kruidachtige plant met elliptisch gevormde bladeren. Deze variëteit erwt hijst zich ook aan alle mogelijke objecten omhoog. Wat het meest opvalt aan de vlindererwt is de kleur van de bloemen: een prachtige diepblauwe kleur (al tooit een enkele ondersoort zich met witte bloemen). Deze bloemen hebben de vorm van een vlinder, al zien sommige biologen er een vrouwelijk geslachtsorgaan in.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Clitoria, is uiteraard eenvoudig te herkennen en is de Latijnse versie van 'clitoris'. Het tweede deel, ternatea, vernoemt het Molukse eiland Ternate, ooit het doel van vele schepen van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) om nootmuskaat en kruidnagelen te laden.
Maar, zo zul je op dit moment misschien opmerken, een erwt is geen specerij of kruid, maar een peulvrucht. Die opmerking klopt deels, want de vlindererwt produceert een peul met zes tot tien erwten. Die zijn eetbaar en worden dus ook gegeten.
De bloem wordt in Zuidoost-Azië echter gebruikt als natuurlijke kleurstof om diverse gerechten blauw te kleuren. In de Maleise keuken wordt het kruid bunga telang genoemd. Rijst wordt in een waterig extract van de bloemen gekookt, waardoor er een blauwige waas over komt. Deze rijst wordt nasi kerabu genoemd. Klinkt niet zo heel smakelijk, zo hoor ik je bijna denken.
In Thailand wordt met de kleurstof uit de bloemen een siroop verkocht met de naam nam dok anchan. Soms worden daar voor de consumptie nog wat druppels limoensap aan toegevoegd, waardoor de kleur verandert in rozig paars (of paarsig roze). In de Birmaanse en Thaise keukens worden de bloemen ook in beslag gedoopt en gebakken.
Er is zelfs een vlindererwtenthee. Een thee of tisane met de bloemen van de vlindererwt en citroengras. Met een druppeltje citroen- of limoensap wordt deze thee paars. Gemixt met hibiscusbloesem wordt de thee juist helderrood van kleur.
De vraag is natuurlijk waarom je 'blauw' aan je gerechten of dranken wilt toevoegen. Het antwoord luidt: omdat het lijkt dat stofje in de vlindererwt zou kunnen werken tegen astma-aanvallen als gevolg van een allergie[1].
[1] Singh et al: Anti-allergy and anti-tussive activity of Clitoria ternatea L. in experimental animals in Journal of Ethnopharmacology – 2018
Kleine Pimpernel
Die beroemde rode pimpernel heeft een wat onderbelicht gebleven kleiner familielid. De kleine pimpernel (Sanguisorba minor) is een tot 90 centimeter hoog opgroeiende voorzomerbloeier met een behaarde steel. De blaadjes hebben rossige deelblaadjes, die hoogstens twee centimeter lang worden. Deze plant bloeit met groenige bloemen. Deze soort is inheems in grote delen van Europa, Noordwest-Afrika en westelijk Azië.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Sanguisorba, is een combinatiewoord uit het Latijn: sanguis is 'bloed' en sorbere is 'absorberen. Samen is dat natuurlijk 'bloedabsorberend' en inderdaad is dat één van de effecten die men vroeger toedacht aan het gebruik van dit kruid. Het tweede deel, minor, betekent uiteraard '(de) kleinere'.
Hoewel de kleine pimpernel precies dezelfde medische toepassingen heeft als zijn groete broer, werd hij in vroeger tijden voornamelijk ingezet als keukenkruid. In enkele regionale keukens van Europa wordt de kleine pimpernel nog steeds toegepast als ingredient is salades en dressings. Het heeft een smaak die beschreven wordt als 'neigend naar komkommer'. Veel oude recepten vinden dat je munt eenvoudig door kleine pimpernel kunt vervangen. Alleen de jonge blaadjes worden gebruikt, want als die blaadjes ouder worden, krijgen ze een meer bittere smaak.
De kleine pimpernel werd ooit zo'n belangrijk belangrijk keukenkruid geacht dat hij als zaad mee werd genomen door de eerste Engelse kolonisten die zich in Noord-Amerika wilden vestigen. Die pilgrim fathers bestonden uit een paar families die in 1607 vanuit Engeland de wijk hadden genomen naar Nederland vanwege de 'politieke situatie'. Daarmee werd bedoeld dat ze in Engeland niet meer hun superstrenge vorm van geloof mochten uitoefenen. Maar in Nederland bleken de zeden weer te losjes voor hun smaak en dus besloten ze in 1617 de noordoostelijke kuststreek van de latere USA maar hun eigen gemeenschap te stichten. De eerste strenge winter werd hun bijna fataal en de overlevenden moesten door de Indianen gered worden.
De oorsprong van de naam 'pimpernel' heeft men ook weten te verklaren. De naam komt vermoedelijk vanuit het oud-Franse woord piperinus dat in de Middeleeuwen zoiets als 'peperachtig' betekent omdat de vruchten op peperkorrels lijken.
Neem
Deze snelgroeiende boom kan tot wel 20 meter hoog opgroeien. Hij bloeit met kleine, witte bloemen met een aangename geur. Na de bloei ontwikkelen zich olijfvormige vruchten, welke in de meeste gevallen één pit bevatten. Het velletje van de vrucht (exocarp) is dun en de pulp (mesocarp) is gelig wit en bitterzoet van smaak. De vruchten (en in mindere mate de zaden) zijn een bron van neemolie, in de thuislanden veel gebruikt als kookolie.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Azadirachta, is een combinatiewoord uit het Perzisch, waar azad 'vrij' betekent en dirakht 'boom'. Samen is dat dus 'vrije boom'. Het tweede deel indica is Latijns en betekent '(uit) India'.
De zachte scheuten en bloemen van de neem worden gegeten als groente in India. Een soepachtig gerecht met de naam veppampoo charu wordt bereid met neembloemen en wordt in de Indiase deelstaat Tamil Nadu gegeten. In (de Golf van) Bengalen worden jonge bladeren van de neem gefrituurd in olie, samen met kleine blokjes aubergine. Dit gerecht wordt nim begun genoemd en is een voorgerecht dat met rijst wordt opgediend. In Birma worden ingemaakte neembladeren gegeten met tomaat en vissaus.
Toch zullen maar weinig mensen echt genieten van een gerecht met neembladeren, want die zijn extreem bitter, zelfs na bakken of frituren. Soms worden ze samen met tamarinde gekookt om de bittere smaak maar wat te maskeren.
Je staat er soms echt versteld van wat voor een creatieve oplossingen planten kunnen verzinnen om vraatzucht tegen te gaan. Neem is namelijk wel een bewezen natuurlijke pesticide. Neem bevat namelijk stofjes die de werking van hormonen van insecten beïnvloeden. Die grijpen in in de levenscyclus van het insect, waardoor die zich niet voeden en zelfs afzien van het leggen van eitjes.
Neem wordt in India en aanliggende landen gezien als een soort panacee. In de Ayurveda, een alternatieve vorm van geneeskunst, wordt neem aangewend voor allerlei ziektebeelden. De moderne wetenschap heeft echter moeten vaststellen dat er 'onvoldoende onderzoek is gedaan' naar de werkelijke voordelen van neem. Wel kan het gebruik leiden tot abortus en onvruchtbaarheid[1]. Gezien het effect op insecten lijkt me dat laatste niet zo vreemd.
[1] Upadhyay et al: Antifertility effects of neem (Azadirachta indica) oil in male rats by single intra-vas administration: an alternate approach to vasectomy in Journal of Androly – 1993
Rode klaver
Dit kruid is een laagblijvende tweejarige of overblijvende plant, die van de voorzomer tot de herfst bloeit met paarsrode, roze of witte bloemen. Die laatste kleur maakt het soms lastig om hem van de witte klaver (Trifolium repens) te onderscheiden.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Trifolium, heeft een Latijnse oorsprong en is een combinatiewoord van tri ('drie') en folium ('blad'). Dit geslacht heeft drie deelblaadjes, maar uiteraard is de natuur niet voor één gat te vangen en hebben sommige klavertjes soms ook vier of vijf deelbladen. Het tweede deel, pratense, komt van het Latijnse woord pratus, dat 'weide' betekent. Het moet gelezen worden als '(het groeit in de) weide'.
In vroeger tijden werd de rode klaver als middeltje tegen krampen gebruikt, maar ook hoestbuien, bronchitis en kinkhoest zouden als sneeuw voor de zon verdwijnen. Ook werd het gezien als stimulerend middel voor lever en gal. Verder deed een aftreksel van rode klaver soms dienst als medicijn tegen de geslachtsziekte syfilis en zou het verzachtend werken bij brandwonden en zweren. Vochtige kompressen konden de klachten van reuma en jicht verlichten. Uiteraard zijn al deze toepassingen wetenschappelijk onbewezen.
Rode klaver bevat isoflavonen. Dat zijn natuurlijk voorkomende hormoonachtige stoffen. Die hebben in het menselijk lichaam hetzelfde effect als het vrouwelijke oestrogeen. Daarom wordt een extract van rode klaver ook regelmatig aangetroffen in middeltjes die overgangsklachten proberen te verminderen. Het probleem is echter dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat deze extracten nauwelijks enige invloed op die overgangsklachten hebben[1]. Dat is jammer omdat u er vaak wel veel geld voor betaald heeft.
Maar het grootste probleem van de rode klaver is toch wel dat de isoflavonen wel degelijk ingrijpen op de receptoren voor hormonen. Daardoor zouden mensen, die een voorgeschiedenis of een familiehistorie hebben van borstkanker, baarmoederhalskanker, eierstokkanker, vleesbomen of endometriose (een chronische ziekte waarbij baarmoederweefsel groeit op plaatsen buiten de baarmoeder), de handen onmiddellijk moeten aftrekken van extracten met rode klaver[2].
Rode klaver bevat bovendien ook coumarine en daarvan is bekend dat het bloedverdunnend is[3]. Mensen, die last hebben van bloedstollingsstoornissen of een antistollingsmedicijn slikken, moeten daarom extra voorzichtig zijn. Let wel: zelfs aspirine heeft al een antistollende werking.
[1] Lethaby et al: Phytoestrogens for menopausal vasomotor symptoms in Cochrane Database of Systematic Reviews - 2013
[2] Bodinet et al: Influence of marketed herbal menopause preparations on MCF-7 cell proliferation in Menopause - 2004
[3] Abebe: Herbal medication: potential for adverse interactions with analgesic drugs in Journal of Clinical Pharmacy and Therapeutics - 2002
Eikenbast
Ooit bewoonde de zomereik delen van Zuid-Europa, maar hij volgde het terugtredende ijs na de afloop van de laatste ijstijd. Zodoende is hij ook op een natuurlijke manier in ons land aangekomen. Het is een loofboom die uiteindelijk wel meer dan 1200 jaar oud kan worden en de stam heeft dan een omtrek van meer dan 10 meter.
De herkomst van het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Quercus, is volstrekt onduidelijk. Taalgeleerden komen niet verder dan dat quercus in het Latijn 'eik' betekende. Vermoedelijk is quercus echter verwant aan 'kurk'. De bast van de kurkeik (Quercus suber) levert namelijk kurk. Via het Latijnse cortex ('bast van een boom' of 'kurk') komen we dan uit bij het oud-Griekse keiro (κείρω) dat 'afkappen' of 'afscheren' betekende. Het tweede deel, robur, betekent 'sterk' en verklaart het superharde hout.
Eikels worden met smaak opgepeuzeld door diverse diersoorten. Naast allerlei vogels en knaagdieren, houden ook varkens, zwijnen, beren en herten veel van eikels. Omdat die eikels veel tannine bevatten zijn ze voor de mens te bitter. Bovendien zijn die in grotere hoeveelheden ongezond en moet er eerst een bewerking plaatsvinden om dat stofje eruit te krijgen. Van eikels kan eikelmeel gemaakt worden en dat was ooit een belangrijke voedingsbron in vele culturen, zeker tijdens periodes van hongersnood.
Van de schors kan een
In de 17de eeuw werd een aftreksel van eikenbast gebruikt om alcoholisten te genezen van hun verslaving. Dat het hielp begrijp ik dus perfect. Zonder lever en nieren heb je geen behoefte meer aan alcohol. Je bent namelijk gewoon dood.
Moerasandijvie
![]() |
| [Foto: Tigerente] |
Het areaal van moerasandijvie bestrijkt zo'n beetje het gehele noordelijk halfrond, van noordelijk Europa, tot nog noordelijker Siberië en Noord-Amerika. In Alaska komt hij in een iets gewijzigde vorm ook voor. In Nederland is moerasandijvie een zeldzame verschijning. Zo zeldzaam zelfs dat men ooit dacht dat hij hier uitgestorven was. De inpoldering van de Zuiderzee naar het IJsselmeer zorgde echter voor het landschap waar moerasandijvie perfect kon gedijen. Kennelijk heeft moerasandijvie dat zetje in de rug nodig gehad, want – hoewel hij nog steeds niet veel voorkomt – in het Waddengebied kan hij tegenwoordig worden aangetroffen op Texel en in het Lauwersmeergebied.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Senecio, is afgeleid van het Latijnse woord senex, dat 'oud' betekent en wordt hier gebruikt met de betekenis van 'grijsaard' als gevolg van het al snel zichtbaar wordende grijze vruchtpluis. Het tweede deel, congestus, doet denken aan het Engelse woord congestion, wat 'opstopping', 'file' of 'opeenhoping' betekent. Het is terug te voeren op het Latijn, waar het een combinatiewoord is van con 'met' of 'samen' plus gero 'dragen'. Samengevoegd is dat zoiets als 'erg dicht opeengepakt'. Het verklaart de neiging van deze plant om plotseling met duizenden exemplaren aanwezig te zijn op een plek.
Nu is het zo dat alle familieleden van de moerasandijvie, waaronder rivierkruiskruid, duinkruiskruid, jacobskruiskruid, klein kruiskruid en zilverkruiskruid, soms dodelijk giftig zijn. Het is daarom niet verwonderlijk om te denken dat ook moerasandijvie niet al te gezond kan zijn.
Het tegendeel is echter het geval. Moerasandijvie wordt her en der als een groente gezien en is veilig voor menselijke consumptie. De jonge bladeren kunnen als salade gegeten worden, gekookt als groente of zelfs als een soort zuurkool worden ingemaakt.
Denk nu niet dat je hem binnenkort bij Albert Heijn kunt aantreffen op de groente-afdeling. Het eten van moerasandijvie gebeurde vaak niet uit luxe, maar uit armoede. In het polderlandschap ten noorden van Amsterdam, gebruikte men onder andere de naam 'armoedsbloem' voor moerasandijvie. Dan snap je het vast wel.
Bdellium
Bdellium bestaat uit een wateroplosbare gom, een hars en een essentiële olie. De combinatie wordt gebruikt in de parfumerie, als wierook en in diverse traditionele medicaties. Het wordt overigens ook vermengd met het veel duurdere mirre. Daarom wordt bdellium ook ingezet voor alle kwalen waar mirre ook werkzaam zou kunnen zijn.
De naam bdellium stamt via het oud-Engels en het Latijn uit het oud-Griekse bdellion (βδέλλιον). Die hebben het weer uit het Hebreeuws geleend, want daar betekende bdólakh (בְּדֹלַח) zoiets als 'broos', 'breekbaar' of 'eenvoudig te splitsen of te breken'. Het verklaart de toestand van bdellium in gedroogde toestand. Het wordt ietwat vloeibaar in de zon of als je het in de warme hand houdt.
Als we de Statenbijbel openslaan dan ontdekken we in Numeri 11:7 de zin 'Het Man (ofwel Manna) nu was als korianderzaad, en zijn verf (ofwel kleur) was als de verf van den bedolah'. Wat was nu de kleur van die bedolah? Het antwoord vinden we in Exodus 16:14, want daar wordt manna vergeleken met 'liggende dauw'. In de Engelstalige Bijbel staat het iets duidelijker omschreven als frost on the ground of hoar frost en dat is 'rijp'. Met andere woorden: de kleur van Afrikaanse bdellium is wit en dat is vrijwel correct. De Aziatische variant is bruiniger van kleur.
In 'Oude Geschiedenis van de Joden' of 'Jewish Antiquities' van Flavius Josephus (37nCr-100nCr) wordt het volgende over bdellium gezegd: [mijn vertaling] '… ze waren blij met het voedsel, omdat het zoals honing was in zoetigheid en [met een] plezierige smaak, maar qua vorm [was het] als bdellium, een van de zoete specerijen, en in grootte gelijk aan korianderzaad.'
Al eerder vonden Egyptenaren bdellium een perfecte keus om menig farao mee te balsemen.
Njangsa
Maar is sommige opzichten is Afrika nog steeds een dark continent, zoals het ooit in de Victoriaanse tijd werd genoemd. Die donkere plekken op de kaart lieten ontdekkingsreizigers naar de oorsprong van de Nijl zoeken of naar verdwenen koninkrijken in Centraal Afrika. Ook qua kruiden en specerijen zijn de diverse Afrikaanse keukens nog volstrekt onbekend. Een voorbeeld daarvan is njangsa.
De boom njangsa (Ricinodendron heudelotii) groeit in tropische delen van West-Afrika. Omdat in die contreien nogal wat stammen leven met volstrekt afwijkende talen, is het duidelijk dat de njangsa ook onder diverse andere namen bekend staat. Zoals zo veel bomen in het tropisch regenwoud groeit ook deze versie erg snel. Hij kan hoogtes bereiken van 20 tot 50 meter en hij heeft dan een stamdiameter van 2.70 meter. De njangsa bloeit met kleine witte bloemen die in een grote tros hangen.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ricinodendron, is alvast een combinatiewoord uit het oud-Grieks, waar ricinus 'hondenteek' betekent en dendron 'boom'. Het verklaart de vorm van het blad. Het tweede deel, heudelotii, eert de Franse botanicus Jean-Pierre Heudelot (1802-1837), die tussen 1828 en 1837 planten verzamelde in Guinea en Senegal.
Vooral de oliehoudende zaden, ook njangsa genaamd, zijn erg populair bij de plaatselijke bevolking. Ze hebben een opvallende geur en smaak. Eerst worden ze gedroogd en vervolgens vermalen tot een pasta. Die pasta wordt vervolgens gebruikt als verdikkingsmiddel voor soepen, sauzen en stoofpotjes. Gedroogde zaden kunnen ook gestoomd worden, waarna men ze verkruimelt en als smaakversterker in rijstmaaltijden verwerkt. De jonge bladeren worden als groente gegeten.
Een extract van de schors wordt toegepast als traditioneel medicijn tegen vergiftigingen, omdat – naar nu blijkt – de zaden lupeol bevatten. Er is vastgesteld dat lupeol ontstekingsremmende eigenschappen heeft[1]. Toch knap van die medicijnmannen.
[1] Geetha, Varalakshmi: Anti-inflammatory activity of lupeol and lupeol linoleate in rats in Journal of Ethnopharmacology- 2001 .
Rijstkruid (of Rice paddy herb)
Rijstkruid is familie van de weegbree en is een overblijvende, zich verspreidenden plant. De bladeren kunnen nogal varieren qua vorm en kleur. De stelen kunnen uiteidnelijk een lengte (geen hoogte) bereiken van zo'n 70 centimeter. De bloem van de plant, die echter zelden bloeit, is licht mauve tot zacht roze.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Limnophila, is een combinatiewoord uit het Grieks, waar limne (λιμνη) zoiets betekende als 'een poel met stilstaand water, achtergelaten door de zee of een rivierpool. Denk aan een moerassig meer of vijver. philos (φιλος) betekent 'houden van'. Samen is dat dus 'houdt van moerassige omstandigheden'. In het tweede deel, aromatica, is het Nederlandse woord aroma duidelijk te herkennen. Het stamt uit het Latijn, waar aroma 'zoete geur' betekende. De Romeinen leenden dit woord weer van de Grieken, waar het een wat ruimere betekenis had: 'smaakstof', een 'kruid' of een 'specerij'.
De smaak van rijstkruid doet een beetje denken aan een combinatie van citroenmunt, venkel en komijn. De bladeren van het rijstkruid worden rauw toegevoegd aan diverse Zuidoost-Aziatische gerechten. Rijstkruid is echter als ngo om of ba om vooral een bekend ingrediënt in de Vietnamese keuken. Daar wordt het kruid bijvoorbeeld als laatste toegevoegd aan een zoetzure vissoep met de naam canh chua. In Cambodja wordt een variant van die soep samlor machu trey genoemd en ook daarin is rijstkruid onmisbaar. Beide soepen worden ietwat zurig doordat er tamarinde aan toegevoegd is.
Moderne koks experimenteren met rijstkruid en vinden dat je het best als vervanging van munt aan raita kunt toevoegen.
Tegenwoordig verspreidt de plant en het gebruik zich over de wereld. In Australië is rijstkruid als in de verzengende hitte van de tropische gebieden rond Darwin in het uiterste noorden aangetroffen. Vietnamese bootvluchtelingen namen het kruid mee naar Amerika en het blijkt dat de plant het goed doet op Hawaï.
Redi katoen (of rode katoen)
Wereldwijd zijn er een viertal commercieel aantrekkelijke katoensoorten. Naast de Redi katoen, zijn dat boomkatoen (Gossypium arboreum – inheems in India en Pakistan), Arabische katoen (Gossypium herbaceum – inheems op het Arabisch schiereiland) en behaarde katoen (Gossypium hirsutum – inheems in Centraal Amerika). Die laatste soort is goed voor 90 procent van de wereld katoenproductie.
Redi katoen is een tropische plant, die ook nog eens bestand is tegen vorst. Hij vormt een bossige struik. De plant houdt van een klamme omgevingstemperatuur met een hoge luchtvochtigheid, veel regenval en wil bovendien graag in de volle zon staan. Gedurende de bloeiperiode (in de tropen is immers geen zomer) bloeit deze soort met gele bloemen.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Gossypium, komt via het oud-Griekse gossúpion (γοσσύπιον), via het Arabisch kursuf (كُرْسُف), uiteindelijk uit het Sanskriet, waar karpasa (कर्पास) 'katoen' betekende. Het is verwant met kapṛā (कपड़ा), wat 'doek' of 'kledingstuk' in de hindi taal betekende. Het tweede deel, barbadense, betekent '(afkomstig van) Barbados', een eiland in de Caraïbische Zee. Rond 1650 was Barbados het eerste eiland van de Britse West-Indies dat katoen naar Engeland exporteerde.
In Suriname wordt redi katoen aanbevolen bij het verminderen van overmatige menstruatie en bij klachten tijdens de menopauze. Het zou ook kunnen helpen om de urinelozing te bevorderen. Tevens heeft een extract een antibacteriële werking, waardoor het wordt ingezet als middel tegen blaasontstekingen.
De vraag is dus of deze katoensoort echt zou kunnen werken bij bovengenoemde klachten. Net als al zijn directe familieleden bevat deze plant gossypol, een natuurlijk fenol dat dienst doet als geel pigment en als middel om insecten te weren. In China is gossypol onderzocht en getest als een voorbehoedsmiddel voor mannen, maar de bijwerkingen bleken in eerste instantie ietsjes te erg. Je kon er namelijk onvruchtbaar van worden[1]. Elders is onderzocht of het kon dienen om zwangerschappen te voorkomen. Dat leek nog zo te zijn ook[2]. En dus, lieve Surinamers, het is dus beslist geen middel om zwangerschappen op te wekken, zoals sommige warhoofden claimen.
[1] Wen et al: Zero-Order Release of Gossypol Improves Its Antifertility Effect and Reduces Its Side Effects Simultaneously in Biomacromolecules – 2018
[2] Luz et al: In vitro study of gossypol's ovarian toxicity to rodents and goats in Toxicom – 2018
Zevenblad
Gedacht wordt dat de Romeinen zevenblad in Noord-Europa hebben geïntroduceerd als gezonde groente voor de soldaten. Vaak worden geisoleerde vindplaatsen in verband gebracht met oude kruidentuinen van kloosters en kruidenvrouwtjes (die ook dienst deden als vroedvrouw of heks). Zevenblad doet het in goed op beschaduwde plaatsen en vochtige ondergronden. In veel landen is zevenblad zo succesvol gebleken dat men hem als een lastig te bestrijden onkruid ziet.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Aegopodium, is een combinatiewoord uit het Grieks, waar aegos (αιγο) 'geit' betekent en podium (ποδιον) 'voet'. Samen is dat dus 'geitenpoot' en het beschrijft de vorm van de kroonblaadjes. Het tweede deel, podagraria, is ook als een Grieks combinatiewoord: pous (πού) is wederom 'voet' en agra (ἄγρᾱ) is 'jagen'. Hier ligt de oorsprong van het woord 'podagra', de medische term voor de klassieke vorm van jicht, namelijk die in de grote teen. De Grieken vonden de pijn van jicht lijken op een jachtongeval, waar een zwaar dier op je grote teen is gaan staan. Zevenblad is een oud middel tegen jicht en in Groot-Brittannië wordt de soort nog steeds bishop's goutweed ('bisschop's jichtkruid') genoemd.
Zevenblad bevat veel vitamine C, groeit al vroeg in het voorjaar en de jonge scheuten waren daarom in de antieke oudheid en de Middeleeuwen zeer gewild als groente, al houdt niet iedereen van de wat ongewone pittige smaak. Voor het koken ruiken de bladeren wat 'vissig', maar die geur verdwijnt bij het koken. Na een lange winter waren de voorraden verse groenten wel opgegeten en had men vaak last van scheurbuik. Zevenblad zorgde voor directe aanvulling van de tekorten aan vitamine C.
Zoals de wetenschappelijke soortnaam al aangaf werd zevenblad veel toegepast als medicinaal kruid tegen jicht, artritis, blaas- en darmklachten. Daarvoor werden de bladeren tot een papje gekookt en als een pasta om het aangedane lichaamsdeel gewikkeld. Neem je het als medicijn in dan heeft zevenblad inderdaad een vochtafdrijvend effect en heeft het een milde pijnstillende werking. Uiteraard hebben moderne inzichten en moderne geneesmiddelen de plaats van zevenblad ingenomen.
Old Bay Seasoning
Old Bay Seasoning was bedoeld om een extra hartig smaakje aan krabben te geven. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog waren krabben in zulke grote aantallen aanwezig in het water van de Chesapeake Bay dat ze niets meer opleverden. De horeca in Baltimore (Maryland) probeerde toch nog wat aan die beesten te verdienen door ze te marineren met Old Bay Seasoning. Die bevatte ooit heel veel zout en dat zette de klanten aan om extra te gaan drinken om hun dorst te lessen.
Uiteraard was Gustav Brunn niet de enige die op dat idee is gekomen en er waren ooit diverse merken, maar er zijn maar een paar die de tijdgeest overleefd hebben. Naast Old Bay Seasoning kon men ooit J.O. Spice en Baltimore Spice tegenkomen op het krabbenvlees.
Er bestaat geen vast recept voor dit soort kruidenmengsels, maar wat er zeker in zit is selderijzout (een gearomatiseerd tafelzout, gemaakt van gedroogde en gemalen knolselderij), mosterd, gember, zwarte peper, witte peper, vermalen chilipeper vlokken, paprika, laurierpoeder, nootmuskaat, kruidnagel, allspice, foelie, kardemom en kaneel. Volgens de producent zitten er 18 verschillende kruiden en specerijen in het mengsel.
Het kruidenmengsel is vernoemd naar de Old Bay Line, een rederij die passagiers vervoerde over het water van de Chesapeake Bay van Baltimore (Maryland) naar Norfolk (Virginia).
Old Bay Seasoning is regionaal nog steeds populair. Toch blijft die populariteit beperkt tot de staten die grenzen aan de Atlantische Oceaan en het Caraïbisch gebied. Aan de kusten van de Stille Oceaan zijn dit soort kruidenmengsels veel minder gewild. Aan boord van de Amerikaanse marineschepen kan altijd een blik Old Bay Seasoning in de kombuis worden aangetroffen. Een oude traditie die in ere wordt gehouden.
Na diverse omzwervingen kwam het merk in 1990 in handen van McCormick & Co.
Speculaaskruiden
Speculaas is een koekje, gemaakt van bloem, boter, bakpoeder, bruine basterdsuiker en speculaaskruiden. Die speculaaskruiden bestaan uit een mengsel van kaneel, nootmuskaat, kruidnagel, gember, kardemom en witte peper.
Nederland is altijd een natie geweest van handelsreizigers. We kennen allemaal nog de Vereenigde Oostindische Compagnie (of VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC). De eerste had zijn aandacht gericht op het Verre Oosten, terwijl de tweede vooral het Amerikaanse continent in het vizier had. Beide organisaties werden rijk doordat ze de monopolies op specerijen doorbraken van hun erfvijanden, de Spanjaarden, de Portugezen en de Engelsen. Daarna voeren schepen de vaderlandse havens binnen met grote hoeveelheden kostbare en kostelijke specerijen.
Nog steeds houdt men in de drie noordelijkste provincies van Nederland van gekruide voedingsmiddelen. De droge worst, bijvoorbeeld, is daar het kruidigst. Gaat men verder naar het zuiden dan verliest een droge worst steeds meer van zijn smaak. Specerijen worden vooral in Friesland en Groningen vaak uitbundiger toegepast dan in de rest van Nederland.
Het is dus ook niet verwonderlijk dat men in België niet zoveel van die pittige specerijen hield en dus viel ook de smaakvolle speculaas niet in de smaak van onze zuiderburen. De koekjes kregen echter een eigen nationale variant met een smaak die het gevolg was van gekarameliseerde bruine suiker en een snufje kaneel. Om duidelijk te maken dat het om een heel ander koekje ging werd de naam speculaas aangepast tot speculoos.
Wat is de oorsprong van het woord speculaas? Taalkundigen hebben van oude woordenboeken het stof afgeblazen en zijn tot de conclusie gekomen dat 'speculaas' uit het woord 'speculatie' moet zijn ontstaan. Een speculatie is een 'overdenking' of 'vermoeden'. Het woord is echter afkomstig uit het Latijn waar het werkwoord speculari, zoiets betekende als 'observeren'. Dát woord is weer terug te voeren op specere dat 'turen' of 'kijken' betekende en nog te ontwaren is in het Engelse woord spectacles ('bril'). Maar de geleerde taalkundigen menen ook - onjuist - dat 'speculatie' ooit gebruikt werd in de variant 'zin hebben in' of 'welbehagen'.
Jaren geleerd hebben en dan niet snappen dat de meest eenvoudige oplossing is dat het woord 'speculaas' afgeleid is van 'specerij'. Dan is ook 'speculoos' eenvoudig te snappen: het is specerijloos.
Veldhondstong
![]() |
| [Foto: Wilde planten op Texel] |
De geur (lees: stank) van de plant lijkt sterk op die van hondenurine en het bijgeloof vertelde dat, wanneer je een blad in je schoen deed, je onderweg niet door bijtgrage honden werd aangevallen. Een verhaal uit de zestiende eeuw maakte het nog bonter: maak een hondstongblad zo aan de nek van een hond vast dat hij het met zijn bek net niet kon bereiken en die hond zou net zo lang rondjes draaien totdat hij van uitputting dood neerviel. De schrijver beweerde dat het waar was, maar ikzelf heb zo mijn twijfels.
De giftige bestanddelen van de veldhondstong zijn een aantal pyrrolizidine alkaloïden, waaronder cynoglossine, consolidine, echinatine en heliosupine. Langdurige inname van deze pyrrolizidine alkaloïden en leidt onherroepelijk tot een onomkeerbare leverbeschadiging en uiteindelijk leveruitval. Het gif stapelt zich namelijk op in de lever en doet daar ongemerkt zijn verwoestende werk. Bovendien hebben de gifstoffen een verlammend effect op zenuwuiteinden en zijn ze ook nog eens kankerverwekkend.
'Gelukkig' zijn er ook nog lieden die geloven dat je deze plant als natuurgeneesmiddel kunt inzetten. Veldhondstong zou kunnen helpen tegen aambeien, zweren, longziektes (chronische bronchitis) en aanhoudend hoesten. Een zalfje, gemaakt van veldhondstong, zou zelfs een zekere kuur zijn tegen kaalheid.
Doordat de veldhondstong zo’n afschrikkende geur heeft lijkt het in eerste instantie vrijwel onmogelijk om vergiftigd te worden door die plant. Voor een deel klopt dat wel, maar die geur wordt in veel gevallen gemaskeerd. In natuurgeneeskundige preparaten wordt de werkzame stof immers vaak in veel alcohol opgelost en daardoor proef of ruik je het niet zo erg meer. Bovendien horen medicijnen vies te smaken om ons een foutief gevoel te geven dat het dan wel moet werken.
Black stone flower (of Groot schildmos)
Het korstmos komt voor in gematigde klimaten van zowel het noordelijk als zuidelijk halfrond. Ook in Nederland is het een algemeen voorkomende soort en staat hier bekend als groot schildmos. Het korstmos groeit vooral op stammen en takken van bomen. Korstmossen zijn eigenlijk twee (of zelfs meer) levensvormen samen. De ene 'partner' is altijd een schimmel, die een samenlevingscontract heeft met een blauwwier of een groenwier (of beide).
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Parmotrema, is een combinatiewoord uit het Grieks: parmos betekent 'kop' of 'beker' en trema is 'geperforeerd'. Het tweede deel, perlatum, is van Latijnse herkomst en betekent 'wijdverspreid'. Het beschrijft zijn voorkomen over vrijwel de hele wereld.
Black stone flower ruikt mild houterig, maar bezit geen smaak van zichzelf. Het voegt echter een mysterieuze geur en smaak toe aan ieder gerecht waaraan het wordt toegevoegd. De gedroogde, zwartpaarse en op bloemblaadjes lijkende kruid (of is het een specerij) wordt vaak met andere kruiden en specerijen samengevoegd om een lokale massala te bereiden. Dit kruidenmengsel wordt vervolgens toegepast in vele gerechten, waaronder curry's. En je weet: hoe zuidelijker je komt, hoe pittiger de massala zal worden. De reden hiervoor is dat hoe zuidelijker je komt, hoe warmer het zal zijn. Hoe warmer het is, hoe eerder vlees zal bederven. Met pittigheid worden de eerste tekenen van bederf gemaskeerd. In de tropen kan vlees namelijk al na een uur gaan bederven.
Het kruid doet het ook goed in vegetarische schotels, maar toch wordt het voornamelijk in vleesgerechten gestopt. Denk aan nihari (een stoofpot, bestaande uit langzaam gekookt rund- of lamsvlees samen met beenmerg) en biryani ('kruidige rijst, populair bij Indiase moslims).
In de Ayurveda, de zweverige geneeskunst uit India, wordt black stone flower uiteraard ook toegepast. Het wordt daar bijna als een panacee gebruikt, want het zou helpen tegen vrijwel alle kwalen. Van hoofdpijn tot lepra en van nierstenen tot gebroken botten.
Mangosteen (of Mangistan)
De vrucht van de mangosteen wordt wel de 'koningin van de vruchten' genoemd. Het is een bes ter grootte van een mandarijn. De vrucht heeft een dikke, leerachtige schil die paars-bruin van kleur is. Aan het steeltje van de vrucht zitten nog een viertal kroonblaadjes. Alleen het witte vruchtvlees is eetbaar. Het witte vruchtvlees is, gelijk een mandarijn, in een zestal partjes verdeeld en kunnen in grootte verschillen. Jawel, er zitten ook pitjes in de partjes, maar die kunnen gewoon gegeten worden. De smaak van de vrucht is friszuur-zoet met een bijzonder aroma. Het vruchtvlees is zo delicaat dat het 'smelt op de tong'. Het verse fruit kan geconserveerd worden in suiker. Dan kan er een helderrode ranja of sorbet van gemaakt worden.
Pas in 1631 wordt de mangosteen in West-Europa in de annalen genoemd, wat rijkelijk laat is. Het waren de De Vereenigde Oostindische Compagnie (1602-1800) en de Britse East India Company (1600-1874) die de mangosteen naar Europa brachten. Het lastige is dat de tere mangosteen in die tijd de lange reis niet goed kon doorstaan.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Garcinia, eert de Franse ontdekkingsreiziger Laurent Garcin (1683-1751). Het tweede deel, indica, is Latijn en betekent '(uit) India'.
De schil van de mangosteen wordt in India in de zon gedroogd en dan krijg je een product dat 'kokum' wordt genoemd. Het wordt in de keukens van Goa gebruikt als zuurmiddel. De kokum levert een aparte geur en smaak aan gerechten. Het geeft tegelijkertijd een donkerrode, bijna zwarte kleur aan die gerechten. Het vormt soms een vervanging van tamarinde in curry's. Ook wordt het als zuurmakend ingrediënt gebruikt in de populaire linzensoep dahl.
Is de mangosteen gezond? Het bevat in ieder geval veel vitamine C. Tuurlijk zitten er ook belangrijke antioxidanten in verborgen, maar die zitten ook in appels en sinaasappels. Op veel 'gezondheidswebsites' worden diverse potentiële voordelen van het eten van mangosteen genoemd. Geloof het niet, want wetenschappelijk onderzoek heeft geen enkel bewijs voor die claims gevonden. Eet ze gewoon omdat ze heerlijk smaken.
Maggi Aroma
Het merk Maggi werd al in 1872 opgericht door de Zwitser Julius Maggi (1846-1912). De man had een goede Christelijke inborst en hij wilde via zijn producten de arbeidersklasse voorzien van voedsel met hoge voedingswaarde. Dat klinkt natuurlijk heel positief, maar Maggi Aroma en (later) Maggi bouillonblokjes bezaten nauwelijks voedingswaarde. De monosodium glutamaat in zijn producten versterkten slechts de smaak van de maaltijden waarin het werd verwerkt.
De reden daarvoor was dat Julius Maggi eerst probeerde om poeder uit peulvruchten als erwten en bonen te produceren. Dat was inderdaad een goedkope bron van eiwitten, had een hoge voedingswaarde, was licht verteerbaar en goedkoop te produceren. Zijn peulvruchtenpoeder werd al in 1884 op de markt gebracht. Het probleem was echter dat het niet zo smaakvol was en succes bleef uit. Niet uit het veld geslagen experimenteerde Maggi verder en in 1886 breidde hij het assortiment uit met een drietal kant-en-klaar soepen op basis van dat peulvruchtenpoeder. Om de vage smaak wat op te peppen moest er een smaakversterker aan de soep worden toegevoegd. Dat werden de 'gehydrolyseerde plantaardige eiwitten' en Maggi Aroma was geboren.
In ons land werd Maggi Aroma al vanaf 1897 geïmporteerd door Paul Horn, vanaf 1912 Paul Horn & Co genoemd. In 1925 werd de bedrijfsnaam omgedoopt tot Fabriek voor Maggi's Voedingsmiddelen. In 1994 werd de productielocatie verplaatst naar een nieuwe fabriek in Venray. Sinds 2005 wordt Maggi niet meer in Nederland geproduceerd.
Maggi Aroma wordt wereldwijd verkocht, maar niet in elk land is de receptuur hetzelfde. Er bestaan negen verschillende versies van datzelfde product. In Engeland is Maggi Aroma minder populair, maar daar hebben ze dan ook hun eigen Worchestershire Saus.
Suiker
Er zijn een aantal bronnen voor suiker: suikerbiet (Beta vulgaris), rietsuiker (Saccharum officinarum) en zelfs suikermaïs (Zea mays saccharata). Men heeft eigenlijk geen idee waar de suikerbiet is ontstaan. Zijn tweelingbroertje, de strandbiet (Beta vulgaris maritima), komt in heel Europa aan de kusten in het wild voor. Suikerriet kwam waarschijnlijk in Nieuw-Guinea en delen van Indonesië in het wild voor. Suikermaïs mag Zuid-Amerika tot zijn oorspronkelijk leefgebied rekenen.
Chemisch gezien zijn bietsuiker en rietsuiker volstrekt gelijk. Dat rietsuiker een ietwat bruinige kleur heeft betekent niet dat het gezonder is, maar dat het korter gecentrifugeerd wordt dan kristalsuiker, waardoor een klein beetje donkerbruine siroop achterblijft. Die siroop geeft de kleur aan de suiker.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Beta, is afgeleid van het oud-Griekse woord blitos (βλιτσς), een oeroude naam voor een soort spinazie. In het Engels is blite een vergeten woord voor spinazie. Ooit werd alleen het bietenloof als groente gegeten. Het tweede deel, vulgaris, betekent 'gewoon'. Denk aan ons woord 'vulgair'. Voor suikerriet geldt dat het eerste deel, Saccharum, is afgeleid via het Arische woord sukkar naar sharkara uit het Sanskriet, waar het ooit 'gruis' of 'grit' betekende. Het tweede deel, officinarum, beschreef de apotheek van weleer.
Er bestaan nogal wat verkeerde inzichten over suikergebruik. Zo zou suiker de oorzaak van overgewicht zijn. Dat is niet het geval. Suiker is slechts een onderdeel van een ongezonde levenswijze. Eet je en drink je teveel suikerhoudende zaken dan gaat het met je gewicht zeker de verkeerde kant op. Het is ook niet verslavend, waardoor je geen excuus kan hebben als de weegschaal op hol slaat. En nee, je kind wordt er ook niet hyperactief van, zoals nogal wat bang gemaakte moeders denken.
Heel veel recepten verwachten dat er suiker aan het gerecht wordt toegevoegd. Het is dan een smaakmaker, maar soms is het ook een conserveermiddel. In een echt zoete omgeving kunnen bacteriën namelijk niet goed gedijen. Die hebben vocht nodig om te overleven en suiker trekt dat vocht aan.
Kapokboom (of Kankantri)
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Ceiba, betekende oorspronkelijk 'enorm grote boom' in het Arawak, de taal van de Indianen in het Caraïbisch gebied. Het werd eerst ingepikt door de Spanjaarden en daarna verlatijnst tot ceiba. Het tweede deel, pentandra is een combinatiewoord uit het Grieks: pent- komt van pente (Πέντε) 'vijf' en -andra van andros (ανδρος), dat eigenlijk 'man' betekent, maar in dit geval 'meeldraden' omdat het de mannelijke voortplantingsorganen van de bloem zijn. De kapokboombloem heeft dus vijf meeldraden.
In Suriname wordt de boom kankantri genoemd en wordt door veel Afro-Surinamers als een verblijfplaats van geesten beschouwd. ’s Nachts zou het niet pluis zijn in de buurt van die boom en volgens buurtbewoners hoor je een luid geritsel en gepiep rondom de takken.
De plankwortels van de boom dienden in het verleden beschutting aan weggelopen slaven, die op deze wijze aan vervolging konden ontsnappen. Als de wortels worden aangekapt, stroomt er een kleine hoeveelheid drinkbaar water uit. De Marrons, de afstammelingen van die ontsnapte slaven, plaatsen offers tussen de wortels.
Het geloof in het bestaan van geesten zorgt er in elk geval voor dat de kapokbomen niet worden omgehakt en het bos ook in de nabije omgeving daarvan met rust wordt gelaten. Kleine stukjes bast of wortel van deze magische planten worden in Paramaribo op de markt verkocht als ingrediënt voor kruidenbaden. De bast wordt toegepast als vochtafdrijvend middel, luchtverhogend middel en bovendien als medicijn tegen hoofdpijn of diabetes type 2. De specerij wordt zelfs naar Nederland geëxporteerd, waar ze nog steeds een rol speelt in de spirituele beleving van veel Surinamers.
Het is de vraag of het geloof in magische planten en heilige bossen sterk genoeg is om de Surinaamse bossen in de toekomst te beschermen. De Marrons hebben geen grondrechten. Hun bossen worden bedreigd door mijnbouw en houtkap. Terwijl in veel andere landen heilige bossen tot natuurreservaten worden uitgeroepen, heeft niet één van de heilige bossen van de Marrons een beschermde status. Ze staan zelfs op geen enkele kaart van Suriname.
Bron: Van Andel: How African-based winti belief helps to protect forests in Suriname – 2010
Chinese selderij
De Chinese Selderij hoort in het wild thuis in vochtige gebieden en langs beekjes. De plant is inheems in de gematigde en tropische klimaten van Azië en Australië.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Oenanthe, is weer eens een combinatiewoord uit het Grieks: oinos is ‘wijn’ en anthos is ‘bloem’. Samen beschrijft het de wat wijnachtige geur van de planten binnen deze familie. Het tweede deel, javanica, is Latijns voor 'uit Java'.
Zijn Europese broertje is het zilt torkruid (Oenanthe lachenalii), die van een brak tot ziltig milieu houdt. Op de Waddeneilanden komt Zilt torkruid voor op Texel, Terschelling en Ameland. Boven Harlingen verzilt de grond als gevolg van zout water die onder de dijk doorsijpelt en op de Hoarnestreek kan zilt torkruid dan ook aangetroffen worden. Zoals veel van zijn familieleden is ook zilt torkruid giftig als gevolg van de aanwezigheid van oenanthotoxine. Dat gif tast het centrale zenuwstelsel aan en dat levert een aantasting van de zenuwen van het gezicht en lichaamsuiteinden op.
Chinese selderij is de uitzondering op de regel dat alle familieleden giftig zijn. Deze plant is niet giftig en is zelfs eetbaar. Hij wordt daarom geteeld in landen als China, India, Japan, Korea, Indonesië, Maleisië, Thailand, Taiwan en Vietnam. Onder de naam Prezzemolo selvatico Giapponese (Japanse wilde peterselie) wordt Chinese selderij in Italië verbouwd. De jonge scheuten worden als groente gegeten.
Dit kruid smaakt pittig als gevolg van de aanwezigheid van persicarin en isorhamnetin. Die laatste wordt ook aangetroffen in pittige gele of rode uien. Daar doet het dienst als pigment. Een andere bron van isorhamnetin is de Mexicaanse dragon (Tagetes lucida) en die wordt gebruikt als specerij, geneeskrachtig kruid en psychedelisch middel. Bovendien worden zowel persicarin als isorhamnetin onderzocht of ze kunnen worden ingezet als nieuw bloedverdunnend middel[1].
[1] Ku et al: Anticoagulant activities of persicarin and isorhamnetin in Vascular Pharmacology – 2013
Wilde peperboom
De benaming wilde peperboom doet het meeste recht aan zijn oorsprong en gebruik en dus gebruiken we hem hier ook maar. Het is een grote tropische Afrikaanse boom die tot 40 meter hoog kan opgroeien. Zijn rechte stam klimt tot 25 meter de hemel in voordat de eerste takken te bewonderen zijn. De altijdgroene kruin reikt zo hoog dat het een van de grootste bomen in het regenwoud is. De wilde peperboom leeft zo'n beetje in het hele Afrikaanse regenwoud van Senegal tot zuidelijk Soedan in het noorden tot Angola en Zambia in het zuiden.
De lente begint onder de evenaar omstreeks oktober en dan verschijnen aan de wilde peperboom prachtige rode jonge bladeren, gevolgd door opvallende paarsige bloemen.
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Irvingia, eert de Schotse chirurg en Afrikaanse plantenverzamelaar Edward George Irving (1816-1855). Het tweede deel, gabonensis, is afkomstig uit het Latijn en betekent 'uit Gabon'.
De bast heeft een pijnstillende werking. Men maalt de bast tot een fijn poeder, mengt het vervolgens met klei en water en smeert het op reumatische gewrichten. Lage rugpijn wordt behandeld met de rook van de bast van de wilde peper. Een afkooksel wordt aan het badwater toegevoegd om ontstekingen te behandelen. Datzelfde afkooksel wordt toegepast als gorgelmiddel bij kiespijn.
De zaden met de naam dika nuts worden gebruik als specerij. Ze worden rauw of geroosterd geconsumeerd, maar kunnen ook tot een pasta vermalen worden zodat er een plantaardige olie wordt gewonnen. Deze wordt traditioneel gebruikt om in te bakken. De zaden worden ook toegevoegd aan groenten, olie, zout, vis of vlees om maag- en darmproblemen te verhelpen. Zelfs het vruchtvlees van de vruchten wordt in Centraal-Afrika niet vergeten en die wordt omgetoverd tot een slijmachtige saus die vlees een wat pittige, aardse en fruitige bijsmaak geeft.
Berenklauw
Een aantal van de in totaal 70 verschillende soorten kunnen tot meer dan twee meter hoog reiken. Wat ze echter allemaal gemeen hebben is het vermogen om fytofotodermatitis te veroorzaken. Dat is een acute, meestal blaarvormende ontsteking van de huid veroorzaakt door het toxische effect van gelijktijdig zonlichtblootstelling én contact met bergapten, het stofje dat in de stengels en besjes van alle berenklauwen (én grapefruitsap) voorkomt.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Heracleum, betekent Heracles, de Griekse vorm van de Romeinse god en held Hercules. Een passende naam voor die schijnbaar onverwoestbare en (soms) gigantische planten.
Hoewel iedereen met een grote boog om de berenklauwen heen hoort te lopen zijn er toch enkele gerechten die met de berenklauw kunnen worden bereid. Borscht is een traditionele soep met rode biet in Oost-Europa. Borscht wordt in alle Oost-Europese landen gegeten en kan zelfs op het menu staan in delen van Turkije, waar het borç genoemd wordt.
Hoewel borscht een traditionele soep genoemd kan worden, bestaat er geen vastomlijnd recept, al zullen rode bieten tegenwoordig vrijwel altijd een hoofdrol spelen. Het woord Poolse woord borscht stamt af van het Russische woord borshch, dat ‘berenklauw’ betekent. In tijden van pure armoede, waarin rode bieten nog niet beschikbaar waren, werden jonge scheuten van de berenklauw als basis voor de soep gebruikt.
Wanneer de zaden gekneusd worden, komt er een sterke geur van komijn vrij. In diverse Zuid-Aziatische landen worden deze geurige zaden met tomaten vermalen tot een pasta. Die wordt als fris bijgerecht gegeten bij gekookte groenten.
In de Nepalese volksgeneeskunst wordt ook gedacht dat de zaden zouden kunnen helpen bij diverse maagproblemen. Van de wortels wordt gezegd dat ze de klachten van hoofdpijn, lepra en neurologische stoornissen kunnen verminderen en bovendien bloedstelpend zijn. De vruchtjes wordt toegepast als middel tegen typhus, misselijkheid en overgeven.
Pandanblad
Het eerste deel van de wetenschappelijke naam, Pandanus, is afkomstig uit het oud-Maleis, waar pandang, zoiets heeft betekend als 'schroefden', een dennenboom die zichzelf als een schroef in de grond boort. Tegenwoordig betekent het woord in het Maleis en Indonesisch 'uitzicht'. Het tweede deel, amaryllifolius, is een combinatiewoord: amarilli- is via het Latijnse amaryllis afgeleid uit de oud-Griekse vorm amarusso (ἀμαρύσσω) wat 'ik schijn' betekent. -folius betekent 'blad'. Samengeklonken moet je het woord dus vertalen als 'glanzend blad'.
In veel Aziatische landen worden pandanbladeren toegevoegd aan rijst. Dan krijg je dus de bekende pandanrijst. Het karakteristieke aroma van pandan wordt geleverd door een stofje met de naam 2-acetyl-1-pyrroline. Mocht het woord 'basmatirijst' nu door je hoofd schieten, dan kan ik melden dat pandanbladeren als goedkoop alternatief voor basmati wordt gebruikt in Azië.
De bladeren worden óf droog óf vers gebruikt. In droge vorm is het blad al behoorlijk wat van zijn aroma verloren. In Aziatische winkels worden pandanbladeren daarom vaak ingevroren verkocht. De verse bladeren hebben een wat nootachtige, bloemige geur en smaak. In de keuken van grote delen van zuidelijk Azië worden ze toegevoegd aan rijst, desserts, ijs en cakes. In India worden pandanbladeren soms een tijdje in kokosmelk (klapper) geweekt. De klapper neemt daardoor het aroma van de pandanbladeren over en wordt daarna in gerechten verwerkt. In de Thaise keuken is gemarineerde kip, gewikkeld in pandanbladeren (gai hor bai toey) een favoriet gerecht. Bestel je hetzelfde gerecht in een Thais restaurant in Nederland dan ontdek je echter dat de kok de kip in bananenbladeren heeft gewikkeld.
Van pandanbladeren wordt gedacht dat het ook enkele medische toepassingen heeft. Zo zou het werken tegen koorts, indigestie en flatulentie ('scheten laten'). Verder worden verse pandanbladeren gebruikt als luchtverfrisser in kleine ruimten, zoals auto's .

































